Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1753

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
21-005582-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvArt. 22 AmbtsinstructieArt. 6 EVRMArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewezenverklaring diefstal inklimming en oplegging geheel voorwaardelijke gevangenisstraf

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is de bewezenverklaring van diefstal door middel van inklimming bevestigd. Verdachte had zich op 5 december 2022 schuldig gemaakt aan het stelen van kabels en een laptop door over een omheining te klimmen. Het hof oordeelde dat de politierechter de feiten en kwalificatie juist had vastgesteld.

Ten aanzien van de strafoplegging vernietigde het hof het vonnis en legde een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken op met een proeftijd van twee jaar. Dit vanwege een vormverzuim bij het aanleggen van transportboeien, dat echter niet tot strafvermindering leidde omdat onvoldoende nadeel voor verdachte was aangetoond. Het hof hield rekening met het strafblad van verdachte, zijn delictpatroon en drugsverslaving.

Het hof constateerde tevens een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim een jaar. Gezien deze termijnoverschrijding en toepassing van artikel 63 Sr Pro werd de straf gematigd. Het vonnis van de politierechter werd voor het overige bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de bewezenverklaring en legt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken met een proeftijd van twee jaar op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005582-22
Uitspraakdatum: 20 maart 2026
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 21 december 2022 met parketnummer 08-318344-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 6 maart 2026 en wat op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter en veroordeling van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Het vonnis

Bij vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen, waarvan 11 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis. Verder heeft de politierechter het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Het hof is van oordeel dat de politierechter ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis tot zover bevestigen. Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Oplegging van straf

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in zijn appelschriftuur gesteld dat het bij verdachte aanleggen van transportboeien een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert, waardoor verdachte nadeel heeft geleden. Volgens de verdediging zou dit tot strafvermindering moeten leiden.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich op 5 december 2022 schuldig gemaakt aan diefstal van kabels en een laptop, waarbij hij zich de toegang tot de plaats van het delict heeft verschaft door over de omheining van het betreffende terrein te klimmen. Het gaat om een hinderlijk feit, waarbij verdachte voor de betrokkene overlast heeft veroorzaakt. Door aldus te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van een ander.
Bij de strafoplegging heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 4 februari 2026, waaruit volgt dat hij eerder voor soortgelijke en andersoortige strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.
Verder heeft het hof kennisgenomen van het verdachte betreffende reclasseringsrapport van 14 december 2022. Over recente informatie en rapportages omtrent verdachte beschikt het hof verder niet. Uit voormeld rapport volgt onder meer dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon van vermogensdelicten en dat hij al jarenlang lijdt aan een drugsverslaving. Het hof heeft geen inzicht in de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het door de verdediging gestelde vormverzuim
Artikel 22, tweede lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie), houdt in dat handboeien slechts mogen worden aangelegd (ten behoeve van het transport van een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd) indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de desbetreffende persoon, de ambtenaar of derden.
De raadsman heeft terecht opgemerkt dat het dossier niets inhoudt over de reden waarom bij verdachte ten behoeve van zijn transport handboeien zijn aangelegd. Hoewel niet is voorgeschreven dat de redenen voor het aanleggen van handboeien ook in een proces-verbaal van bevindingen/aanhouding worden vermeld, dient het hof – indien de verdediging een beroep doet op het onrechtmatig toepassen van de handboeien – op zijn minst genomen marginaal te toetsen of het voorschrift in artikel 22 van Pro de Ambtsinstructie juist is toegepast. Anders dan de advocaat-generaal heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat de noodzaak van het aanleggen van transportboeien niet kan worden ingelezen in de omschrijving die de verbalisanten ten aanzien van de noodzaak van het fouilleren van verdachte hebben gegeven in het proces-verbaal van aanhouding. Uit het dossier blijkt ook overigens niet dat er vluchtgevaar dan wel gevaar voor de veiligheid bestond zoals bedoeld in onderhavig artikel van het Ambtsbesluit. Het voorgaande brengt mee dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat dit evenwel niet leidt tot strafvermindering, omdat onvoldoende onderbouwing is gegeven voor het nadeel dat daardoor voor verdachte zou zijn veroorzaakt. Dat verdachte tijdens zijn verhoor in het kader van het voorarrest bij de rechter-commissaris heeft aangegeven nog steeds last te hebben van het feit dat bij hem transportboeien zijn aangelegd acht het hof onvoldoende om in dit verband een strafvermindering aangewezen te achten. Het hof volstaat daarom met de enkele constatering van het vormverzuim.
Schending van de redelijke termijn
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Door verdachte is op 21 december 2022 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 december 2022. Het onderhavige arrest dateert van 20 maart 2026, drie jaar en bijna drie maanden nadat hoger beroep is ingesteld. Het hof stelt daarom vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM met een jaar en bijna drie maanden.
Strafoplegging
Hoewel het hof de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf van 14 dagen, waarvan 11 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis, in beginsel passend vindt, ziet het hof gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing van artikel 63 Sr Pro reden om te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A. Meester, mr. L.T. Wemes en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 maart 2026.