ECLI:NL:GHARL:2026:1823

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.361.729/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 RvArt. 806 lid 1 RvArt. 358 lid 2 RvArt. 1:441 lid 1 BWArt. 1:441 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen machtiging weigering verkoop woning door bewindvoerders

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van kopers tegen een beschikking van de kantonrechter die een machtiging tot weigering van de verkoop van een woning heeft verleend aan de bewindvoerders van de verkoper. De kopers hadden een koopovereenkomst gesloten met de verkoper, die later onder bewind werd gesteld wegens een cognitieve stoornis. De bewindvoerders weigerden vervolgens mee te werken aan de levering van de woning.

De kopers stelden dat zij als belanghebbenden moesten worden aangemerkt en dat de machtiging hun rechten uit hoofde van de koopovereenkomst rechtstreeks raakt. Het hof overwoog dat de machtiging bedoeld is om de bewindvoerders te ondersteunen bij hun taak en dat de rechten van de kopers niet rechtstreeks door deze beschikking worden geraakt. De vraag of de bewindvoerders terecht hebben geweigerd, valt buiten de procedure van dit hoger beroep.

Daarom verklaarde het hof de kopers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep en veroordeelde hen in de kosten. Het hof wees het meer of anders verzochte af. De kopers dienen hun vorderingen omtrent nakoming en boete in een aparte dagvaardingsprocedure aanhangig te maken.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de kopers niet-ontvankelijk omdat zij geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 798 lid 1 Rv.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.729/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland NL:TZ:0000413653:B001)
beschikking van 26 maart 2026
inzake

1.[verzoeker1]

2. [verzoekster2]
die wonen in [woonplaats]
hierna:
[verzoekers] c.s.
advocaat: mr. J. Faas
en
[verweerder1] en [verweerder2] ,vennoten van
Kubus Bewindvoering V.O.F.
in hoedanigheid van bewindvoerders over de goederen en gelden van
[belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] )
die is gevestigd in Breda
hierna:
de bewindvoerders
advocaat: mr. E.P. Groot

1.De procedure bij de kantonrechter

Voor de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, op 29 augustus 2025 heeft gegeven. De kantonrechter heeft in deze beschikking het verzoek van de bewindvoerders, inhoudende een machtiging tot weigering van de verkoop van de woning van [belanghebbende] , toegewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met bijlagen van [verzoekers] c.s.
  • het verweerschrift met bijlagen van de bewindvoerders
  • een e-mail van mr. Faas van 3 februari 2026.
2.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
2.3
Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald op heden.

3.De vaststaande feiten

3.1
[verzoekers] c.s. en [belanghebbende] woonden allebei in [woonplaats] , op ongeveer 100 meter van elkaar..
3.2
[verzoeker1] is makelaar van beroep. [belanghebbende] (geboren in 1940) is gepensioneerd.
3.3
[verzoekers] c.s. en [belanghebbende] hebben op 1 februari 2024 een koopovereenkomst gesloten, waarbij [belanghebbende] haar woning aan de [adres] in [woonplaats] heeft verkocht aan [verzoekers] c.s. De koopovereenkomst is eerst met de hand op schrift gesteld en later, op 26 mei 2024, nader uitgewerkt in een standaard NVM-koopakte. In beide overeenkomsten is bepaald dat de levering plaats zou vinden uiterlijk op 1 september 2024. Partijen zijn ook overeengekomen dat [belanghebbende] een recht op bewoning zou behouden tegen betaling van een marktconforme huurprijs.
3.4
De woning is in opdracht van [verzoeker1] door een andere makelaar getaxeerd op 19 juni 2024. Uit het taxatierapport blijkt dat de marktwaarde van de woning € 445.000,- bedraagt, en in verhuurde staat € 376.000,-. [verzoekers] c.s. en [belanghebbende] hebben vervolgens in de koopovereenkomst van 26 mei 2024 met de hand een koopprijs van € 376.000,- k.k. genoteerd. De datum van levering is met pen doorgestreept en aangepast naar 1 september 2025.
3.5
Op 11 oktober 2024 is in het patiëntendossier van [belanghebbende] bij de huisarts voor het eerst melding gemaakt van vergeetachtigheid. Op 31 januari 2025 heeft de huisarts een cognitieve stoornis vastgesteld.
3.6
Op 27 februari 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, een bewind voor onbepaalde tijd ingesteld uitgesproken over de (toekomstige) goederen en gelden van [belanghebbende] wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand. Daarbij zijn de bewindvoerders als zodanig benoemd. Op diezelfde datum is [naam1] , de zoon van [belanghebbende] , benoemd tot haar mentor.
3.7
In augustus 2025 heeft de notaris een concept leveringsakte en een concept huurovereenkomst opgesteld. De bewindvoerders hebben geweigerd om deze aktes te ondertekenen.
3.8
De bewindvoerders hebben contact gezocht met de rechtbank Noord-Nederland en het volgende bericht verstuurd:
“Ik belde net met rechtbank de receptie die gaf aan dat jullie in de middag niet bereikbaar zijn telefonisch. Echter gaat het om een SPOED kwestie, en zou graag in contact willen komen met jullie over de kwestie verkoop woning van [belanghebbende] . Tijdens de zitting bewind hebben wij aangegeven dat de koop van de woning niet volgens richtlijnen is gegaan. Koopovereenkomst is gesloten terwijl het duidelijk was dat mevrouw al dementie had. De Rechtbank heeft haar medisch dossier al in bezit.”
Daarop heeft de kantonrechter een machtiging afgegeven voor weigering van de verkoop.
3.9
[belanghebbende] woont inmiddels in woonzorgvoorziening [naam2] in [woonplaats] .

4.De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1
[verzoekers] c.s. zijn in hoger beroep gekomen van de beslissing van de kantonrechter om een machtiging tot weigering van de verkoop te verlenen. Zij voeren aan dat er een geldige koopovereenkomst is gesloten met [belanghebbende] en dat ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst geen sprake was van een geestelijke stoornis, althans dat [verzoekers] c.s. daar geen weet van hadden en daarom gerechtvaardigd erop mochten vertrouwen dat een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen. Doordat de bewindvoerders hebben geweigerd mee te werken aan de levering, is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de op hen en [belanghebbende] rustende verplichtingen. [belanghebbende] is op grond van artikel 11.3 van de koopovereenkomst van 26 mei 2024 daarom ook een boete verschuldigd, aldus [verzoekers] c.s.
4.2
In het petitum van het beroepschrift hebben [verzoekers] c.s. het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de bewindvoerders alsnog op te dragen volledig mee te werken aan de levering van de woning. Daarnaast verzoeken [verzoekers] c.s. dat het hof de koopprijs vermindert met de contractuele boete van € 37.600,- en hoofdelijke veroordeling van de bewindvoerders in de kosten van het geding.
4.3
In zaken betreffende het personen- en familierecht kan op grond van artikel 806 lid 1 jo Pro. 358 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van een beschikking hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker, degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt en door andere belanghebbenden. De vraag is of [verzoekers] c.s. als belanghebbenden moeten worden aangemerkt.
4.4
Uit artikel 798 lid 1 Rv Pro volgt dat onder een belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. De Hoge Raad heeft in een uitspraak van 30 maart 2018 [1] overwogen dat de door artikel 798 lid 1 Rv Pro bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt enerzijds bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en anderzijds door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro.
4.5
[verzoekers] c.s. stellen zich op het standpunt dat zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbende op grond van artikel 798 lid 1 Rv Pro, omdat de toewijzing van het machtigingsverzoek rechtstreeks betrekking heeft op hun rechten uit hoofde van de koopovereenkomst. Als gevolg van de toewijzing van het verzoek hoeven de bewindvoerders namelijk niet mee te werken aan de levering van de woning aan [verzoekers] c.s.
4.6
Het hof neemt het volgende tot uitgangspunt. Een bewindvoerder heeft op grond van artikel 1:441 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek de taak de rechthebbende te vertegenwoordigen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor het beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende nodig heeft of, als deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, een machtiging van de kantonrechter.
4.7
In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerders om machtiging om de verkoop van de woning te weigeren, toegewezen. Anders dan [verzoekers] c.s. menen, is het hof van oordeel dat de rechten van [verzoekers] c.s. niet rechtstreeks worden geraakt door de beslissing van de kantonrechter. De afgegeven machtiging heeft in dit geval als doel de bewindvoerders te ondersteunen bij de uitoefening van hun taak en raakt daarmee de verhouding tussen de bewindvoerders en [belanghebbende] . Vernietiging van de machtiging betekent nog niet dat de bewindvoerders zullen overgaan tot levering van de woning. Zij hebben immers al geweigerd. De vraag of de bewindvoerders terecht hebben geweigerd, en daarmee ook het verzoek om de bewindvoerders op te dragen volledig mee te werken aan de levering, vallen buiten de kaders van deze verzoekschriftprocedure en liggen niet ter beoordeling voor aan dit hof. [verzoekers] c.s. moeten als zij nakoming van de koopovereenkomst en van de daarin opgenomen boetenclausule verlangen, een aparte dagvaardingsprocedure aanhangig te maken bij de rechtbank.
4.8
De conclusie is dat [verzoekers] c.s. geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro en dus niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep.
Slotsom
4.9
Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof [verzoekers] c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

5.De beslissing

Het hof:
verklaart [verzoekers] c.s. niet-ontvankelijk in hun verzoeken in hoger beroep;
veroordeelt [verzoekers] c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de bewindvoerders begroot op € 851,- aan griffierecht en € 2.580,- aan salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 procespunten x appeltarief II);
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, J.G. Knot en M.A.L.M. Willems, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488