Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1687

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
200.360.351
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 1 BWArt. 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vervangende toestemming verhuizing kinderen naar andere woonplaats

De moeder en vader oefenen gezamenlijk gezag uit over drie minderjarige kinderen, die hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. De moeder verzocht om vervangende toestemming om met de kinderen te verhuizen naar een andere woonplaats, wat door de rechtbank werd afgewezen. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof heeft alle omstandigheden van het geval afgewogen, waaronder de noodzaak van de verhuizing, de voorbereiding, de gevolgen voor de omgang met de vader, en de belangen van de kinderen. De moeder kon de noodzaak van verhuizing niet voldoende onderbouwen en had onvoldoende alternatieven onderzocht. De verhuizing zou leiden tot een aanzienlijke beperking van het contact tussen vader en kinderen, wat niet in het belang van de kinderen is.

De kinderen zijn geworteld in hun huidige omgeving, gaan daar naar school en hebben sociale contacten. Het hof hecht aan het belang van stabiliteit en continuïteit in de opvoedsituatie. De wens van de moeder om te verhuizen om samen te wonen met haar nieuwe partner weegt minder zwaar dan het belang van de kinderen. Daarom bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing met de kinderen af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.351
(zaaknummer rechtbank Gelderland 449810)
beschikking van 19 maart 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.P. Adema,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.J. Roossien.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 17 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 oktober 2025
- het verweerschrift met producties
- een journaalbericht van mr. Adema van 6 februari 2026 met producties
2.2
Op 26 januari 2026 zijn [minderjarige1] en [minderjarige2] door de voorzitter van het hof, in bijzijn van de griffier, gehoord. [minderjarige3] heeft een tekening gemaakt, die op de zitting door de vader is gezien en door de moeder aan het hof overhandigd is.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 27 januari 2026 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door mr. M.A. Kale;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2013 (hierna: [minderjarige1] );
- [minderjarige2] , geboren op [in] 2015 (hierna: [minderjarige2] );
- [minderjarige3] , geboren op [in] 2017 (hierna: [minderjarige3] ),
over wie zij gezamenlijk gezag uitoefenen.
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
3.2
In het op 25 mei 2022 ondertekende ouderschapsplan zijn de ouders een zorgregeling overeengekomen, waarbij:
- de kinderen van zondag 9.30 uur tot dinsdag naar school bij de vader zijn en één keer per maand vanaf zaterdag 9.30 uur tot en met dinsdag na school (14.45 uur);
- tijdens de zomervakantie de kinderen drie weken bij de moeder zijn en de reguliere regeling tijdens de rest van de zomervakantie doorloopt, waarbij de vader de kinderen een of twee extra dagen in de week bij zich heeft in overleg;
- de kinderen tijdens de schoolvakanties van zondag t/m dinsdag bij de vader zijn en zij op woensdag weer naar de moeder gaan;
- de kinderen eens in de twee maanden ook op zondag bij de moeder zijn, waarna zij wel van maandag uit school tot dinsdag naar school bij de vader zijn;
- de kinderen in de maand november gedurende drie weken bij de vader verblijven vanwege het werk van de vader.
3.3
De moeder heeft in januari 2024 ook een verzoekschrift ingediend tot vervangende toestemming tot verhuizing met de kinderen naar [woonplaats3] . De rechtbank heeft in die zaak op 20 maart 2024 een tussenbeschikking gegeven en de beslissing op dat verzoek aangehouden omdat de ouders waren overeengekomen dat zij zich zouden wenden tot een mediator om te bekijken of zij gezamenlijk tot afspraken konden komen met betrekking tot een eventuele verhuizing.
De ouders hebben geen overeenstemming bereikt. De moeder heeft het verzoekschrift ingetrokken.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen de ouders is in geschil of de moeder met de kinderen van [woonplaats1] naar (de omgeving van) [woonplaats3] , Gelderland, mag verhuizen.
In de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming daartoe, afgewezen.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en haar alsnog vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de kinderen naar (de directe omgeving van) [woonplaats3] .
4.3
De vader voert verweer en hij vraagt het hof de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.
5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De belangen van het kind vormen de eerste overweging (artikel 3 van Pro het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind), maar andere belangen kunnen zwaarder wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:
- de noodzaak om te verhuizen;
- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
5.3
De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de wens van de moeder om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.
5.4
Het hof oordeelt net als de rechtbank – en op dezelfde gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt – dat het belang van de kinderen om in [woonplaats1] te blijven wonen groter is dan het belang van de moeder om naar [woonplaats3] te verhuizen om te gaan samenwonen met haar nieuwe partner. Ter aanvulling overweegt het hof dat de moeder ook bij het hof de noodzaak tot verhuizing met de kinderen naar [woonplaats3] niet heeft onderbouwd. De moeder heeft bij de rechtbank al aangevoerd dat zij met de kinderen haar tijdelijke woning eind 2025 moet verlaten, maar de huur daarvan is inmiddels verlengd tot de komende zomer. Naar het oordeel van het hof had de moeder eerder stappen moeten en kunnen ondernemen om andere woonruimte te vinden na het verlaten van de tijdelijke woonruimte; zij wist vanaf het begin dat het verblijf met de kinderen daar tijdelijk was. De moeder heeft ook bij het hof niet aangetoond welke (on)mogelijkheden zij heeft om andere woonruimte te vinden in de omgeving van [woonplaats1] . De moeder heeft zich volledig gericht op het samenwonen met haar nieuwe partner in [woonplaats3] en ziet hierin ook – anders dan het hof – de noodzaak van de verhuizing; andere mogelijkheden heeft zij niet onderzocht.
5.5
Het hof is het met de raad eens dat een verhuizing van de kinderen naar [woonplaats3] een aanzienlijke beperking betekent voor het contact dat de vader met hen heeft en de zorg die hij kan geven. Dat is niet in het belang van de kinderen. Er dient rekening te worden gehouden met de (beperkte) mogelijkheden die de vader heeft vanwege zijn restaurant. De moeder weet dit en kan dit nu niet ineens tegen hem gebruiken. Zij hebben tijdens hun relatie samen voor het restaurant gekozen. Dit heeft ook tot gevolg dat compensatie van het contact en van de zorg nauwelijks mogelijk is. De vader zorgt voor de kinderen van zondag tot dinsdagochtend, waardoor hij ook betrokken is bij school en andere doordeweekse activiteiten. Daarbij zorgt hij ook voor de kinderen in november gedurende drie weken aaneengesloten. Bij een verhuizing naar [woonplaats3] is dit niet haalbaar.
Net als de moeder lijken de kinderen volledig gericht te zijn op de samenleving met de nieuwe partner van de moeder en zijn zoon in [woonplaats3] . [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben in het kindgesprek verteld dat zij graag willen verhuizen naar [woonplaats3] . Ook op de tekening van [minderjarige3] is te zien dat zij is gericht op deze verhuizing; zij tekent het ‘nieuwe gezin’ in [woonplaats3] en op die tekening is geen plaats voor de vader. Het hof wordt hierdoor bevestigd in zijn zorgen over de rol die de vader nog zal hebben in het leven van de kinderen na de verhuizing. Met de vader verwacht het hof dat zijn band met de kinderen wordt beperkt na een verhuizing, terwijl de vader – ook in de toekomst – meer betrokken kan blijven in het leven van de kinderen als zij in (de omgeving van) [woonplaats1] wonen wat als gezegd ook in het belang van de kinderen is. Daarbij is het hof het met de vader eens dat de kinderen zijn geworteld in de omgeving van [woonplaats1] ; zij gaan daar naar school en zij hebben daar hun sociale contacten en (sport)activiteiten. Verder is het belangrijk dat (jonge) kinderen – na het uiteengaan van hun ouders – zo veel mogelijk in dezelfde omgeving kunnen blijven wonen en in de buurt van beide ouders, zodat zij de nodige rust en stabiliteit in hun opvoedsituatie kunnen blijven ervaren. Het hof zal het verzoek van de moeder in hoger beroep dan ook afwijzen.

6.De slotsom

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 17 juli 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, J.H. Lieber en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 19 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.