Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 mei 2025;
6 november 2025;
2.De verdere motivering van de beslissingDe positie van de GI in zaaknummer 200.348.601/01
Het huurrecht van de voormalige echtelijke woning
Intieme terreur
De te onderscheiden perioden
1 juli 2025 ook sprake is van een wijziging in de aanspraak op het kindgebonden budget. Voor zover de vader vindt dat er al opnieuw moet worden gerekend per 22 februari 2025 omdat [minderjarige1] vanaf die datum bij hem woont en hij niet meer wordt geacht bij te dragen in de kosten van haar verzorging en opvoeding, gaat het hof daar niet in mee. Formeel is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] pas bij de beschikking van het hof van 3 juni 2025 bij de vader bepaald. Tot die datum was de moeder dus nog gehouden om de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige1] te voldoen en dient de vader kinderalimentatie voor [minderjarige1] aan haar te voldoen. Het hof berekent de onderhoudsbijdragen vervolgens opnieuw per 1 januari 2026, omdat de moeder vanaf die datum geen recht meer heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, en tot slot per de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] zal beschikken, omdat per die datum een andere zorgregeling zal gelden en daarmee een andere zorgkorting van toepassing is.
De draagkracht van de vader
€ 43.697,-, rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en een kindgebonden budget voor [minderjarige1] van € 5.899,- op jaarbasis op een bedrag van € 3.480,- per maand. Zijn draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2026 € 750,- per maand.
De zorgkorting
Draagkrachtvergelijking
Ad a De periode van 13 januari 2025 tot 1 juli 2025 (periode 1)
€ 478,- per kind per maand bedraagt (€ 1.183,- / € 1.721,- x € 696,-) en het aandeel van de vader € 218,- per kind per maand (€ 538,- / € 1.721,- x € 696,-).
(€ 218,- - € 174,- =) € 44,- per kind per maand.
Ad b De periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 (periode 2)
- € 174,- =) € 234,- per maand.
Ad c De periode van 1 januari 2026 tot de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt (periode 3)
€ 411,- per kind per maand bedraagt (€ 974,- / € 1.724,- x € 728,-) en het aandeel van de vader € 317,- per kind per maand (€ 750,- / € 1.724,- x € 728,-).
- € 182,- =) € 229,- per maand.
Ad d De periode vanaf de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt (periode 4)
Conclusie
Terugbetalingsverplichting/bijbetalingsverplichting
3.De beslissing
13 september 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
M.A.L.M. Willems, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 19 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.