Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
3.De feiten
NIETwanneer ten aanzien van de vrouw overtuigend wordt
NIETin het geval als bedoeld onder 3, doch wel voor de periode dat de vrouw een dienstbetrekking heeft, evenwel -indien sprake
C. TEN AANZIEN VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE WONING
man eindigt.”
De rechtbank heeft het door de man gedane verzoek afgewezen.
- het appartement aan de [adres1] te [plaats2] (…) wordt zonder verdere verrekening aan de man toegescheiden; de man neemt het verlies van de onderwaarde voor zijn rekening.
- de vrouw zal het appartement uiterlijk op 1 februari 2013 verlaten;
- de man neemt de eigenaarslasten van het appartement, zijnde de hypotheeklasten, de kosten van de vereniging van eigenaren en de gemeentelijke belastingen, tot 1 februari 2013 voor zijn rekening;
- met ingang van 1 februari 2012 en ook voor de toekomst wordt de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw wegens gebrek aan draagkracht op nihil gesteld; wijziging van deze afspraak is niet mogelijk;
- met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap van goederen zijn partijen overeengekomen dat zij zich tot [naam2] , notaris te [plaats1] , zullen wenden, die bij wijze van bindend advies de verdeling van alle baten en schulden, met uitzondering van de hypotheekschuld met betrekking tot het appartement, zal vaststellen.”
van de man in de kosten van levensonderhoud van [appellante] wegens gebrek aan draagkracht
4.De vorderingen van [appellante] en de beslissing van de rechtbank
5.De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep
Doel en reikwijdte van de schadestaatprocedure
De vorderingen in dit hoger beroep
a) het mislopen van alimentatie;
c) het niet kunnen delen in de waarde van de woning.
a) het mislopen van alimentatie
De man was zijnerzijds ook in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank. Hij verzocht het hof de bijdrage in het levensonderhoud van [appellante] op nihil te bepalen.
Uit de stukken die aan het hof Arnhem zijn overgelegd, blijkt echter dat het inkomen van de man in de loop der jaren fors is teruggelopen. Dat hield verband met het feit dat hij niet langer als beroepsmilitair werd uitgezonden voor vredesmissies, maar een bureaufunctie had gekregen. Zijn bruto jaarinkomen bedroeg blijkens de stukken in 2010 € 66.127, in 2011
€ 53.695 en in 2012 € 46.666.
Iemand met een bruto jaarinkomen van € 46.666 is niet in staat een bruto alimentatiebijdrage te betalen die uitkomt boven de bijstandsnorm. Tussen partijen staat – zoals namens [appellante] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 19 november 2025 is erkend – ook vast dat de man volgens de Trema-normen geen draagkrachtruimte had.
Dat betekent dat àls het hof de man in de hypothetische situatie al had veroordeeld tot het betalen van een alimentatiebijdrage, die bijdrage volledig in mindering zou hebben gestrekt op de bijstandsuitkering die [appellante] ontvangt, omdat de man nimmer een bedrag gelijk aan of hoger dan de bijstandsnorm zou hebben kunnen betalen. [appellante] lijdt dan ook geen schade door het mislopen van alimentatie. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellante] niet heeft onderbouwd dat zij in de fictieve situatie wel in staat zou zijn geweest om zelf inkomsten uit arbeid te verwerven. Zij is in de feitelijke situatie steeds aangewezen geweest op een bijstandsuitkering. Dat dit het gevolg is van de tekortkoming van [geïntimeerde] , zoals zij lijkt te suggereren, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
het niet kunnen effectueren van het vruchtgebruik
€ 307,72 per maand (haar huurlasten minus huurtoeslag minus woonkostencomponent in de bijstandsnorm). Zij stelt dat zij na 1 februari 2013, de datum waarop zij de woning heeft moeten verlaten, nog 28 jaar gebruik had kunnen maken van het vruchtgebruik. Zij begroot haar schade wegens het niet kunnen effectueren van het vruchtgebruik daarom op
€ 103.394.
€ 307,72 = € 18.463,20. Het hof laat dan (in het voordeel van [appellante] ) buiten beschouwing dat uit het convenant volgt dat [appellante] in de periode van vruchtgebruik naar evenredigheid had dienen bij te dragen in alle aan de woning verbonden lasten, zodat het maandelijkse schadebedrag lager zou zijn uitgevallen. Bij het begroten van de schade moet evenwel ook rekening worden gehouden met de overige omstandigheden in de fictieve situatie. Daarvoor is het volgende van belang.
c) het niet kunnen delen in de waarde van de woning
In de huidige situatie heeft [appellante] dus niet hoeven bijdragen in het verlies van de onderwaarde van de woning.
per saldogeen schade geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] .
Conclusie
6.De beslissing
13 januari 2026.