De kantonrechter stelde op 30 mei 2025 een bewind in over de goederen van verzoekster vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand en benoemde Bewindvoerderskantoor Achterhoek B.V. tot bewindvoerder. Verzoekster ging in hoger beroep omdat zij wenste dat haar zoon tot bewindvoerder werd benoemd in plaats van een professionele bewindvoerder.
Het hof ontving het beroepschrift en stukken van de bewindvoerder en hield op 3 maart 2026 een zitting waar alle betrokkenen aanwezig waren. Verzoekster was ambivalent over haar voorkeur, maar vroeg formeel om haar zoon als bewindvoerder. De bewindvoerder en de dochter waren tegen deze benoeming vanwege zorgen over belangenverstrengeling en onduidelijkheden in het financiële beheer.
De zoon woont zonder huur te betalen in de woning van verzoekster en beheerde haar financiën zonder voldoende transparantie, wat leidde tot vragen over overboekingen en leningen. Het hof oordeelde dat deze belangenverstrengeling en het gebrek aan openheid gegronde redenen zijn om de zoon niet te benoemen. Daarom werd de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en het verzoek van verzoekster afgewezen.