In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en de zaak terugverwezen. De raadsman van de verdachte had geen afschrift van de stukken ontvangen en was niet op de hoogte van de behandeling in eerste aanleg, waardoor ook de verdachte niet tijdig geïnformeerd was. Dit leidde tot een te late instelling van het hoger beroep.
De verdediging beriep zich op het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:938) en stelde dat de verdachte recht heeft op berechting in twee feitelijke instanties. De advocaat-generaal stelde zich op het standpunt dat de zaak inhoudelijk behandeld moest worden, omdat de dagvaarding en betekening rechtsgeldig waren.
Het hof oordeelde dat de politierechter niet aan de inhoudelijke behandeling had mogen toekomen vanwege het verzuim om de raadsman te informeren over de zittingsdatum. Gelet op de kernroljurisprudentie van de Hoge Raad leidt dit tot vernietiging van het vonnis en terugwijzing van de zaak naar de politierechter voor een nieuwe behandeling met inachtneming van dit arrest.