ECLI:NL:GHARL:2026:1660

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/1955
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar naheffingsaanslag BPM

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd van €6.787 voor een gebruikte Opel uit Duitsland. Na bezwaar van belanghebbende verklaarde de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.

In hoger beroep stond centraal of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Belanghebbende voerde aan dat door omstandigheden zoals het zwangerschapsverlof van de secretaresse, vermoeidheid van de gemachtigde en het ontbreken van herinneringen door coronamaatregelen het te laat indienen van het bezwaar verschoonbaar was. Het Hof oordeelde echter dat het kantoor van de gemachtigde op de hoogte was van de termijn en ondanks de omstandigheden meerdere bezwaarschriften tijdig indiende voor andere cliënten.

Daarom kon van het kantoor redelijkerwijs worden verwacht dat het bezwaar tijdig werd ingediend. Het te late bezwaar was niet verschoonbaar en de niet-ontvankelijkverklaring was terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag BPM is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1955
uitspraakdatum: 17 maart 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 25 september 2024, nummer ARN 23/1707 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 6.787.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Beide partijen hebben niet verzocht om een onderzoek ter zitting in hoger beroep. Het Hof heeft beslist dat een onderzoek ter zitting achterwege kan blijven en heeft het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Opel (Insignia Sports Tourer 2.8 T OPC 4x4; hierna: de auto) een bedrag van € 1.312 aan BPM op aangifte voldaan.
2.2.
Na onderzoek door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) en op basis van het door DRZ opgemaakte rapport, heeft de Inspecteur belanghebbende ter zake van de auto bij brief van 2 juni 2021 een ‘kennisgeving naheffingsaanslag’ gestuurd. Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 30 juni 2021 bericht dat hem een naheffingsaanslag ten bedrage van € 6.787 zal worden opgelegd. Belanghebbende heeft deze brief per e-mail van 8 juli 2021 aan zijn gemachtigde doorgestuurd. Met dagtekening 23 juli 2021 is de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd.
2.4.
Op 1 juli 2021 is de gemachtigde vader geworden. Zijn secretaresse had in die periode (langdurig zwangerschaps-)verlof.
2.5.
Met betrekking tot de onderhavige naheffing heeft tussen (het kantoor van) de gemachtigde en belanghebbende de volgende e-mail-correspondentie plaatsgevonden:
‘Op 8 jul. 2021 om 15:35 heeft [belanghebbende] < [e-mailadres1] > het volgende geschreven:
Dag [naam1] ,
Bij deze de getekende volmacht en de schriftelijke naheffingsaanslag BPM van de Opel Insignia OPC [kenteken] in de bijlage.
Bonnen en nota's volgen nog.
(…)
Aan: [belanghebbende] < [e-mailadres1] >
Beste [belanghebbende] , Dank voor het doorsturen. We zullen tijdig bezwaar indienen en tevens verzoeken om uitstel van betaling.
We houden je op de hoogte van het verdere procesverloop.
Groet,
mr. S.M. Bothof
(…)’.
en
‘Op do 22 jul. 2021 om 09:33 schreef [belanghebbende] < [e-mailadres1] >:
Gaat dit wel goed?
Moet voor 6 augustus betaald zijn!
Graag spoedig reactie?
(…)’
en:
‘Van: 123 BPM [mailto: [e-mailadres2] ]
Verzonden: donderdag 22 juli 2021 9:41
Aan: [belanghebbende] Onderwerp:
Re: Vooraankondiging naheffing
Geachte heer [belanghebbende] ,
Dank voor uw bericht.
De brief van de Belastingdienst is geautomatiseerd verzonden. De dagtekening van de naheffingsaanslag is 23 juli 2021, dat is morgen. Vanaf morgen hebben wij een wettelijke termijn van zes weken om bezwaar te maken en uitstel van betaling aan te verzoeken. We zullen uiteraard binnen de gegeven termijn bezwaar indienen en uitstel van betaling verzoeken.
Met vriendelijke groet.
[naam2]
(…)’.
2.6.
In de maanden juli en augustus 2021 heeft het kantoor van de gemachtigde meerdere bezwaarschriften voor verschillende cliënten bij de Belastingdienst ingediend.
2.7.
Bij e-mail van 13 juni 2022 heeft belanghebbende met betrekking tot de naheffingsaanslag een betalingsherinnering van de ontvanger aan de gemachtigde doorgestuurd. Vervolgens heeft de gemachtigde bij brief van 14 juni 2022 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur op 15 juni 2022 ontvangen.
2.8.
Bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.
2.9.
Het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank in haar uitspraak van 25 september 2024 ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende ten laste van de Staat vergoedingen voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten toegekend.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Het onderhavige bezwaarschrift is zeer ruim na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 in Pro verbinding met artikel 6:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend.
4.2.
Belanghebbende (de gemachtigde) stelt zich evenwel op het standpunt dat niettemin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij met betrekking tot het indienen van het bezwaarschrift in verzuim is geweest zodat volgens hem op grond van art. 6:11 Awb Pro niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens termijnoverschrijding hier achterwege moet blijven.
4.3.
Belanghebbende (de gemachtigde) heeft daartoe – in de kern – aangevoerd dat hij (de gemachtigde):
- niet kon beschikken over ondersteuning door zijn secretaresse die normaliter de (indiening van de) bezwaarschriften in goede banen leidde;
- door slaaptekort en ernstige vermoeidheid in de eerste weken na de geboorte van zijn kind acuut vergeetachtig is geraakt;
- en voorts dat hij in die periode zijn gebruikelijke ‘checks-and-balance’ was kwijtgeraakt omdat de belastingdienst in de coronaperiode de invorderingsmaatregelen had opgeschort waardoor in die periode – anders dan te doen gebruikelijk – geen herinneringen, aanmaningen en/of dwangbevelen werden gestuurd, terwijl die brieven voor hem normaliter als geheugensteuntje fungeerden.
4.4.
Hoewel de rechtspraak van de verschillende hoogste bestuursrechters met betrekking tot de uitleg van art. 6:11 Awb Pro minder streng is ten aanzien van het begrip ‘verschoonbaarheid’ dan in het verleden het geval was (vgl. onder meer HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515 en CBB 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31), kan in het onderhavige geval naar het oordeel van het Hof niet worden geconcludeerd dat belanghebbende met het te laat indienen van het bezwaarschrift niet in verzuim was.
4.5.
Belanghebbende heeft het kantoor van de gemachtigde ingeschakeld om voor hem een bezwaarschrift in te dienen. Verzuimen van dat kantoor worden aan hem toegerekend. Uit de e-mail van 22 juli 2021 van een medewerker van het kantoor van de gemachtigde ( [naam2] ) volgt dat het kantoor van de gemachtigde op de hoogte was van de onderhavige bezwaartermijn en dat door die medewerker uitdrukkelijk is medegedeeld dat binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift tegen de onderhavige naheffingsaanslag zou worden ingediend. Verder staat vast dat het kantoor van de gemachtigde in de periode juli en augustus 2021 – ondanks de in overweging 4.3 benoemde omstandigheden – voor verschillende cliënten bezwaarschriften bij de belastingdienst heeft ingediend. Onder deze omstandigheden kon van het kantoor van de gemachtigde in redelijkheid worden gevergd om in de onderhavige zaak tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag. Daarom moet – met de Inspecteur en de Rechtbank – worden geconcludeerd dat het (ruim) na het verstrijken van de bezwaartermijn indienen van het bezwaarschrift hier niet ‘verschoonbaar’ is. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Slotsom
4.7.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht en/of proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.