Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1768

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.363.770/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging uithuisplaatsing kinderen wegens psychische problematiek moeder

De kinderrechter heeft op 15 oktober 2025 besloten tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen in een netwerkpleeggezin, een maatregel die het hof bij hoger beroep bekrachtigt. De moeder is het niet eens met deze beslissing en voert aan dat zij in staat is voor haar kinderen te zorgen en hulpverlening accepteert.

De gecertificeerde instelling (GI) en de raad voor de kinderbescherming betwisten dit en wijzen op de ernstige psychische problematiek van de moeder, die leidt tot wantrouwen en extreme bezorgdheid, wat de kinderen belast. De kinderen vertonen in het pleeggezin positieve ontwikkelingen, terwijl de moeder onvoldoende inzicht toont in haar gedrag en het effect daarvan op de kinderen.

Het hof concludeert dat zolang de moeder niet adequaat is onderzocht en behandeld, een veilige terugkeer van de kinderen niet mogelijk is. De moeder heeft onvoldoende medewerking verleend aan de GGZ-behandeling en vertoont overtuigingen die niet door professionals worden gedeeld. De uithuisplaatsing blijft daarom noodzakelijk en wordt verlengd tot 21 april 2026.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de uithuisplaatsing van de kinderen vanwege de psychische problematiek van de moeder en verlengt deze tot 21 april 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.770
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 600609 en 600084
beschikking van 24 maart 2026
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige1]
en
[de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. S.A. van den Broek (onttrokken sinds 17 februari 2026)
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht
en
[belanghebbende](de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. N.J. Hos
en
de
raad voor de kinderbescherming(als adviseur)
die is gevestigd in Arnhem
verder te noemen: de raad.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de beslissing van 15 oktober 2025 uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin tot 21 april 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
2.1.
De ouders hebben twee kinderen, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is [in] 2011 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2018 geboren.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan onder toezicht van de GI. De kinderen woonden tot aan hun uithuisplaatsing bij hun moeder. De kinderen wonen vanaf 21 juli 2025 in het gezin van hun oudste zus [naam2] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de kinderen nog langer, namelijk een jaar, uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor zes maanden, namelijk tot 21 april 2026. De beslissing op het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing voor de overige duur van zes maanden is aangehouden.
3.3.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. De moeder verzoekt het hof de GI te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.2.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het standpuntstuk van de GI, ingediend op 19 februari 2026.
4.4.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben ieder apart op 23 februari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de uithuisplaatsing.
4.5.
De zitting bij het hof was op 24 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder
  • een vertegenwoordiger van de raad als adviseur
  • een vertegenwoordiger van de GI
  • de advocaat van de vader.
4.6.
De moeder heeft op de mondelinge behandeling, met hulp van een vooraf geschreven tekst in het Nederlands, uitgelegd dat haar (inmiddels onttrokken) advocaat volgens haar niet de waarheid spreekt en dat zij daarom niet meer wil dat haar advocaat haar vertegen-woordigt. De voorzitter heeft aan het begin van de mondelinge behandeling aan de moeder gevraagd of zij voldoende Nederlands spreekt. De moeder heeft verteld dat zij een beetje Nederlands en Engels spreekt. De voorzitter heeft hiermee rekening gehouden, en op de mondelinge behandeling stap voor stap nagevraagd of de moeder kon volgen wat er gezegd werd. Als de voorzitter zag dat de moeder iets in het Nederlands niet begreep, heeft hij dat voor haar in het Engels vertaald. Op die manier is de moeder voldoende in staat geweest om haar standpunt naar voren te brengen, te kunnen volgen wat er op de mondelinge behandeling is gezegd en te reageren op de vragen en standpunten van de aanwezigen. Het hof ziet dan ook geen reden de mondelinge behandeling aan te houden om de moeder in staat te stellen zich alsnog door een (andere) advocaat te laten vertegenwoordigen. Het hof vindt dat ook niet wenselijk, omdat vóór de mondelinge behandeling geen verzoek om aanhouding is gedaan en de kinderen al met een raadsheer hebben gesproken en rekenen op een beslissing van het hof binnen vier weken na dat gesprek.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] .
Standpunten
5.2.
De moeder is het niet eens met het oordeel van de kinderechter dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder en de kinderen hebben een zeer hechte band met elkaar en de moeder is in staat de fysieke en mentale veiligheid van de kinderen in de opvoeding te waarborgen. De moeder accepteert hulpverlening en kan de beide kinderen zelf opvoeden. De moeder heeft zelf een verwijzing van de huisarts gevraagd naar de GGZ en heeft een eerste afspraak met een behandelaar van GGZ gehad op 29 januari 2026.
5.3.
De GI is het niet eens met de moeder. De GI erkent dat de moeder de kinderen met de beste intenties heeft verzorgd en opgevoed. De GI maakt zich echter nog steeds grote zorgen over de mentale gezondheid van de moeder. De moeder laat in de opvoeding buiten-proportioneel wantrouwen en extreme bezorgdheid zien en daar zijn de kinderen steeds mee belast. De moeder heeft moeite met het accepteren van hulp en toont onvoldoende inzicht in haar eigen gedrag en het effect daarvan op de kinderen. Hoewel de GI een verwijzing door de huisarts van de moeder naar de GGZ ziet als een stap in de goede richting, zal nog moeten blijken of de moeder dit ook echt doorzet.
5.4.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard het eens te zijn met het standpunt van de GI.
Advies raad
5.5.
De raad heeft zich aangesloten bij het standpunt van de GI. De raad ziet een moeder die heel veel van haar kinderen houdt en dat is ook haar drijfveer in haar opstelling. De moeder is een vrouw die heel veel heeft meegemaakt. De moeder gaat zo op in haar eigen gedachten, overtuigingen en ideeën dat het niet meer lukt om in gesprek te komen over de opvoeding van de kinderen. Het lukt het haar niet in te zien of de kinderen haar bescherming op de manier die zij hen geeft nodig hebben. De eigen trauma’s van de moeder maken het haar soms onmogelijk om te zien wat de kinderen daadwerkelijk nodig hebben. De moeder kan haar kinderen volgens de raad juist helpen door met een psycholoog in gesprek te gaan.
Hoe oordeelt het hof?
5.6.
De kinderrechter heeft terecht de machtiging aan de GI gegeven. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof neemt - na eigen onderzoek - de overwegingen van de kinderrechter over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.7.
De kinderen laten in het gezin van hun zus volgens de GI een positieve ontwikkeling zien. [de minderjarige2] volgt zwemles en dat vindt zij leuk. [de minderjarige2] heeft in de speltherapie een vertrouwens-band opgebouwd met de speltherapeut. [de minderjarige2] heeft volgens haar therapeut een groeiend gevoel van veiligheid. Ook is zichtbaar dat [de minderjarige2] nog veel spanning ervaart. In haar spel gaan haar emoties alle kanten op en is sprake van veel actie en chaos. [de minderjarige1] laat goede resultaten zien op school. Zij heeft bijles gevolgd voor een aantal vakken en profiteert volgens de GI zichtbaar van de rust en stabiliteit in het netwerkpleeggezin. [de minderjarige1] kan afspreken met vriendinnen, heeft een bijbaantje en zij begint zich hierdoor volgens de GI vrijer en zelfstandiger te voelen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben regelmatig contact met vader. De GI ziet deze groeiende betrokkenheid als een belangrijke factor voor de kinderen, die bijdraagt aan hun stabiliteit, en gevoel van continuïteit.
5.8.
Hoewel de kinderen van hun moeder houden en graag weer bij haar willen wonen, vindt het hof dat dit niet kan zolang de moeder niet is onderzocht en behandeld voor haar psychische problemen. Die zorgen over de psychische problemen van de moeder zijn door familieleden van de moeder en verschillende professionals bevestigd. Zo was de moeder er stellig van overtuigd dat [de minderjarige2] seksueel is misbruikt door een groep mannen, die volgens de moeder gebruik maakten van voodoo en zwarte magie. Deze overtuigingen heeft de moeder herhaaldelijk geuit tegenover professionals en de kinderen. De politie heeft naar aanleiding van de door de moeder gedane aangiftes van verkrachting geen strafrechtelijk onderzoek ingesteld omdat daarvoor geen aanknopingspunten waren. De moeder heeft het hof geen redenen gegeven om aan de waarnemingen van familieleden en professionals over haar geestesgesteldheid te twijfelen.
5.9.
De uitlatingen van de moeder op de mondelinge behandeling hebben het beeld dat uit deze waarnemingen naar voren komt over de moeder versterkt. De moeder heeft verteld dat zij niet gek is, dat zij niet naar de GGZ gaat, dat zij twee Arabische artsen heeft en dat dit voor haar genoeg is. Door haar aanmelding bij de GGZ niet door te zetten, heeft de moeder aan een van de belangrijkste voorwaarden die de GI aan de moeder heeft gesteld voor een veilige terugkeer van de kinderen naar huis niet voldaan. De moeder lijkt alle problemen buiten zichzelf te leggen en haar kinderen zijn daar de dupe van.
5.10.
Ook zijn er zorgen zichtbaar rondom de door [naam1] begeleide omgang. Zo heeft de moeder na de omgang op 30 januari 2026 een heftige emotionele uitbarsting naar de omgangsbegeleider gehad en heeft de moeder de omgang van 10 februari 2026 afgezegd omdat de afspraak volgens haar niet duidelijk was. Volgens de GI is deze afspraak echter meerdere keren per e-mail aan de moeder bevestigd. Onderzoek naar de psychische gesteldheid van de moeder en het afronden van een passende behandeling is de sleutel om tot de door moeder en de kinderen zo gewenste hereniging te komen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 oktober 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.L. van der Bel en E. de Boer, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek