ECLI:NL:GHARL:2026:1715

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
200.362.868
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 1:10 BWArt. 4 lid 1 Brussel Ibis-verordeningArt. 63 lid 1 Brussel Ibis-verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek zekerheidstelling proceskosten door in Italië wonende eiseres

Eiseres heeft een paard gekocht voor hogere dressuursport en stelt dat de veterinaire keuring door een dierenarts van De Watermolen onvoldoende was, waardoor zij schade heeft geleden. De rechtbank wees haar vorderingen af omdat niet was vastgesteld dat de dierenarts tekort was geschoten.

In hoger beroep is een incident tot zekerheidstelling van proceskosten door De Watermolen ingesteld. De Watermolen vordert dat eiseres zekerheid stelt voor proceskosten in het incident en de hoofdzaak.

Het hof onderzoekt of eiseres woonplaats heeft in Italië, wat zij met diverse documenten aantoont, waaronder een huurovereenkomst, inschrijving bij de gemeente, Italiaanse identiteitskaart en belastingaangifte. Het hof oordeelt dat het centrum van haar sociale en economische activiteiten in Italië ligt.

Op grond van artikel 224 lid 2 sub b Rv Pro in verbinding met artikel 1:10 BW Pro hoeft eiseres daarom geen zekerheid te stellen. Het verzoek tot zekerheidstelling wordt afgewezen en de beslissing over proceskosten wordt aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot zekerheidstelling van proceskosten af omdat eiseres woonplaats heeft in Italië.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.868
beschikking in het incident van 4 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster] ( [verzoekster] )
die woont in [woonplaats] (Italië)
advocaat: mr. L.M. Schelstraete
en
Paardenkliniek De Watermolen B.V. ( De Watermolen )
die is gevestigd in Enschede
advocaat: mr. S.A. Wensing

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek voorlopige bewijsverrichtingen ingediend bij het gerechtshof (hierna: het hof) tot het laten verrichten van een voorlopig deskundigenonderzoek (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Nadat [verzoekster] het verzoekschrift bij het hof heeft ingediend, heeft zij hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis dat de rechtbank in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 24 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Die zaak is bij het hof in behandeling onder zaaknummer: 200.363.185 (hierna: de bodemprocedure).
1.3.
De Watermolen heeft een incident tot zekerheidstelling van de proceskosten (op grond van artikel 224 Rv Pro ingediend. De Watermolen wil dat [verzoekster] zekerheid stelt ten gunste van De Watermolen voor de proceskosten in dit incident en in de hoofdzaak, door middel van een bankgarantie, of op een door het hof te bepalen andere wijze, ter hoogte van € 4.771,- en binnen een termijn van 14 dagen. [verzoekster] heeft verweer gevoerd.
1.4.
Vervolgens heeft het hof het verweer van De Watermolen in de hoofdzaak ontvangen. De Watermolen heeft in haar verweerschrift ook een zelfstandig verzoek ingediend op grond van artikel 22 Rv Pro. De Watermolen verzoekt het hof om [verzoekster] te bevelen de koopovereenkomst van het paard volledig en integraal in het geding te brengen. Daarop heeft [verzoekster] nog niet kunnen reageren. Dit verzoek zal tijdens de mondelinge behandeling aan de orde komen.
1.5.
Op 16 maart 2026 zal een mondelinge behandeling in de hoofdzaak plaatsvinden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoekster] heeft een paard gekocht voor hogere dressuursport. Voorafgaand aan de koop heeft [verzoekster] een veterinaire keuring laten verrichten door een dierenarts die in dienst is van De Watermolen . [verzoekster] is, kort gezegd, van mening dat de dierenarts zijn werk als keurend arts niet goed heeft gedaan en dat zij daardoor schade heeft geleden. In de procedure bij de rechtbank heeft [verzoekster] gevorderd dat De Watermolen (als werkgever van de dierenarts) de schade van [verzoekster] moet vergoeden. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de dierenarts is tekortgeschoten in de nakoming van de opdracht tot het keuren van het paard en heeft de vorderingen van [verzoekster] afgewezen.
2.2.
Het hof zal in deze beschikking alleen beslissen op het incidentele verzoek van De Watermolen tot zekerheidsstelling van de proceskosten door [verzoekster] (zie rov. 1.3). Het hof zal dat verzoek afwijzen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De Nederlandse rechter is bevoegd om het geschil te beoordelen
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland. Het geschil heeft dus internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is daarover te oordelen. Daarbij staat voorop dat dit incident een procedure is binnen de hoofdzaak en er geen aparte bevoegdheidsregels gelden voor het incident. Aangezien De Watermolen als verweerder is opgeroepen in de hoofdzaak en gevestigd is in Nederland, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 4 lid 1 in Pro verbinding met
artikel 63 lid 1 Brussel Pro Ibis-verordening.
Juridisch kader
3.2.
Op grond van artikel 224 lid 2 sub b Rv Pro is [verzoekster] niet verplicht tot het stellen van zekerheid indien - voor zover relevant - de veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van een EG-verordening ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Het begrip woonplaats in de zin van artikel 2 en Pro artikel 224 lid 2 aanhef Pro en onder b Rv moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 1:10 BW Pro. De vraag is dan ook of [verzoekster] haar woon- of verblijfplaats (dat wil zeggen: het centrum van haar sociale en economische activiteiten) in Italië heeft.
Wat is de woonplaats of vaste verblijfplaats van [verzoekster] ?
3.3.
[verzoekster] heeft het volgende toegelicht. Zij is geboren in Rusland en heeft daarom de Russische nationaliteit. Daarnaast heeft zij een Maltees paspoort en de Maltese nationaliteit. Op of omstreeks 26 juli 2023 is zij in Italië gaan wonen, waar zij sindsdien haar woonplaats heeft. Daarbij heeft [verzoekster] een huurovereenkomst van 30 maart 2023 overgelegd waaruit volgt dat zij een appartement huurt in [woonplaats] . De verhuurder verklaart dat [verzoekster] daadwerkelijk in het appartement woont, dat hij erbij was toen zij en haar zus het appartement betrokken en dat zij regelmatig contact met elkaar hebben
“about all kinds of matters concerning the rent”. Verder heeft zij een aantal stukken overgelegd waaruit haar verblijf in [woonplaats] volgt. Een certificaat ter uitgifte van haar Italiaans fiscaal identificatienummer (
Certificato di Attribuzione del Codice Fiscale) van 27 januari 2023, een document van 26 juli 2023 van de gemeente [woonplaats] waaruit volgt dat [verzoekster] vanaf die datum op het adres in [woonplaats] staat ingeschreven (
Certificato di Residenza) en een kopie van haar Italiaanse identiteitskaart, geldig van 14 december 2023 tot en met 17 augustus 2033 (
Carta Di Identità). Ook heeft zij facturen overgelegd van een telefoon/internetabonnement die aan haar geadresseerd zijn op het adres van de huurwoning en een kopie van de eerste pagina’s van haar Italiaanse belastingaangifte van 13 juni 2024.
3.4.
Het hof is van oordeel dat [verzoekster] hiermee heeft aangetoond dat het centrum van haar sociale en economische activiteiten in Italië ligt. Gelet op de overgelegde documenten blijkt dat [verzoekster] zich in juli 2023 daadwerkelijk in Italië heeft gevestigd. De aankoop van het paard en de keuring die aan die koop is voorafgegaan, valt precies in die periode. Op het keuringsrapport staat een adres in Cyprus vermeld. Het betreft het adres waar [verzoekster] heeft gewoond voordat zij het appartement in [woonplaats] betrok. Zij was op dat moment nog bezig zich in Italië te vestigen. Datzelfde geldt voor het feit dat [verzoekster] de koopsom van het paard heeft voldaan vanaf een bankrekening in Monaco, omdat zij naar eigen zeggen toen (anders dan nu) nog niet beschikte over een Italiaanse bankrekening. Aan dit alles doet niet af dat [verzoekster] aandeelhouder is van twee in Rusland gevestigde vennootschappen.
3.5.
Omdat het hof van oordeel is dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat [verzoekster] woonplaats heeft in Italië, hoeft zij op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 2 aanhef Pro en onder b Rv in verbinding met artikel 1:10 BW Pro geen zekerheid te stellen.
De conclusie
3.6.
Het hof wijst de incidentele vordering af en houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de eindbeschikking in de hoofdzaak.
3.7.
Iedere (verdere) beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
4.1.
wijst het verzoek af;
4.2.
houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot hierover bij eindbeschikking in de hoofdzaak zal worden beslist;
in de hoofdzaak:
4.3.
houdt iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, D.M.I. De Waele en M. Wallart, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.