Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1597

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.359.789
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing vervangende toestemming verhuizing en zorgregeling bij gezamenlijk gezag

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun twee minderjarige kinderen en zijn overeengekomen dat de kinderen in de gezamenlijke woning verblijven, waarbij de ouders om beurten in het huis wonen (birdnesting).

De moeder verzocht om vervangende toestemming om met de kinderen naar een andere plaats te verhuizen, de hoofdverblijfplaats bij haar vast te stellen en een aangepaste zorgregeling. De rechtbank wees deze verzoeken af, waarna de moeder hoger beroep instelde. De vader kwam met een incidenteel hoger beroep tegen de hoofdverblijfplaatsregeling.

Het hof overweegt dat het belang van de kinderen om in de huidige woonplaats te blijven groter is dan het belang van de moeder om te verhuizen. De moeder heeft de noodzaak van verhuizing onvoldoende onderbouwd en overleg met de vader over de woningmarkt ontbroken. De zorgverdeling waarbij ouders een gelijk aandeel hebben, wordt als in het belang van de kinderen beschouwd. Het hof wijst het verzoek tot raadsonderzoek af en neemt geen beslissing over een toekomstige verhuizing.

Uiteindelijk bekrachtigt het hof de bestreden beschikking van de rechtbank en wijst het alle verdere verzoeken af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing, wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.789
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 587185)
beschikking van 17 maart 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. V.R.L. Berkhout,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. D.G. Nagel.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 oktober 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 17 februari 2026 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, die aanwezig was door middel van een Microsoft Teams-verbinding;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
2.3
Op 23 februari 2026 is [de minderjarige1] verschenen, die door de voorzitter van het hof, in bijzijn van de griffier, is gehoord.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2015 (hierna: [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2020 (hierna: [de minderjarige2] ).
3.2
De ouders oefenen sinds 30 april 2015 gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige1] . Zij oefenen sinds de bestreden beschikking ook gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige2] .
3.3
De ouders zijn na het uiteengaan overeengekomen dat zij doen aan ‘birdnesting’ en dat de kinderen hierbij in de gezamenlijke woning verblijven en de ouders afwisselend de woning verlaten waardoor zij een gelijk aandeel hebben in de zorg en opvoeding van de kinderen. Birdnesting betekent dat de kinderen in het ouderlijk huis blijven en de ouders om de beurt in het huis wonen om voor de kinderen te zorgen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen de ouders zijn in geschil de vraag of de moeder met de kinderen mag verhuizen naar [plaats] (en of aan de moeder vervangende toestemming hiervoor wordt verleend), de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende de kinderen (ook: zorgregeling).
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen de ene week bij de moeder zijn en de andere week bij de vader, waarbij het wisselmoment vrijdag na schooltijd is.
Verder zijn de verzoeken van de moeder tot vervangende toestemming om met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [plaats] te verhuizen en tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar, afgewezen.
Het verzoek van de vader over het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij hem en [de minderjarige2] bij de moeder is afgewezen. Ook het verzoek van de vader tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem voor het geval de moeder gaat verhuizen naar [plaats] is afgewezen.
4.2
De moeder is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De eerste drie grieven zien op het niet verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaats] . De vierde grief ziet op de reguliere zorgregeling. De vijfde grief ziet op de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder. De zesde grief ziet op het niet gelasten van een raadsonderzoek.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking, naar het hof begrijpt, te vernietigen voor zover het betreft de zorgregeling en de afwijzing van het verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing en tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, opnieuw beschikkende:
I te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;
II de moeder vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats] ;
III een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen in de even weken een weekend bij de vader verblijven.
De moeder heeft haar verzoek op de mondelinge behandeling aangevuld in die zin dat zij het hof ook verzoekt een raadsonderzoek te gelasten.
4.3
De vader voert verweer tegen het door de moeder ingestelde hoger beroep en is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen.
De grief ziet op de hoofdverblijfplaats van de kinderen in het geval de moeder in [plaats] gaat wonen.
De vader vraagt het hof de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het betreft de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de afwijzing van vervangende toestemming tot verhuizing. Verder verzoekt de vader, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op de afwijzing van zijn verzoek tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem indien de moeder naar [plaats] verhuist en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat op het moment dat de moeder zich vestigt in [plaats] de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben.
4.4
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof het verzoek van de vader in incidenteel appel af te wijzen en, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking op dat punt te bekrachtigen.
4.5
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Vervangende toestemming tot verhuizing
5.2
Het hof dient in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van een ouder en een kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De belangen van het kind vormen de eerste overweging (artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind), maar andere belangen kunnen zwaarder wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.
5.3
Bij de beslissing in een geschil als dit moet het hof alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en alle betrokken belangen afwegen, waaronder:
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
5.4
Hierna zal worden beoordeeld of de wens van de moeder om samen met de kinderen te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.
5.5
Het hof oordeelt net als de rechtbank – en op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt – dat het belang van de kinderen om in [woonplaats] te blijven wonen groter is dan het belang van de moeder om naar [plaats] te verhuizen om te gaan samenwonen met haar nieuwe partner. Ook bij het hof heeft de moeder de noodzaak tot verhuizing met de kinderen naar [plaats] volstrekt niet onderbouwd. Niet is gebleken dat zij überhaupt pogingen heeft gedaan om een woning te vinden in (de omgeving van) [woonplaats] . Daarbij lijkt zij niet in overleg met de vader te willen gaan om tot (financiële) afwikkeling van de gezamenlijke woning te komen, terwijl die afwikkeling wellicht een positieve bijdrage kan leveren aan haar mogelijkheden op de woningmarkt in [woonplaats] .
Voor het hof is ook belangrijk dat de rol van de vader bij een verhuizing van de kinderen naar [plaats] wezenlijk verandert, wat niet in het belang van de kinderen en de vader is. De vader zal dan nog nauwelijks betrokken zijn bij de dagelijkse zorg voor de kinderen en dat is niet te compenseren. De ouders verblijven al vanaf 2022 om beurten in de woning in [woonplaats] om daar voor de kinderen te zorgen. Zij hebben sindsdien een ongeveer gelijk aandeel in de verzorging en opvoeding van de kinderen en dat loopt goed. Het hof is met de raad eens dat het in het belang van de kinderen is om deze gelijke verdeling in stand te laten. Anders dan de moeder is het hof – net als de raad – van oordeel dat een verhuizing van één ouder naar een omgeving op grote afstand van de andere ouder voor de kinderen niet te vergelijken is met een verhuizing van beide ouders als het gezin nog intact is. Duidelijk is dat een verhuizing een levensgebeurtenis is voor kinderen en dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geworteld zijn in [woonplaats] . Zij zijn daar opgegroeid, gaan daar naar school en hebben daar hun clubjes en vrienden. Ook zijn de grootouders vaderszijde in de buurt die regelmatig oppassen en met wie zij een nauwe band hebben.
Verder zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die zich na de bestreden beschikking hebben voorgedaan en die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Hoofdverblijfplaats
5.6
Het hof is van oordeel dat een gelijk aandeel van beide ouders in de verzorging en opvoeding van de kinderen in het belang is van de kinderen, zoals hiervoor overwogen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen vast te stellen bij één van de ouders. Daarbij verblijven de kinderen – zoals ook de rechtbank overweegt – momenteel feitelijk in de gezamenlijke woning van de ouders, waar zij voor het uiteengaan van de ouders ook al verbleven.
Het hof zal ook geen beslissing nemen op het verzoek van de vader over de hoofdverblijfplaats van de kinderen in het geval de moeder naar [plaats] verhuist. Dit is een nog onzekere gebeurtenis in de toekomst waarop het hof niet kan vooruitlopen. Mocht de moeder naar [plaats] verhuizen dan is dit een wijziging van omstandigheden op basis waarvan een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen kan worden overeengekomen of verzocht.
Zorgregeling
5.7
Het hof zal geen wijziging brengen in de door de ouders afgesproken (en door de rechtbank wat aangepaste) zorgregeling waarbij de ouders een gelijk aandeel in de zorg hebben, nu niet is gebleken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.
Raadsonderzoek
5.8
Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten. Het hof zal het verzoek van de moeder hiertoe dan ook afwijzen.
Kindgesprek [de minderjarige1]
5.9
[de minderjarige1] heeft in het kindgesprek laten weten dat zij met de moeder (en [de minderjarige2] ) wil verhuizen naar de partner van de moeder in [plaats] . Volgens [de minderjarige1] is alles in [plaats] leuker en fijner dan in [woonplaats] . Zoals hiervoor overwogen, volgt het hof [de minderjarige1] hierin niet.

6.De slotsom

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover deze is voorgelegd aan het hof.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 juli 2025, voor zover het betreft de vastgestelde reguliere zorgregeling, de afwijzing van het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming tot verhuizing en de afwijzing van de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, J.H. Lieber en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.