ECLI:NL:GHARL:2026:1694

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
200.348.601/01 en 200.348.602/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie na echtscheiding

In deze civiele zaak in hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 maart 2026 uitspraak gedaan over de hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie na de echtscheiding van hun ouders.

De raad voor de kinderbescherming voerde nader onderzoek uit en bracht een rapport uit waarin zorgen werden geuit over de echtscheidingsproblematiek en de gevolgen voor de kinderen, waaronder risico op parentificatie en emotionele spanningen. De raad adviseerde de hoofdverblijfplaats te handhaven zoals die was, met [minderjarige1] bij de vader en [minderjarige2] bij de moeder, en stelde een zorgregeling voor die aansluit bij de huidige situatie en toekomstige woonomstandigheden van de vader.

Het hof volgde het advies van de raad, bekrachtigde het huurrecht van de moeder voor de voormalige echtelijke woning en stelde een zorgregeling vast die een week op week af regeling omvat zodra de vader zelfstandige woonruimte heeft. De kinderalimentatie werd berekend in vier perioden, rekening houdend met de draagkracht van beide ouders, zorgkortingen en het kindgebonden budget. Tevens werd een verrekeningsmogelijkheid tussen de bijdragen van de ouders vastgesteld. Het hof wees verzoeken tot wijziging af en benadrukte het belang van rust en duidelijkheid voor de kinderen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij respectievelijk vader en moeder, stelt een zorgregeling vast conform het advies van de raad en bepaalt de kinderalimentatie met verrekening tussen ouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.348.601/01 en 200.348.602/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 556823)
beschikking van 19 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die feitelijk verblijft in [verblijfplaats] ,
en zijn briefadres heeft in [plaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. T.O. Sohansingh te Amsterdam,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.E. Groot te Heerhugowaard.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Utrecht.
Als overige belanghebbende is in zaaknummer 200.348.601/01 aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI),
gevestigd te Utrecht.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van de procedure tot 3 juni 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. In die tussenbeschikking heeft het hof de raad verzocht nader onderzoek te verrichten en voorlopige beslissingen genomen over het huurrecht van de voormalige echtelijke woning in [plaats] , de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] , de zorgregeling en de kinderalimentatie.
1.2
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 mei 2025;
- een beschikking van het hof van 8 juli 2025, waarbij het verzoek van de moeder tot herstel van de beschikking van 3 juni 2025 is afgewezen;
- een brief van de raad van 7 november 2025 met als bijlage het raadsrapport van
6 november 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 28 november 2025 met als bijlage een brief met zijn reactie op het raadsrapport;
- een journaalbericht namens de moeder van 1 december 2025 met haar reactie op het raadsrapport;
- een journaalbericht namens de vader van 12 januari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 28 januari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 30 januari 2026 met bijlage(n);
- een brief van de GI, waarin de GI zich heeft afgemeld voor de mondelinge behandeling.
1.3
Op 11 februari 2026 heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten en er is een vertegenwoordiger van de raad ter zitting aanwezig geweest.
1.4
De moeder heeft ter zitting haar twee jaaropgaven over 2025 overgelegd. De vader is in de gelegenheid gesteld om zijn jaaropgave over 2025 na de zitting in het geding te brengen en dat heeft hij bij het journaalbericht van 17 februari 2026 gedaan.

2.De verdere motivering van de beslissingDe positie van de GI in zaaknummer 200.348.601/01

2.1
De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige2] bij beschikking van de rechtbank van 12 december 2025 op verzoek van de raad onder toezicht is gesteld van de GI voor een periode van zes maanden en dat het verzoek is aangehouden voor zover het de resterende verzochte duur van nog eens zes maanden betreft.
2.2
Het hof heeft de GI aanvankelijk in deze procedure, in zaaknummer 200.348.601/01, aangemerkt als informant, maar heeft naar aanleiding van de mondelinge behandeling aanleiding gezien om de GI op grond van artikel 798 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in deze procedure aan te merken als belanghebbende zodat de GI ook beschikt over de stukken van deze procedure en een afschrift van deze beschikking zal ontvangen.
De gang van zaken bij de rechtbank
2.3
In de eerste grief komt de vader op tegen de beslissing(en) van de rechtbank ten aanzien van buiten de termijn van het procesreglement door de moeder ingediende stukken en ten aanzien van de ter zitting door de vader overgelegde pleitnotitie. De vader verzoekt het hof om zich expliciet over de gang van zaken bij de rechtbank uit te laten, omdat dit soort praktijken zich volgens hem niet moeten herhalen.
2.4
Wat er van de gang van zaken bij de rechtbank ook zij, de vader heeft naar het oordeel van het hof geen belang bij behandeling van deze klacht. De procedure in hoger beroep strekt er immers mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. De vader heeft de zaak in hoger beroep opnieuw ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld om in dat kader alles naar voren te brengen wat hij in eerste aanleg mogelijk als gevolg van een processuele beslissing van de rechtbank onvoldoende naar voren heeft kunnen brengen. De eerste grief in het principaal hoger beroep slaagt daarom niet.
Het ouderschapsplan
2.5
In de tweede grief stelt de vader zich op het standpunt dat de rechtbank het door partijen ondertekende ouderschapsplan ten onrechte heeft bekrachtigd en heeft aangehecht aan de bestreden beschikking. Uit de toelichting bij deze grief blijkt dat de vader deze heeft opgeworpen omdat hij vindt dat de afspraken in het ouderschapsplan niet meer actueel zijn. Aan dat bezwaar wordt tegemoetgekomen, aangezien het hof in deze beschikking beslissingen neemt op basis van de actuele stand van zaken. De vader heeft daarom bij behandeling van deze grief geen belang meer.
Het raadsonderzoek
2.6
In de tussenbeschikking van 3 juni 2025 heeft het hof de raad verzocht om nader onderzoek te doen naar de vraag welke hoofdverblijfplaats en zorgregeling in het belang van de kinderen moet worden geacht en zo mogelijk ook welke beslissing over het huurrecht van de voormalige echtelijke woning moet worden genomen.
2.7
De raad heeft onderzoek gedaan en de resultaten daarvan vastgelegd in zijn rapport van 6 november 2025. Uit dit rapport komen zorgen naar voren die met name zijn gelegen in de echtscheidingsproblematiek van de ouders. De kinderen hebben volgens de raad last van de scheiding van de ouders en de veranderingen die dat voor hen heeft teweeggebracht. Doordat de ouders zelf niet in staat zijn om met elkaar te communiceren over de kinderen, doen zij een te groot beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de kinderen. Bij de kinderen leidt dat tot een risico op parentificatie, wat meebrengt dat zij sneller volwassen moeten worden en minder ruimte hebben om nog kind te zijn.
2.8
Ten aanzien van [minderjarige2] zijn er zorgen over zijn emotieregulatie en de manier waarop hij omgaat met de verschillen in de opvoedsituaties bij de ouders thuis. [minderjarige2] vindt het lastig dat [minderjarige1] wel bij de vader woont en hij niet, en hij lijkt als gevolg van de strijd tussen de ouders zijn moeder af te wijzen. De raad vindt het zorgelijk dat [minderjarige2] de wens heeft uitgesproken om zijn moeder nog slechts minimaal, enkel op feestdagen, te zien.
2.9
Ten aanzien van [minderjarige1] zijn volgens de raad minder zorgen aanwezig. [minderjarige1] lijkt het goed te doen op school, heeft bij de vader thuis haar rust gevonden en zit goed in haar vel. [minderjarige1] geeft dat zelf ook aan en is tevreden met de huidige situatie.
2.1
De raad vindt het voor beide kinderen belangrijk dat zij ondersteuning krijgen bij het verwerken van de scheiding van hun ouders en dat zij leren wat het betekent om op te groeien met gescheiden ouders. Voor [minderjarige2] heeft de raad een ondertoezichtstelling noodzakelijk geacht om die hulp van de grond te krijgen, terwijl de raad voor [minderjarige1] inschat dat de ouders ook zonder ondertoezichtstelling samen met [minderjarige1] de juiste keuzes kunnen maken ten aanzien van de in te zetten hulp.
Het huurrecht van de voormalige echtelijke woning
2.11
De raad heeft het hof niet geadviseerd over het huurrecht van de voormalige echtelijke woning.
2.12
Het hof ziet aanleiding om het huurrecht van de voormalige echtelijke woning toe te wijzen aan de moeder. De moeder heeft naar het oordeel van het hof het grootste belang bij toewijzing van het huurrecht, omdat vaststaat dat de vader inmiddels een urgentieverklaring voor een woning in [plaats] heeft verkregen en hij naar verwachting op korte termijn een woning toegewezen zal krijgen, terwijl voor de moeder geen zicht op andere woonruimte bestaat. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking in zoverre zal bekrachtigen.
De hoofdverblijfplaats
2.13
De raad adviseert om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te houden zoals deze nu is, namelijk dat [minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader en [minderjarige2] bij de moeder. De raad acht het niet in het belang van de kinderen om op dit moment een andere beslissing te nemen over hun hoofdverblijfplaats. Het is volgens de raad in het belang van de kinderen dat er rust komt in de afhandeling van de echtscheiding van de ouders en duidelijkheid voor de kinderen over hun hoofdverblijfplaats, waarbij zij ervan uit kunnen gaan dat deze situatie niet meer verandert.
2.14
De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat, hoewel zij het liefste zou zien dat beide kinderen hoofdverblijf hebben bij haar, zij zich in het belang van de kinderen conformeert aan het advies van de raad. De moeder heeft haar verzoek daarom ter zitting in die zin gewijzigd dat zij nu verzoekt om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] bij de vader te bepalen en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige2] bij haar. De vader wil nog steeds dat de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij hem wordt bepaald. Hij wijst er in dit verband op dat ook [minderjarige2] zelf graag wil dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald.
2.15
Het hof is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om de huidige situatie ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen in stand te laten zodat er rust kan ontstaan in hun situatie. De raad verwacht dat een definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen duidelijkheid en rust zal brengen voor de kinderen en daar zijn zij naar het oordeel van het hof bij gebaat. De raad heeft ter zitting benadrukt dat de kinderen het bij beide ouders goed hebben en dat het voor de kinderen daarom niet zozeer van belang is bij welke ouder hun hoofdverblijfplaats wordt bepaald, maar dat daar duidelijkheid over is. Dat [minderjarige2] zelf graag wil dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald leidt daarom niet tot een ander oordeel. Het hof zal bepalen dat [minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader en [minderjarige2] bij de moeder. Het hof gaat ervan uit dat de ouders nu deze beslissing is genomen daarover niet meer met elkaar zullen twisten en dat zij naar de kinderen uitdragen dat zij daarover niet meer in een juridische strijd met elkaar verwikkeld zijn.
De zorgregeling
2.16
De moeder heeft ter zitting ook haar verzoek ten aanzien van de zorgregeling zo gewijzigd dat zij nu verzoekt om aan te sluiten bij het advies van de raad. De vader vindt dat de kinderen om de week een weekend bij de moeder kunnen zijn van vrijdagmiddag tot zondagavond en dat kan in zijn optiek – met een opbouw – worden uitgebreid tot een zorgregeling op grond waarvan de kinderen de helft van de tijd bij beide ouders zijn zodra hij zelfstandige woonruimte zal hebben in [plaats] .
2.17
Het hof acht de door de raad geadviseerde zorgregeling in het belang van de kinderen en zal daarom conform dat advies beslissen.
2.18
Dat betekent dat het hof voor de situatie dat de vader nog geen zelfstandige woonruimte heeft en in [verblijfplaats] verblijft een zorgregeling zal vaststellen op grond waarvan de kinderen één keer in de twee weken van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school bij de ouder verblijven bij wie zij geen hoofdverblijf hebben, zodanig dat [minderjarige1] en [minderjarige2] in de oneven weekenden samen bij de vader verblijven en in de even weekenden samen bij de moeder verblijven. Deze regeling sluit grotendeels aan bij de regeling die partijen op dit moment uitvoeren en dat komt mede gelet op de vermoedelijk korte periode dat de vader nog niet over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt, tegemoet aan het belang van de kinderen bij duidelijkheid en stabiliteit.
2.19
Zodra de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt, zal de zorgregeling veranderen. Het hof zal voor die situatie een zorgregeling bepalen op grond waarvan de kinderen middels een week op, week af regeling de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zullen verblijven, waarbij het wisselmoment op maandag naar school is. Het hof acht deze regeling evenals de raad in het belang van de kinderen, omdat zij dan met beide ouders voldoende tijd kunnen doorbrengen. Uit het raadsrapport komt naar voren dat de kinderen zowel bij de vader als bij de moeder graag thuis zijn, waarbij zij behoefte hebben aan de nabijheid van hun ouders. De door de vader voorgestelde zorgregeling komt hieraan in deze nieuwe situatie, waarin beide partijen in [plaats] wonen, naar het oordeel van het hof onvoldoende tegemoet.
2.2
De raad handhaaft zijn advies om de vakanties en feestdagen bij helfte gelijk te verdelen. Partijen hebben geen bezwaren naar voren gebracht tegen de regeling van de vakanties en feestdagen zoals die voorlopig door het hof is bepaald in de tussenbeschikking van 3 juni 2025. Het hof zal die regeling daarom nu definitief bepalen.
2.21
De vader heeft aangevoerd dat de kinderen bij de moeder niet veilig zouden zijn omdat zij veel van huis is. De moeder is echter naar eigen zeggen nu zij een andere baan heeft, meer thuis en de raad vindt het gezien de leeftijd van de kinderen niet onverantwoord dat de moeder soms even weg is om bijvoorbeeld te sporten. Het is niet aan de vader om de kinderen op te halen bij moeder als zij een moment niet thuis is, zoals hij ter zitting heeft aangegeven. Het is voor [minderjarige1] en [minderjarige2] volgens de raad belangrijk dat de ouders de focus hebben op hun eigen opvoedsituatie, dat zij accepteren dat de opvoedsituatie bij de andere ouder anders is en dat er goede maar beperkte communicatie is. De raad adviseert de ouders om daaraan te werken door middel van een traject parallel solo ouderschap bij [naam1] . Beide ouders hebben aangegeven open te staan voor een parallel solo ouderschap-traject en het hof gaat ervan uit, gezien de eindbeslissingen die in deze beschikking worden genomen, dat dit traject in het belang van de kinderen op korte termijn kan starten.
Intieme terreur
2.22
Uit het vorenstaande volgt dat het hof het advies van de raad volgt voor wat betreft het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling. Het hof maakt zich echter wel zorgen over de dynamiek tussen de ouders en de onderlinge machtsverhoudingen, waarin mogelijk sprake is van een machtsonevenwicht. De raad heeft ondanks het verzoek van het hof daartoe niet onderzocht of sprake is van intieme terreur vanuit de vader. Ter zitting heeft het hof hier nadere vragen over gesteld, waaruit bleek dat ook bijvoorbeeld geen MASIC is afgenomen of de kinderen zijn gehoord volgens het NICHD-protocol. Ook anderszins is er geen onderzoek naar gedaan. De raadsvertegenwoordiger gaf aan de zorgen ook te zien, maar dat de raad hier geen onderzoek naar heeft gedaan omdat er geen recente signalen vanuit de moeder daarover zouden zijn geweest. De raadsvertegenwoordiger heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat voor een dergelijk onderzoek op dit moment wel aanleiding bestaat. Gezien de wijze van handelen van vader rondom de schade aan de fatbike, het niet vermelden van het verblijfsadres van de vader en [minderjarige1] aan de moeder, de discussie over het vervoer van de kinderen en de kosten daarvan en het meermaals ophalen van [minderjarige2] bij de moeder, maar ook gezien het verloop van de zitting, blijkt uit het handelen van de vader dat hij de moeder op diverse fronten voortdurend diskwalificeert. Op grond daarvan is ook naar het oordeel van het hof van belang dat er nu wel aandacht komt voor de vraag of er wel of niet sprake is van intieme terreur door de vader. De vader heeft ter zitting zelf aangegeven dat hij graag wil dat hier duidelijkheid over komt. De raadsvertegenwoordiger heeft ter zitting toegezegd hierover in overleg te gaan met de GI om na te gaan of een onderzoek hiernaar met de daarvoor ontwikkelde onderzoeksmethodieken kan worden betrokken in de lopende ondertoezichtstelling. Het hof wil ook op deze plaats aan de GI meegeven de noodzaak te zien van een dergelijk onderzoek.
De kinderalimentatie
2.23
De rechtbank heeft bepaald dat de vader met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (13 januari 2025) dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] met een bedrag van € 94,- per kind per maand. Het hof heeft in de tussenbeschikking van 3 juni 2025 bepaald dat de moeder met ingang van 3 juni 2025 voorlopig dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] met een bedrag van € 400,- per maand en dat de vader met ingang van 3 juni 2025 voorlopig dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] met een bedrag van € 88,- per maand.
2.24
Onder verwijzing naar wat in de tussenbeschikking van het hof van 3 juni 2025 onder 5.12 is overwogen zal het hof zowel de bijdrage van de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] als de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] in deze beschikking definitief vaststellen.
De ingangsdatum
2.25
Tegen de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van de kinderalimentatie (13 januari 2025) is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan uit zal gaan.
De te onderscheiden perioden
2.26
Het hof zal voor de berekening van de kinderalimentatie vier perioden onderscheiden, namelijk:
de periode van 13 januari 2025 tot 1 juli 2025;
de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026;
de periode van 1 januari 2026 tot de datum dat de vader zelfstandige woonruimte in [plaats] zal hebben;
e periode vanaf de datum dat de vader zelfstandige woonruimte in [plaats] zal hebben.
2.27
Het hof berekent de kinderalimentatie per 1 juli 2025 opnieuw omdat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] bij de beschikking van het hof van 3 juni 2025 formeel bij de vader is bepaald en – hoewel partijen naar voren hebben gebracht dat er een procedure loopt tegen de Sociale Verzekeringsbank over de aanspraak op kinderbijslag en daarmee samenhangend het kindgebonden budget – ervan uit moet worden gegaan dat daarmee per
1 juli 2025 ook sprake is van een wijziging in de aanspraak op het kindgebonden budget. Voor zover de vader vindt dat er al opnieuw moet worden gerekend per 22 februari 2025 omdat [minderjarige1] vanaf die datum bij hem woont en hij niet meer wordt geacht bij te dragen in de kosten van haar verzorging en opvoeding, gaat het hof daar niet in mee. Formeel is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] pas bij de beschikking van het hof van 3 juni 2025 bij de vader bepaald. Tot die datum was de moeder dus nog gehouden om de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige1] te voldoen en dient de vader kinderalimentatie voor [minderjarige1] aan haar te voldoen. Het hof berekent de onderhoudsbijdragen vervolgens opnieuw per 1 januari 2026, omdat de moeder vanaf die datum geen recht meer heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, en tot slot per de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] zal beschikken, omdat per die datum een andere zorgregeling zal gelden en daarmee een andere zorgkorting van toepassing is.
De behoefte van de kinderen
2.28
Partijen zijn het erover eens dat uitgegaan moet worden van een (naar 2025 geïndexeerde) behoefte van de kinderen van (afgerond) € 696,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte (afgerond) € 728,- per kind per maand.
De draagkracht van de moeder
2.29
De moeder heeft haar netto besteedbaar inkomen in 2025 berekend aan de hand van een bruto jaarinkomen van € 54.965,- (€ 31.211,- over de maanden januari tot en met juli 2025, welk bedrag blijkt uit de jaaropgave van Stichting Amstelring Groep en € 23.754,- over de maanden augustus tot en met december 2025, welk bedrag blijkt uit de jaaropgave van het Ministerie van Justitie en Veiligheid). De vader heeft niet betwist dat van dit bruto jaarinkomen van de moeder moet worden uitgegaan, zodat het hof daarvan uit zal gaan.
2.3
In de periode van 13 januari 2025 tot 1 juli 2025 hoort daarbij een kindgebonden budget voor [minderjarige1] en [minderjarige2] van € 7.228,- op jaarbasis en bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de moeder, rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting € 4.286,- per maand. Haar draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2025 (70% van [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)] € 1.183,- per maand.
2.31
In de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 hoort daarbij een kindgebonden budget voor [minderjarige2] van € 4.717,- op jaarbasis en bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de moeder, rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting € 4.076,- per maand. Haar draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2025 € 1.080,- per maand.
2.32
De moeder heeft haar netto besteedbaar inkomen in 2026 berekend aan de hand van haar inkomen bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zij gaat daarbij uit van een bruto jaarinkomen van € 57.010,-, zijnde het uit de jaaropgave over 2025 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid geëxtrapoleerde bedrag voor een heel jaar. De vader heeft niet betwist dat van dit bruto jaarinkomen van de moeder moet worden uitgegaan, zodat het hof daarbij aansluit. Met ingang van 1 januari 2026 heeft de moeder geen recht meer op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en het kindgebonden budget voor [minderjarige2] van € 4.647,- op jaarbasis, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de moeder € 3.938,- per maand. Haar draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2026 € 974,- per maand.
De draagkracht van de vader
2.33
Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de vader, zoals ter zitting met partijen besproken, uitgaan van het bruto jaarinkomen dat blijkt uit de door de vader na de zitting overgelegde jaaropgave van Trigion Beveiliging over 2025 van € 43.697,-.
2.34
In de periode van 13 januari 2025 tot 1 juli 2025 hoort daarbij geen kindgebonden budget en bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vader, rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting € 2.968,- per maand. Zijn draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2025 € 538,- per maand.
2.35
In de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 hoort daarbij een kindgebonden budget voor [minderjarige1] van € 5.518,- op jaarbasis en bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vader, rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting € 3.428,- per maand. Zijn draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2025 € 763,- per maand.
2.36
Voor de periode vanaf 1 januari 2026 berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de vader aan de hand van het hiervoor vermelde bruto jaarinkomen over 2025 van
€ 43.697,-, rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en een kindgebonden budget voor [minderjarige1] van € 5.899,- op jaarbasis op een bedrag van € 3.480,- per maand. Zijn draagkracht bedraagt dan op grond van de formule voor 2026 € 750,- per maand.
De zorgkorting
2.37
De kosten van de zorgregeling worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Naar het oordeel van het hof behoort bij de zorgregeling zoals die geldt tot de datum dat de man zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt een zorgkorting van 25%. Vanaf de datum dat de man over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt zullen partijen de zorg voor de kinderen bij helfte verdelen en is een zorgkorting van 35% van toepassing.
2.38
Dat betekent dat de zorgkorting in de periode van 13 januari 2025 tot 1 januari 2026 (25% van € 696,- =) € 174,- per kind per maand bedraagt, van 1 januari 2026 tot de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt (25% van € 728,- =) € 182,- per kind per maand en vanaf de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt (35% van € 728,- =) € 255,- per kind per maand.
Draagkrachtvergelijking
2.39
Het hof zal vervolgens beoordelen in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. Het hof zal het aandeel van partijen in de kosten van de kinderen bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking. De verdeling van de behoefte over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Ad a De periode van 13 januari 2025 tot 1 juli 2025 (periode 1)
2.4
In periode 1 geldt dat het aandeel van de moeder in de behoefte van de kinderen
€ 478,- per kind per maand bedraagt (€ 1.183,- / € 1.721,- x € 696,-) en het aandeel van de vader € 218,- per kind per maand (€ 538,- / € 1.721,- x € 696,-).
2.41
Op het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige1] en [minderjarige2] strekt in mindering de zorgkorting van € 174,- per kind per maand. Dat betekent dat hij in periode 1 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] met een bedrag van
(€ 218,- - € 174,- =) € 44,- per kind per maand.
Ad b De periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 (periode 2)
2.42
In periode 2 geldt dat het aandeel van de moeder in de behoefte van de kinderen € 408,- per kind per maand bedraagt (€ 1.080,- / € 1.843,- x € 696,-) en het aandeel van de vader € 288,- per kind per maand (€ 763,- / € 1.843,- x € 696,-).
2.43
Op het aandeel van de moeder in de kosten van [minderjarige1] strekt in mindering de zorgkorting van € 174,- per maand. Dat betekent dat de moeder in periode 2 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] met een bedrag van (€ 408,-
- € 174,- =) € 234,- per maand.
2.44
Op het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige2] strekt eveneens in mindering de zorgkorting van € 174,- per maand. Dat betekent dat de vader in periode 2 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] met een bedrag van (€ 288,- - € 174,- =) € 114,- per maand.
Ad c De periode van 1 januari 2026 tot de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt (periode 3)
2.45
In periode 3 geldt dat het aandeel van de moeder in de behoefte van de kinderen
€ 411,- per kind per maand bedraagt (€ 974,- / € 1.724,- x € 728,-) en het aandeel van de vader € 317,- per kind per maand (€ 750,- / € 1.724,- x € 728,-).
2.46
Op het aandeel van de moeder in de kosten van [minderjarige1] strekt in mindering de zorgkorting van € 182,- per maand. Dat betekent dat de moeder in periode 3 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] met een bedrag van (€ 411,-
- € 182,- =) € 229,- per maand.
2.47
Op het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige2] strekt eveneens in mindering de zorgkorting van € 182,- per maand. Dat betekent dat de vader in periode 2 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] met een bedrag van (€ 317,- - € 182,- =) € 135,- per maand.
Ad d De periode vanaf de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt (periode 4)
2.48
In periode 4 geldt nog steeds een aandeel van de moeder in de behoefte van de kinderen van € 411,- per kind per maand en een aandeel van de vader in de behoefte van de kinderen van € 317,- per kind per maand.
2.49
In deze periode wordt echter een zorgkorting van 35% toegepast. Dat betekent dat de moeder in periode 4 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] met een bedrag van (€ 411,- - € 255,- =) € 156,- per maand en dat de vader in periode 4 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] met een bedrag van € 317,- - € 255,- =) € 62,- per maand.
Conclusie
2.5
Op grond van het vorenstaande dienen partijen bij te dragen in de kosten van
verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] als volgt:
in de periode van 13 januari 2025 tot 1 juli 2025 dient de vader bij te dragen in de kosten van
verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] met een bedrag van € 44,- per kind per maand;
in de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 dient de moeder bij te dragen in de kosten
van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] met een bedrag van € 234,- per maand en dient de
vader bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] met een bedrag van
€ 114,- per maand;
in de periode van 1 januari 2026 tot de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in
[plaats] beschikt dient de moeder bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van
[minderjarige1] met een bedrag van € 229,- per maand en dient de vader bij te dragen in de kosten
van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] met een bedrag van € 135,- per maand;
in de periode vanaf de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt
dient de moeder bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] met een
bedrag van € 156,- per maand en dient de vader bij te dragen in de kosten van verzorging en
opvoeding van [minderjarige2] met een bedrag van € 62,- per maand.
2.51
De moeder heeft verzocht haar toe te staan de bijdragen die zij aan de vader moet voldoen voor [minderjarige1] te verrekenen met de bijdragen die hij aan haar moet voldoen voor [minderjarige2] . Het hof staat dat toe en zal bepalen dat de moeder gerechtigd is om de door de vader aan haar verschuldigde bijdrage voor [minderjarige2] te verrekenen met de bijdrage die zij voor [minderjarige1] aan de vader verschuldigd is. Het hof tekent daarbij aan dat deze verrekeningsmogelijkheid alleen bestaat voor bijdragen die op grond van deze beschikking verschuldigd zijn en niet voor de achterstand uit 2024, die ter zitting is benoemd en waarvoor de moeder het LBIO heeft ingeschakeld.
Terugbetalingsverplichting/bijbetalingsverplichting
2.52
Ter zitting is gebleken dat de vader in maart 2025 is gestopt met het betalen van kinderalimentatie, maar dat hij met ingang van 3 juni 2025 weer aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan doordat de moeder, alvorens haar bijdrage voor [minderjarige1] aan de vader te betalen, daarop de bijdrage van de vader voor [minderjarige2] in mindering heeft gebracht. Het hof stelt vast dat op grond van deze beslissing van het hof de vader per saldo alsnog een fors bedrag aan de moeder zal moeten voldoen, met name als gevolg van het feit dat de moeder geruime tijd een te hoge kinderalimentatie voor [minderjarige1] aan hem heeft betaald, maar ook doordat de vader over de periode van 1 juli 2025 tot de datum dat hij over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt een hogere bijdrage voor [minderjarige2] verschuldigd is dan eerder voorlopig was bepaald.
2.53
Het hof dient daarom aan de hand van hetgeen in dit proces is gebleken te beoordelen in hoeverre deze (terug)betalingsverplichting van de vader in redelijkheid kan worden aanvaard. Dat is naar het oordeel van het hof het geval. In de tussenbeschikking van 3 juni 2025 heeft het hof de kinderalimentatie voorlopig vastgesteld en partijen konden er daarom rekening mee houden dat de in die beschikking vastgestelde bedragen nog zouden wijzigen. Niet gebleken is dat van (een van) partijen niet gevergd kan worden een eventueel te veel ontvangen bedrag terug te betalen of te verrekenen.
2.54
Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen zoals hierna wordt vermeld.

3.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
In zaaknummer 200.348.602/01:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van
13 september 2024, voor zover daarbij is bepaald dat de moeder huurster is van de woning aan de [adres] te [plaats] ;
in zaaknummer 200.348.601/01:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van
13 september 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat [minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader en dat [minderjarige2] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige1] en [minderjarige2] als volgt:
- zolang de vader nog geen zelfstandige woonruimte in [plaats] heeft verblijven de kinderen één keer in de twee weken van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school bij de ouder bij wie zij geen hoofdverblijf hebben, zodanig dat [minderjarige1] en [minderjarige2] in de oneven weekenden samen bij de vader verblijven en in de even weekenden samen bij de moeder verblijven;
- zodra de vader zelfstandige woonruimte in [plaats] heeft verblijven de kinderen
middels een week op, week af regeling de ene week bij de vader en de andere week bij
de moeder, waarbij het wisselmoment is op maandag naar school;
- de vakanties en feestdagen worden bij helfte tussen partijen verdeeld, waarbij
- de vakanties altijd starten vrijdag uit school en de wisseling naar de andere
ouder bij een meerweekse vakantie is op vrijdag om 17.00 uur;
- de kinderen in de voorjaarsvakantie in de even jaren bij de vader zijn en in
de oneven jaren bij de moeder;
- tijdens Hemelvaart en Pasen de reguliere zorgregeling geldt;
- tijdens het Suikerfeest en het Offerfeest de reguliere zorgregeling geldt;
- de kinderen in de meivakantie in de even jaren de eerste helft bij de moeder zijn
en de tweede helft bij de vader, waarna deze regeling in de oneven jaren wordt
omgekeerd;
- tijdens Pinksteren de reguliere zorgregeling geldt;
- de kinderen in de zomervakantie de eerste helft bij de vader verblijven en de
tweede helft bij de moeder;
- de kinderen in de herfstvakantie in de even jaren bij de moeder verblijven en
in de oneven jaren bij de vader;
- de kinderen in de kerstvakantie in de even jaren de eerste helft bij de moeder
verblijven en de tweede helft bij de vader, waarna deze regeling in de oneven
jaren wordt omgekeerd;
bepaalt dat de vader in de periode van 13 januari 2025 tot 1 juli 2026 dient bij te dragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] met een bedrag van € 44,- per kind
per maand;
bepaalt voor de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 dat:
- de moeder dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] met een bedrag van € 234,- per maand;
- de vader dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] met
een bedrag van € 114,- per maand;
bepaalt voor de periode van 1 januari 2026 tot de datum dat de vader over zelfstandige
woonruimte in [plaats] beschikt dat:
- de moeder dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] met een bedrag van € 229,- per maand;
- de vader dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] met een bedrag van € 135,- per maand;
bepaalt voor de periode vanaf de datum dat de vader over zelfstandige woonruimte in [plaats] beschikt dat:
- de moeder dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] met een bedrag van € 156,- per maand;
- de vader dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige2] met een bedrag van € 62,- per maand;
bepaalt dat de moeder gerechtigd is om de door de vader op grond van deze beschikking aan
haar verschuldigde bijdrage voor [minderjarige2] te verrekenen met de bijdrage die zij voor [minderjarige1] aan
de vader verschuldigd is;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, A.P. de Jong-de Goede en
M.A.L.M. Willems, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 19 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.