Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1844

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
21-004710-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 132a SvArt. 152 SvArt. 359a SvArt. 416 SvArt. 437 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof spreekt verdachte vrij van witwassen en heling auto-onderdelen behalve witwassen motorblokken

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het Openbaar Ministerie deels niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis vernietigd voor hernieuwde beoordeling.

Het hof oordeelde dat het OM ontvankelijk was voor de feiten 1, 2 en 3, waarbij verdachte werd verdacht van medeplegen van witwassen en heling van tweedehands auto’s en onderdelen. De verdediging voerde onder meer aan dat de Stichting VbV onbetrouwbaar was en dat er geen opsporingsonderzoek onder leiding van het OM had plaatsgevonden, wat het hof verwierp.

Na beoordeling van het bewijs sprak het hof verdachte vrij van het witwassen en helen van de gehele bedrijfsvoorraad en 70 auto-onderdelen wegens onvoldoende bewijs van wetenschap of vermoeden van criminele herkomst. Voor 104 motorblokken en 3 versnellingsbakken met verwijderde of vervalste identificatienummers achtte het hof het bewijs van witwassen met voorwaardelijk opzet wel overtuigend bewezen voor 11 motorblokken. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Het hof legde geen ontzetting op en hield rekening met een overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van witwassen en heling van auto-onderdelen, maar veroordeeld voor witwassen van 11 motorblokken met verwijderde nummers tot taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004710-21
Uitspraakdatum: 26 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 14 oktober 2021 met parketnummer 08-760137-18 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats]
wonende te [adres 1]

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 28 januari en 26 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Met betrekking tot de feiten 4 en 5
De officier van justitie heeft bij akte van 27 oktober 2021 onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Bij appelschriftuur en ter terechtzitting van het hof op 28 januari 2026 heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat het hoger beroep zich alleen richt tegen de gegeven beslissing ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal medegedeeld geen belang te zien in de behandeling in hoger beroep en heeft hij het hof verzocht de officier van justitie voor wat betreft die feiten op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
De raadsman heeft zich niet verzet tegen toepassing van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het onder 4 en 5 tenlastegelegde.
Op grond van het vorenstaande ziet het hof, nu ook niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de behandeling van voornoemd feiten, aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor wat betreft het onder 4 en 5 tenlastegelegde. Het hof zal het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep dat het heeft ingesteld ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde.
Met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, net als in eerste aanleg, gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging voor de feiten 1, 2 en 3. De verdediging heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een opsporingsonderzoek in de zin van artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering. Het onderzoek naar de feiten is verricht door de Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit Derden (hierna: Stichting VbV). De Stichting VbV is geen opsporingsinstantie. Bovendien heeft de officier van justitie geen of onvoldoende leiding gegeven aan het door de Stichting VbV verrichte onderzoek. Daardoor is er mogelijk sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, maar ook als dat niet zo is leidt dit verzuim tot niet-ontvankelijkheid, omdat er sprake is van strijd met de goede procesorde en het niet voldoen aan de verbaliseringsplicht zoals bedoeld in artikel 152 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aldus de verdediging.
Het standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat er wel degelijk sprake is geweest van een opsporingsonderzoek onder leiding van een officier van justitie en dat er geen sprake is van een vormverzuim.
Het oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat uit de processtukken volgt dat er – anders dan door de verdediging is gesteld - een opsporingsonderzoek is verricht onder leiding van de officier van justitie. Binnen dat onderzoek zijn verschillende dwangmiddelen toegepast en heeft op 2 februari 2017 een doorzoeking plaatsgevonden van de bedrijfsruimtes van verdachte en zijn medeverdachten, [medeverdachte 1] en de [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) . Daarbij heeft de officier van justitie een groot aantal voorwerpen in beslag genomen. Binnen het opsporingsonderzoek zijn vervolgens diverse processen-verbaal opgemaakt en verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zijn aangehouden en verhoord. De resultaten van het opsporingsonderzoek zijn verantwoord in het procesdossier.
Aan het voorgaande doet niet af dat de officier van justitie de Stichting VbV op grond van artikel 118, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering als bewaarder van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft aangesteld. Evenmin doet daaraan af dat de officier van justitie de inventarisatie en de documentatie van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft uitbesteed aan deze bewaarder. Daarmee is immers slechts een onderdeel van het (feitelijke) onderzoek aan de Stichting VbV uitbesteed. De Stichting VbV heeft over haar bevindingen rapportages opgemaakt en deze ter beschikking gesteld aan het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (hierna: LIV). Voor zover met behulp van de door de Stichting VbV aangeleverde gegevens opsporingshandelingen zijn verricht, zijn deze verricht door de opsporingsambtenaren van het LIV, onder gezag van de officier van justitie. De stelling van de verdediging dat de Stichting VbV feitelijk vrijwel het gehele onderzoek heeft verricht en dat de officier van justitie slechts de resultaten van dat uitbestede onderzoek aan de vervolging van verdachte en zijn medeverdachten ten grondslag heeft gelegd is dus feitelijk onjuist.
De verdediging heeft aan het ontvankelijkheidsverweer mede de stelling ten grondslag gelegd dat de Stichting VbV niet bij het opsporingsonderzoek betrokken had mogen worden, omdat de stichting geen onafhankelijke instantie is en geen belang heeft bij de waarheidsvinding. Daarnaast heeft de verdediging in dit verband aangevoerd dat de Stichting VbV veel fouten gemaakt zou hebben bij haar onderzoek.
Het hof stelt voorop dat niet aannemelijk is geworden dat de Stichting VbV bij de uitvoering van haar werkzaamheden onbetrouwbaar of in strijd met de waarheidsvinding heeft gehandeld. Dat de Stichting VbV bij het onderzoek substantiële fouten zou hebben gemaakt is eveneens niet aannemelijk geworden. Het hof wijst in dit verband ook op het aanvullende proces-verbaal, gedateerd 9 januari 2024, dat na de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg is opgemaakt. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de bevindingen van de Stichting VbV met betrekking tot 85 auto’s of auto-onderdelen opnieuw zijn gecontroleerd door een opsporingsambtenaar van het Team Forensische Opsporing (hierna: TFO). In 8 gevallen bleken de conclusies van de Stichting VbV voor het TFO op dat moment, op basis van het dossier, niet meer reproduceerbaar. Deze 8 gevallen zijn (naast enkele andere gevallen) middels een wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep uit het verwijt aan verdachte en zijn medeverdachten verwijderd. In de overige 77 gevallen heeft het onderzoek van het TFO de bevindingen van de Stichting VbV geheel of grotendeels bevestigd. Voor zover er dus al sprake zou zijn geweest van een vormverzuim doordat de Stichting VbV bij haar onderzoek (substantiële) fouten zou hebben gemaakt, is dit door het nader onderzoek hersteld en is de verdachte hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is ook de gestelde schending van de verbaliseringsplicht, zoals bedoeld in artikel 152 van Pro het Wetboek van Strafvordering, niet aannemelijk geworden.
Voor zover de verdediging heeft bedoeld een beroep te doen op schending van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering faalt dat beroep op grond van het voorgaande eveneens. Ten slotte is niet aannemelijk geworden dat vervolging voor deze feiten in strijd is met een goede procesorde. Het hof verwerpt dan ook het verweer in al zijn onderdelen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging voor de feiten 1, 2, en 3.

Het vonnis

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof zal daarom het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. De verdenking komt er, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, kort en zakelijk op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1:medeplegen van witwassen van de gehele bedrijfsvoorraad, althans een groot deel daarvan,
subsidiair,medeplegen van eenvoudig witwassen van de gehele bedrijfsvoorraad, althans van een groot deel daarvan, op 2 februari 2017;
feit 2:medeplegen van een gewoonte maken van opzetheling en/of medeplegen van gewoontewitwassen van 70 auto’s of auto-onderdelen,
subsidiairmedeplegen van schuldheling en/of schuldwitwassen van 70 auto’s of auto-onderdelen, in de periode van 28 april 2009 tot en met 2 februari 2017;
feit 3:medeplegen van gewoontewitwassen van 104 motorblokken en 3 versnellingsbakken
subsidiairmedeplegen van schuldwitwassen van 104 motorblokken en 3 versnellingsbakken, in de periode van 28 april 2009 tot en met 2 februari 2017.
De volledige tenlastelegging is als bijlage aan dit arrest gehecht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het verloop van het onderzoek

De rechtbank heeft in haar vonnis het navolgende overwogen omtrent het verloop van het onderzoek. Het hof neemt deze overwegingen (
cursief) over. Daar waar “rechtbank” staat dient gelezen te worden: “hof”. Daar waar “het VBV” staat dient gelezen te worden: “de Stichting VbV”.
In 2015 en 2016 ontving de politie verschillende TCI-verbalen en MMA-meldingen over gestolen voertuigonderdelen die zich in de twee bedrijfsloodsen aan de [adres 1] zouden bevinden. Ook werden er meldingen van gestolen onderdelen ontvangen uit Denemarken en Duitsland. Die onderdelen zouden geleverd zijn door [medeverdachte 1] en/of [verdachte] van “ [medeverdachte 2] ”. Voorts was er restinformatie uit het onderzoek Filllmore, waarin [medeverdachte 2] wordt genoemd. Naar aanleiding van voornoemde informatie heeft op 2 februari 2017 een doorzoeking plaatsgevonden op het perceel aan de [adres 1] en in de zich op dat perceel bevindende bedrijfsloodsen. Tijdens de doorzoeking heeft de politie een steekproef gehouden, waaruit bleek dat tientallen voertuigonderdelen afkomstig waren uit voertuigen die als gestolen geregistreerd stonden. Op basis van de resultaten van die steekproef heeft het Openbaar Ministerie besloten de gehele bedrijfsvoorraad voor onderzoek in beslag te nemen voor onderzoek naar alle op het terrein en in de loodsen aanwezige voertuigonderdelen. De uitkomsten van dat onderzoek hebben geresulteerd in vervolging van onder meer verdachte ter zake van (gewoonte)witwassen en/of heling.
Vanwege de uitkomst van de steekproeven tijdens de doorzoeking heeft het Openbaar Ministerie besloten om van alle in de loodsen en op het terrein aanwezige voertuigonderdelen, te weten 8.093 onderdelen, onderzoek te doen naar de herkomst. Met het oog daarop werd het VBV aangesteld als strafrechtelijk bewaarder. Het VBV is een gezamenlijk initiatief van Nederlandse schadeverzekeraars om voertuig- vaartuig- werkmaterieel- en transportcriminaliteit te bestrijden. Zij is aangesteld met als taak het inventariseren, registreren en fotograferen van alle in de loodsen en op het bedrijventerrein aanwezige voertuigonderdelen ten behoeve van het beslagbeheer. Twee onderzoekers van het VBV, [naam] en [naam] , hebben voorts onderzoek gedaan naar voertuigonderdelen met unieke nummers en de herleidbaarheid daarvan. Van die nummers werd, met tussenkomst van het LIV, informatie opgevraagd over het voertuig waaruit de onderdelen afkomstig waren en de eventuele bijzonderheden over (de status van) die voertuigen. De conclusies van de onderzoekers werden in een relaas van onderzoek van 16 juli 2017, meerdere tussenrapporten van 12 februari 2017, 14 februari 2017 en 29 november 2017 en uiteindelijk in het eindrapport van 29 juni 2018 vermeld. In de rapportages is vermeld dat de resultaten zijn verkregen in samenwerking met het LIV. Naast de genoemde rapportages werden samenstellingsrapporten opgemaakt. Daarop staan gegevens van voertuigen vermeld met daarbij de in de loodsen aangetroffen onderdelen die, ingedeeld in categorieën van mate van waarschijnlijkheid, aan die voertuigen kunnen worden gekoppeld.
In het dossier is een geschrift opgenomen, genaamd Deskundigenrapport, opgesteld door onderzoekers van LIV en VBV gezamenlijk gedateerd op 16 juli 2017. Beschreven is het identificerende onderzoek dat heeft plaatsgevonden aan aangetroffen motorblokken en versnellingsbakken. Deze onderdelen beschikken normaliter over unieke nummers die al dan niet ingeslagen zijn in het onderdeel. Als bijlage bij het rapport is een Excel lijst gevoegd waarin is opgenomen een overzicht van die aangetroffen onderdelen en het antwoord op de vraag of het aangetroffen nummer door de fabriek is aangemaakt en zo ja, of deze in een voertuig geplaatst is geweest dat als gestolen geregistreerd staat. In het rapport is beschreven dat het uitlezen van de nummers, al dan niet met forensische hulpmiddelen, is geschied. Het rapport vermeldt dat alle vervalste motorblokken en versnellingsbakken die door onderzoekers [naam] en [naam] zijn onderzocht zijn geverifieerd door de onderzoekers van het LIV. Het rapport vermeldt voorts: “Ook van de overige onderdelen is op ons verzoek door de Politie, Landelijke Eenheid, unit informatie, team Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (LIV) te [plaats] de benodigde voertuiginformatie bij de fabrikant bevraagd”.
Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris van 31 mei 2021 heeft [naam] buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij het LIV, de werkwijze van het LIV toegelicht. Hij heeft meegedeeld dat het LIV van de politie en/of het VBV de nummers ontvangt die op bepaalde onderdelen staan, met daarbij informatie over het onderdeel waar het om gaat en een foto van het onderdeel. Het LIV stuurt de ontvangen informatie naar de fabrikant met de vraag of het onderdeel met de gegeven informatie is te herleiden naar een Voertuig Identificatienummer (hierna: VIN). Als dat het geval is, dan geeft het LIV het VIN door aan de politie of het VBV. Daarnaast geeft het LIV het kenteken waaronder het voertuig geregistreerd staat en eventuele bijzonderheden, zoals de informatie dat het om een sloopauto gaat of om een auto die als gestolen geregistreerd staat, door. Als een voertuig als gestolen geregistreerd staat, dan vermeldt het LIV ook de datum en de plaats van de aangifte.
Op verzoek van het Openbaar Ministerie heeft [naam] op 22 juli 2024 schriftelijke vragen beantwoord van het Openbaar Ministerie en de verdediging. [naam] was in de tenlastegelegde periode werkzaam als voertuigdeskundige bij het LIV. Uit de antwoorden op de vragen blijkt onder andere het volgende. Het VIN is een uniek identificatienummer dat door de fabrikant op het chassis van het voertuig wordt aangebracht. Het VIN van een voertuig staat geregistreerd bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Daarnaast wordt op een aantal specifieke voertuigonderdelen, zoals op een motorblok, maar ook op andere onderdelen, door de fabrikant een uniek nummer aangebracht. Met dat nummer kan worden getraceerd uit welk voertuig een onderdeel oorspronkelijk komt. Het LIV is de enige instantie in Nederland die aan de hand van die unieke nummers voertuiginformatie kan en mag opvragen bij autofabrikanten. Een particulier of een handelaar kan dat niet. Bij het LIV zijn uitsluitend bijzonder opsporingsambtenaren werkzaam.
Tijdens het onderzoek zijn volgens het LIV en de Stichting VbV 85 specifieke auto’s of auto-onderdelen geïdentificeerd die van misdrijf afkomstig zouden zijn. Van deze 85 auto’s, dan wel auto-onderdelen zijn er (na de wijziging in hoger beroep) nog 70 op de tenlastelegging opgenomen onder feit 2. Daarnaast zouden 104 motorblokken en 3 versnellingsbakken van misdrijf afkomstig zijn. Deze staan op de tenlastelegging onder feit 3.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof bespreekt hieronder eerst het door de verdediging gevoerde bewijsuitsluitingsverweer. Voorafgaand aan de beoordeling van de tenlastegelegde feiten bespreekt het hof daarna de ingenomen standpunten omtrent de vermenging van de bedrijfsvoering in de ondernemingen van verdachten, het inkoopregister en de administratie van verdachten.
Bewijsuitsluitingsverweer
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rapportages van de Stichting VbV, waarin zij de inventarisatie en documentatie van de aangetroffen auto-onderdelen heeft beschreven, van het bewijs moeten worden uitgesloten. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd - aangevoerd dat de rapportages onjuist en onbetrouwbaar zijn. Het hof verwerpt dit verweer en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar wat het hof daar al over opgemerkt heeft bij de verwerping van het verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie voor de feiten 1, 2 en 3.
De Stichting VbV heeft - naast de rapportages over de inventarisatie en documentatie van de auto-onderdelen - ook zogenoemde samenstellingsrapporten uitgebracht. In die samenstellingsrapporten worden op basis van uiterlijke kenmerken van auto-onderdelen en waarschijnlijkheidsoordelen uitspraken gedaan over de mate van waarschijnlijkheid waarmee bepaalde bij verdachte en zijn medeverdachten aangetroffen onderdelen uit eenzelfde auto afkomstig kunnen zijn. De verdediging heeft gesteld dat deze samenstellingsrapporten van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat zij onbetrouwbaar zouden zijn. Anders dan de verdediging vindt het hof dat ook van deze samenstellingsrapporten niet aannemelijk is geworden dat deze onbetrouwbaar zijn. Het hof zal de samenstellingsrapporten dus niet uitsluiten van het bewijs.
Vermenging van de bedrijfsvoering
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw op het standpunt gesteld dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] gescheiden ondernemingen exploiteerden. Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat er geen sprake is van gescheiden ondernemingen, omdat de bedrijfsvoorraad niet gescheiden was en er geen gescheiden administratie is aangetroffen.
Het hof neemt de hierna genoemde overwegingen en het oordeel van de rechtbank over.
Op het perceel aan de [adres 1] bevinden zich twee loodsen en een bedrijventerrein. Op dat perceel is [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) gevestigd. De vof werd opgericht in 2000 door [medeverdachte 1] en [naam] . Vanaf 1 januari 2013 is [verdachte] medevennoot. [medeverdachte 1] is op 31 januari 2014 uit de vof getreden. [medeverdachte 1] ging verder als enig aandeelhouder van de veel eerder al door hem opgerichte [bedrijfsnaam] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam] , in eerste instantie aan het adres [adres 1] In 2016 heeft de BV, als onderhuurder van [medeverdachte 2] , haar intrek genomen in de loodsen op het perceel aan de [adres 1] . Naast bovengenoemde ondernemingen is ook het autobedrijf van [naam] gevestigd aan de [adres 1] .
(…)
Verdachten hebben bij de politie verklaard dat er sprake was van gescheiden ondernemingen, maar dat, vanwege een interne verbouwing en een reorganisatie, de goederen door elkaar stonden. [verdachte] heeft voorts verklaard dat de voertuigonderdelen van de vof met een gele sticker gemarkeerd werden. Verdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het om gescheiden ondernemingen ging en heeft een loods aangewezen waar voornamelijk de onderdelen van [bedrijfsnaam] lagen opgeslagen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een vermenging van de bedrijfsvoering en dat verdachten hebben samengewerkt in hun bedrijfsvoering als een eenheid zoals deze al bestond in de tijd dat zij binnen de [medeverdachte 2] werkten. Zij overweegt daartoe dat verdachte [medeverdachte 1] door zijn zoon, [verdachte] , werd geholpen met de digitale verkoopkanalen door de door hem aangekochte auto-onderdelen ook op internet aan te bieden. Tevens overweegt de rechtbank dat er geen sprake was van enige verdeling van goederen van [verdachte] en verdachte [medeverdachte 1] . Alle onderdelen, ook de voertuigonderdelen die recent waren aangekocht, lagen door elkaar. De rechtbank ziet niet in waarom, zelfs wanneer sprake is van een reorganisatie en een herverdeling van ruimtes, nieuw aangevoerde voertuigonderdelen verspreid over de beide loodsen zouden worden opgeslagen, indien er daadwerkelijk sprake zou zijn van strikt gescheiden ondernemingen. De verklaringen van verdachte dat beiden voor eigen rekening en voor eigen onderneming deden aan zowel in- als verkoop van auto-onderdelen acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] , waarbij de twee rechtspersonen werden gebruikt voor het, zogenaamd en louter op papier, scheiden van hun werkzaamheden.
In aanvulling op het voorgaande betrekt het hof bij dit oordeel ook dat verdachte op de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] ook over en weer aan elkaars auto-onderdelen en motoren werkten, waarvoor zij elkaar of hun rechtspersonen geen kosten in rekening brachten.
Inkoopregister
Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat verdachte en zijn medeverdachten niet hebben voldaan aan hun verplichting om een inkoopregister bij te houden. Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij inderdaad geen inkoopregister bijhield, dat hij destijds niet wist dat dat verplicht was en dat hij daarop ook nooit gecontroleerd is. Ook zou alles in de boekhouding staan.
Het antwoord op de vraag of verdachte verplicht was om een inkoopregister bij te houden van alle ingekochte onderdelen kan relevant zijn bij de beoordeling van de witwasverwijten. Gelet daarop overweegt hef hof het volgende.
Op grond van artikel 437 van Pro het Wetboek van Strafrecht begaat een handelaar in gebruikte of ongeregelde goederen een strafbaar feit als hij geen aantekening houdt van de door hem in het kader van zijn beroep of bedrijf ingekochte goederen. Die aantekeningen worden in het dagelijks verkeer inkoopregister of opkoopregister genoemd.
In het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Uitvoeringsbesluit) is in artikel 1, eerste lid, het volgende bepaald:

De handelaren, bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=437&g=2026-03-10&z=2026-03-10), zijn opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, metalen, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.”
Uit het voorgaande volgt dat handelaren in (tweedehands) auto’s een inkoopregister moeten bijhouden. Het standpunt van verdachte roept de vraag op of die verplichting in de tenlastegelegde periode ook gold voor handelaren in (tweedehands) auto-
onderdelen.
Bij de processtukken bevindt zich een e-mailbericht van [naam] van de politie Oost-Nederland. Dit e-mailbericht is gedateerd 30 januari 2018 en is volgens verdachte verzonden in antwoord op een vraag van verdachte in verband met het “Digitaal Opkopersregister”. [naam] schrijft in deze e-mail aan verdachte dat de verplichting om een inkoopregister bij te houden ook geldt voor handelaren in auto-onderdelen.
Uit een uitspraak van de Raad van State van 14 maart 2018 is af te leiden dat artikel 437 van Pro het Wetboek van Strafrecht niet alleen betrekking heeft op handelaren in auto’s, maar ook op handelaren in auto-onderdelen (ECLI:NL:RvS:2018:839, r.o. 2.2). Het Gerechtshof te Den Haag heeft, onder verwijzing naar deze uitspraak van de Raad van State, een vergelijkbaar oordeel uitgesproken in zijn arrest van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:2670, r.o. 2.11).
Uit het feit dat verdachte begin 2018 kennelijk bij de politie heeft nagevraagd wat zijn verplichtingen zijn leidt het hof af dat hij in de tenlastegelegde periode daadwerkelijk niet wist of hij, naast zijn administratie, ook een inkoopregister moest bijhouden en dat hij zich daarover wilde laten voorlichten.
Uit de tekst van het Uitvoeringsbesluit volgt niet zonder meer dat handelaren in auto-onderdelen een inkoopregister moeten bijhouden. Dat dit wel het geval is, blijkt op zijn vroegst uit de uitspraak van de Raad van State van 14 maart 2018, die dateert van (ruimschoots) na de tenlastegelegde periode. Op grond van het voorgaande zal het hof bij de beoordeling van de feiten niet in het nadeel van verdachte het feit betrekken dat verdachte geen inkoopregister heeft bijgehouden.
Administratie
Tijdens de doorzoeking op 2 februari 2017 is in de loodsen administratie aangetroffen. Die administratie bestond onder andere uit 32 ordners en mappen die werden aangetroffen in het kantoor in een van de loodsen. Deze ordners en mappen zijn in beslag genomen, net als zes aangetroffen computers. Tijdens de doorzoeking, waarbij de administratie in beslag genomen werd, verklaarde verdachte dat alles daarin zou staan.
Op 27 januari 2026 heeft de raadsman van verdachte het hof per e-mail een ontvangstbewijs toegezonden, waaruit blijkt dat op 27 december 2018 zes computers en administratie aan verdachte zijn teruggegeven. Bij de e-mail van de raadsman zijn diverse foto’s gevoegd. Op deze foto’s zijn onder andere zes verhuisdozen te zien (deels met het opschrift “ [naam] ”), die gevuld zijn met ordners. Een gedeelte van deze ordners draagt het opschrift: “ [bedrijf] ”. Ook zijn foto’s bijgevoegd van zakelijke en privé-accountantsrapportages en de jaarstukken van [medeverdachte 2] over 2014. Deze stukken zijn opgemaakt door “ [bedrijf] Adviseurs + Accountants” (hierna: [bedrijf] ). Op diverse ordners zijn opschriften te zien als: “kas”, “ABN AMRO Bank” en “verkoopfacturen”. Daarnaast zijn diverse foto’s overgelegd van losse inkoop- en verkoopfacturen, gericht aan de [medeverdachte 2] of aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat deze ordners met inhoud en de facturen afkomstig zijn uit het geretourneerde beslag.
In het deel van het dossier met de naam “Algemeen Dossier” is vermeld dat de financiële recherche de in beslag genomen boekhouding steekproefsgewijs heeft onderzocht en dat een samenvatting van dat onderzoek is opgenomen in het dossier. Een onderliggend proces-verbaal van de resultaten van het financiële onderzoek is echter niet bij de procestukken gevoegd. Het hof heeft slechts een niet ondertekend verslag met de titel: ‘ [naam] verslag.TXT’ aangetroffen. In dit verslag staat vermeld dat het doel van het verslag is: het ondersteunen van een verzekeraar. Het verslag is niet opgemaakt door de politie, maar door [naam] van het Vermiste Auto Register en [naam] van de Stichting VbV. Bovendien vormt dat verslag naar het oordeel van het hof geen weergave van een relevant onderzoek naar de in beslag genomen administratie.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de politie aan de hand van de op 2 februari 2017 in beslag genomen administratie wist dat [bedrijf] op zijn minst een gedeelte van de boekhouding van verdachte en zijn medeverdachten had verzorgd. Desalniettemin is geen beslag gelegd op de zich onder [bedrijf] bevindende administratie. Pas op 16 maart 2018 – een jaar later en twee dagen na de aanhouding van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] – heeft de politie telefonisch contact opgenomen met [bedrijf] . [naam] , werkzaam bij [bedrijf] , deelde toen mede dat na de doorzoeking van 2 februari 2017 de dienstverlening aan “ [medeverdachte 2] ” was opgezegd en dat de administratie, (op een map met verkoopfacturen uit 2014 na) aan [naam] (de moeder van verdachte, hierna: [naam] ) was meegegeven. Tevens verklaarde [naam] dat de administratie zeker een verbeterslag behoefde en dat de [medeverdachte 2] daartoe eind 2016 is overgegaan naar een nieuw administratief systeem.
Het hof stelt vast dat er onder verdachte en zijn medeverdachten in ieder geval een gedeeltelijke administratie in beslag is genomen, die voor financieel onderzoek vatbaar was. Een gedegen financieel onderzoek is echter niet verricht, althans de resultaten van zo’n onderzoek zijn niet in het dossier verantwoord. Daarnaast concludeert het hof dat de recherche gedurende ruim 13 maanden na de doorzoeking op 2 februari 2017 geen aanleiding heeft gezien om de overige administratie van verdachte en zijn medeverdachten bij [bedrijf] in beslag te nemen. Op 16 maart 2018, toen de recherche uiteindelijk contact opnam met [bedrijf] was deze boekhouding reeds meegegeven aan [naam]

Vrijspraak feit 1 en feit 2

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Het hof zal verdachte daarvan vrijspreken. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Overwegingen ten aanzien van de feit 1
Onder feit 1 wordt verdachte het medeplegen van witwassen van de gehele bedrijfsvoorraad verweten, althans een groot gedeelte daarvan. Subsidiair is dit feit tenlastegelegd als eenvoudig witwassen.
Het standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair bewezen verklaard kan worden ten aanzien van de gehele bedrijfsvoorraad. De bedrijfsvoorraad bestaat uit een groot aantal geïdentificeerde voertuigonderdelen die zijn geheeld en witgewassen (feit 2) en een groot aantal verhulde on-identificeerbare voertuigonderdelen, die zijn witgewassen (feit 3). De bedrijfsvoering van het bedrijf geeft geen enkel inzicht in de herkomst van goederen en kenmerkt zich door verhulling. Er moet vermenging hebben plaatsgevonden door herinvesteringen van criminele opbrengsten gedurende jaren, aldus de advocaten-generaal.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Het oordeel van het hof
In het onderzoek zijn 8.093 aangetroffen auto-onderdelen onderzocht. In eerste instantie heeft de Stichting VbV 85 auto-onderdelen geïdentificeerd die uit gestolen voertuigen afkomstig zouden zijn. Van die 85 auto-onderdelen staan er in hoger beroep nog 70 op de tenlastelegging onder feit 2. Het gaat daarbij om auto-onderdelen die afkomstig zijn uit voertuigen die als gestolen zijn geregistreerd en waarvan aangifte van diefstal is gedaan. Onder feit 3 zijn 104 motorblokken en 3 versnellingsbakken opgenomen, waarvan het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat deze uit misdrijf afkomstig zijn. Van de overige 7.916 auto-onderdelen is geen mogelijke criminele herkomst vastgesteld, terwijl deze onderdelen wel zijn onderzocht en waar mogelijk ook de identificerende nummers ervan zijn gecontroleerd. Van de op 2 februari 2017 in beslag genomen bedrijfsvoorraad kan dus gelet op het voorgaande niet gezegd worden dat deze gehele bedrijfsvoorraad of een aanzienlijk deel daarvan uit misdrijf afkomstig is.
Het hof deelt ook niet het standpunt van de advocaten-generaal, dat de gehele bedrijfsvoorraad door vermenging door herinvestering gedurende jaren ‘besmet’ is geraakt. De op 2 februari 2017 aangetroffen auto-onderdelen vormen een momentopname van de bedrijfsvoorraad. Enkel aan de hand van die momentopname kan vermenging door herinvestering niet worden vastgesteld. In het dossier ontbreekt nader onderzoek naar de bedrijfsvoering door verdachten gedurende de jaren waarin de vermenging dan zou moeten hebben plaatsgevonden. Er zijn in dat verband ook geen getuigen gehoord. Bovendien is er aan de hand van de beschikbare administratie geen kenbaar financieel onderzoek verricht dat een nader licht had kunnen werpen op de bedrijfsvoering gedurende de tenlastegelegde periode.
Gelet daarop zal het hof verdachte vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde.
Het hof zal verdachte ook vrijspreken van het subsidiair tenlastegelegde eenvoudig witwassen, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de bedrijfsvoorraad uit
eigen misdrijfheeft verworven of voorhanden heeft gehad.
Overwegingen ten aanzien van feit 2
Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat hij in de tenlastegelegde periode een gewoonte heeft gemaakt van heling en/of witwassen van 70 auto’s of auto-onderdelen. Subsidiair wordt hem de schuldheling of het schuldwitwassen van die 70 auto’s of auto-onderdelen verweten.
Het standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de gewoonteheling en het gewoontewitwassen van alle 70 in de tenlastelegging genoemde auto-onderdelen bewezen verklaard kan worden. Dat in tweedehands auto(onderdelen)handel veel gestolen onderdelen omgaan is welhaast een feit van algemene bekendheid. Verdachten hadden – als ervaren handelaars – meer onderzoek moeten verrichten naar de herkomst van de onderdelen die zij inkochten. Het enkele controleren van onderdelen via de website “StopHeling.nl” is niet voldoende. Verdachten hebben ook geen verklaring voor de aanwezigheid van de gestolen onderdelen in hun bedrijf gegeven, terwijl dat wel van hen verwacht mocht worden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Het oordeel van het hof
Op grond van het dossier acht het hof de heling en/of het witwassen van de complete auto’s, zoals die op de tenlastelegging zijn vermeld, niet bewezen.
De 70
auto-onderdelendie onder feit 2 op de tenlastelegging staan vermeld zijn volgens de samenstellingsrapporten van de Stichting VbV afkomstig uit voertuigen die als gestolen staan geregistreerd. In de betreffende zaaksdossiers bevinden zich ook steeds de aangiftes van diefstal van de auto’s, waaruit deze onderdelen afkomstig zijn. In het aanvullende proces-verbaal van 9 januari 2024 zijn de bevindingen van de Stichting VbV door de politie gecontroleerd en bevestigd. Daarmee staat vast dat deze 70 auto-onderdelen een criminele herkomst hebben.
De vervolgvraag die het hof moet beantwoorden is of verdachte wetenschap had van deze criminele herkomst. Voor het bewijs van die wetenschap is voorwaardelijk opzet voldoende.
Het hof stelt voorop dat voor de beoordeling in aanmerking moet worden genomen dat verdachte werkzaam was als handelaar in tweedehands auto-onderdelen. Van een dergelijke handelaar mag een grote mate van zorgvuldigheid en een zekere expertise worden verwacht bij de inkoop van auto-onderdelen. Dit geldt temeer nu juist in de tweedehandsautobranche een niet te verwaarlozen kans bestaat op aanbod van gestolen auto’s en auto-onderdelen, voornamelijk door particulieren. Een goede boekhouding is bovendien een wettelijk vereiste. Daarmee kan de handelaar immers inzichtelijk maken dat een inkoop naar het zich liet aanzien niets verdachts om het lijf had. Eveneens kan een goede boekhouding aanknopingspunten bieden voor de opsporing van de aanbieder van gestolen waren. Tegen deze achtergrond mag van een verdachte in de autobranche worden verwacht dat hij – geconfronteerd met de criminele herkomst van voorwerpen in zijn bedrijf – een verklaring aflegt omtrent de herkomst van deze voorwerpen en die verklaring zoveel mogelijk met zijn boekhouding kan onderbouwen. Uit het ontbreken van een dergelijke verklaring en een deugdelijke boekhouding volgt echter naar het oordeel van het hof niet zonder meer dat aangenomen kan worden dat verdachte wetenschap of het redelijke vermoeden heeft gehad van de criminele herkomst van een voorwerp. Daarvoor is – mede gelet op de grote hoeveelheid auto-onderdelen die de verdachte in het kader van zijn reguliere bedrijfsactiviteiten onder zich had – op zijn minst een bijkomende omstandigheid ten tijde van het verwerven, voorhanden hebben, overdragen of gebruikmaken van het voorwerp vereist, waaruit het bestaan van wetenschap of het vermoeden van de criminele herkomst bij de verdachte kan volgen. [1]
Verdachte heeft een verklaring afgelegd. Bij de doorzoeking op 2 februari 2017 heeft verdachte verklaard dat alles in de boekhouding staat. Tijdens zijn politieverhoren in maart 2018 heeft verdachte verklaard dat hij inkocht bij bedrijven, automotorbranches, opkopers en verkopers en dat hij ter plekke de aan te kopen onderdelen controleerde. Verdachte verklaarde ook dat hij van alles wat hij kocht een factuur had in de boekhouding. Ten aanzien van de boekhouding verklaarde hij dat [bedrijf] alles doet en dat de boekhouding van het bedrijf vanaf 2013 bij [bedrijf] lag.
De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de zich in het dossier bevindende inkoopfacturen. Daaruit is af te leiden dat verdachte – in ieder geval gedeeltelijk – zaken deed met bedrijfsmatige handelaren, die facturen afgaven voor de door verdachte ingekochte goederen. Verdachte heeft niet per onderdeel van de tenlastelegging een verklaring afgelegd. Ook heeft hij niet voor ieder onderdeel een factuur overgelegd, waaruit de transactie en de verkoper blijken. Dat verdachte niet over ieder onderdeel een verklaring heeft afgelegd is echter in dit geval onvoldoende om als bijkomende omstandigheid als hiervoor bedoeld te gelden. Verdachte is immers pas in maart 2018 verhoord, ruim een jaar na de doorzoeking op 2 februari 2017. Het hof begrijpt dat het onder die omstandigheden moeilijk is om een (adequate) verklaring af te leggen over specifieke onderdelen. Daarbij komt dat verdachte ten tijde van dat verhoor nog niet over zijn administratie beschikte, nu die administratie op dat moment immers in beslag was genomen. In dat verband valt op dat aan verdachte geen vragen zijn gesteld over de inkoop aan de hand van aan die administratie verricht financieel onderzoek. Dat verdachte nadien, nadat hij zijn boekhouding geretourneerd had gekregen, niet alsnog per onderdeel een factuur heeft overgelegd, maar kennelijk selectief documenten en facturen aan het hof heeft verstrekt, vindt het hof wel dubieus, maar dat maakt niet dat er daardoor bijkomende omstandigheden zijn waaruit per onderdeel blijkt dat verdachte wist of moest vermoeden dat het betreffende onderdeel uit misdrijf afkomstig was. Nadere aanwijzingen voor die wetenschap of dat vermoeden bij verdachte zijn niet uit het dossier te destilleren.
Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan om de beschikbare foto’s van auto-onderdelen en de onderliggende onderzoeksbevindingen van de Stichting VbV aan het dossier toe te voegen om met behulp daarvan het aanvullende proces-verbaal van 9 januari 2024 te kunnen beoordelen. Gelet op het feit dat het hof verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2 behoeft dit verzoek geen bespreking meer.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

Verdachte heeft aangevoerd dat hij van dit feit dient te worden vrijgesproken. Het hof is echter van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor dit feit is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Aan verdachte wordt verweten dat hij 104 motorblokken en 3 versnellingsbakken (al dan niet tezamen met anderen) heeft witgewassen (en daar een gewoonte van heeft gemaakt), doordat hij – kort gezegd – de herkomst van die voorwerpen heeft verhuld en/of verhuld heeft wie de rechthebbenden op deze motorblokken waren, doordat hij de identificerende nummers op die voorwerpen heeft verwijderd of heeft laten verwijderen (sub a.). Daarnaast (en als alternatief) wordt hem verweten dat hij (al dan niet tezamen met anderen) die voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl de identificerende nummers van die voorwerpen waren verwijderd en/of onleesbaar gemaakt (sub b.). Subsidiair wordt hem het medeplegen van schuldwitwassen van deze voorweerpen verweten.
Het standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal achten het primair tenlastegelegde bewezen, zowel de handelingen sub a. als sub b. Uit het proces-verbaal van doorzoeking blijkt dat er door de politie is geconstateerd dat er motorblokken zijn aangetroffen met vervalste nummers en dat er slijpsporen op de motoren zichtbaar waren. Uit het deskundigenrapport van het LIV van 16 juli 2017 met de daarbij gevoegde Excel-lijst volgt dat van alle 107 voorwerpen op de tenlastelegging de identificerende nummers verwijderd, onleesbaar gemaakt of vervalst waren. [naam] heeft in zijn schriftelijke beantwoording van vragen verklaard dat het wegvijlen van motornummers geen legaal doel dient. Ook heeft [naam] verklaard dat er motorblokken zijn aangetroffen die grotendeels nog vies waren door het gebruik en door straatvuil, maar waarvan het vlakje waar het motornummer is aangebracht schoon was en dat er slijpsporen te zien waren. Nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van deze voorwerpen kan het medeplegen van gewoontewitwassen bewezen worden, aldus de advocaten-generaal.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Verdachte en zijn medeverdachte handelden al jaren in auto-onderdelen. Zij kochten in bij gerenommeerde bedrijven, waaronder bij ondernemingen die door de Stichting VbV erkend worden. Alle in- en verkopen werden geregistreerd, waarbij achteraf controle plaatsvond door de accountant. Verdachte en zijn medeverdachten hebben nooit nummers van onderdelen verwijderd.
De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat verdachten ook tweedehands motorblokken van schadeauto’s kochten via het Engelse veilingbedrijf [bedrijfsnaam] . Die motorblokken werden geleverd met een weggevijld motornummer, hetgeen in het Verenigd Koninkrijk gebruikelijk zou zijn bij schadeauto’s
Het oordeel van het hof
Op 2 februari 2017 zijn bij de doorzoeking van de panden aan de [adres 1] enkele duizenden auto-onderdelen aangetroffen, waaronder 104 motorblokken en 3 versnellingsbakken.
Uit de rapportages van de Stichting VbV en het LIV volgt dat onderzoek aan deze 104 motorblokken en 3 versnellingsbakken heeft opgeleverd dat op deze voorwerpen geen voor de opsporingsinstanties verifieerbaar origineel motornummer of onderdeelnummer is aangetroffen. De motor/onderdeelnummers waren hetzij (gedeeltelijk) vervalst, hetzij niet leesbaar door wegslijpen of weghakken van die nummers. Daarmee staat vast dat verdachte en zijn medeverdachten op 2 februari 2017 104 motorblokken en 3 versnellingsbakken voorhanden hadden waarop vervalste motor- of onderdeelnummers waren aangebracht, dan wel deze niet meer over een (volledig) identificerend nummer beschikten. Naar eigen zeggen hebben verdachten deze motorblokken en versnellingsbakken in de loop der jaren aangekocht, met als doel deze weer te verkopen.
Het verweer dat motorblokken van schadeauto’s uit het Verenigd Koninkrijk werden geleverd zonder motornummer wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier. In het dossier bevindt zich bovendien een door de verdediging ingebrachte email van een medewerker van [bedrijfsnaam] van 2 maart 2018, waaruit blijkt dat in het verleden schadeauto’s conform de Engelse regelgeving weliswaar werden geleverd zonder VIN, maar daaruit blijkt niet dat ook het motornummer zou ontbreken. Bovendien blijkt uit de schriftelijke beantwoording van vragen door [naam] dat in het Verenigd Koninkrijk bij de sloop van een auto het VIN wordt verwijderd, maar niet het motornummer.
Voor het bewijs van witwassen van de motorblokken en de versnellingsbakken is nodig dat verdachte wist, dan wel moest vermoeden dat deze voorwerpen uit misdrijf afkomstig waren. Voor het bewijs van wetenschap is voorwaardelijk opzet voldoende.
Uit het dossier blijkt dat het motornummer op een automotor een uniek, identificerend nummer is dat door de fabrikant op een automotor wordt aangebracht door dat nummer in het motorblok te frezen of te slijpen. Het motornummer wordt eenmalig aan een bepaalde motor toegekend en wordt daarna niet meer gewijzigd. Motoren met een gewijzigd of verwijderd nummer zijn in de regel dan ook van misdrijf afkomstig.
Als verdachte zelf het motornummer van een automotor zou hebben gewijzigd of verwijderd is – gelet op het voorgaande - daarmee zijn wetenschap van de criminele herkomst van die motor gegeven. Hetzelfde geldt als verdachte de identificerende nummers van een versnellingsbak zou hebben gemanipuleerd. Evenals de rechtbank heeft het hof in de procestukken echter geen bewijs aangetroffen voor het verwijt dat verdachte, al dan niet samen met anderen, zelf motornummers en/of andere identificerende nummers van de voorwerpen die onder feit 3 in de tenlastelegging worden genoemd, heeft verwijderd of heeft laten verwijderen. Dat er motoren zijn aangetroffen waarop het vlakje waar het nummer is aangebracht schoon was (in tegenstelling tot de rest van het motorblok), maakt dat niet anders. Dit kan immers ook ontstaan bij de controle of er een motornummer aanwezig is. Bovendien is niet vast te stellen op welk moment en door wie dit vlakje is schoongemaakt. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair sub a. tenlastegelegde.
Aan de hand van het motornummer of het onderdeelnummer van de versnellingsbak kan het LIV - door navraag bij de fabrikant - een bepaalde motor of versnellingsbak koppelen aan het voertuig waarin deze oorspronkelijk is ingebouwd. Vervolgens kan het LIV controleren of het betreffende voertuig als gestolen staat geregistreerd. De garagist of de handelaar in tweedehands motorblokken en versnellingsbakken kan zo’n navraag niet doen. Het is dus voor de handelaar niet mogelijk om met behulp van het motornummer op een losse motor of onderdeelnummer op een los onderdeel vast te stellen of zo’n voorwerp een criminele herkomst heeft. Van de handelaar kan dus niet verwacht worden dat hij aan de hand van controle van het unieke nummer achterhaalt of een motor of een versnellingsbak als gestolen geregistreerd staat, simpelweg omdat hij daartoe niet de mogelijkheden heeft.
Van een professionele handelaar in auto-onderdelen, zoals verdachte, mag echter wel worden verwacht dat hij zich bij de aankoop van een automotor of een versnellingsbak ervan vergewist dat de motor of de versnellingsbak is voorzien van een motornummer of onderdeelnummer. Als er geen nummer te zien is, het zichtbare nummer beschadigingen vertoont (bijvoorbeeld door slijp- of haksporen), of als er op het eerste gezicht (sporen van) een eerder aangebracht nummer onder of naast het zichtbare nummer te zien zijn, bestaat de aanmerkelijke kans dat de betreffende motor of versnellingsbak van misdrijf afkomstig is. Als de handelaar in een dergelijk geval tot aankoop van de motor of de versnellingsbak overgaat, aanvaardt hij daarmee de aanmerkelijk kans dat de motor een criminele herkomst heeft en is er dus sprake van voorwaardelijk opzet.
Het hof moet dus uit de beschikbare bewijsmiddelen niet alleen kunnen afleiden dat de in de tenlastelegging genoemde motoren en versnellingsbakken een gemanipuleerd nummer of geen nummer hadden, maar ook of verdachte de manipulatie van het nummer had moeten en kunnen opmerken. Het bewijs voor de kenbaarheid van de manipulatie van de motornummers en de identificerende nummers op de versnellingsbakken kan in het dossier slechts blijken uit het (ook hiervoor genoemde) deskundigenrapport van het LIV met de bijbehorende Excel-lijst. In het deskundigenrapport worden de individuele auto-onderdelen, zoals die op de tenlastelegging zijn vermeld, niet besproken. Deze zijn wel (alle 107) opgenomen in de genoemde Excel-lijst. In deze Excel-lijst wordt telkens zeer beknopt aangegeven hoe het onderzoek aan de betreffende motor of versnellingsbak heeft plaatsgevonden, welke hulpmiddelen daar eventueel bij zijn gebruikt en welk resultaat dat heeft opgeleverd.
In de Excel-lijst is bij de meeste motoren en alle versnellingsbakken vermeld dat de daarop aangetroffen nummers niet door de fabrikant zijn aangebracht. De onderzoekers hebben in diverse gevallen een etsbehandeling met chemicaliën toegepast om eventuele niet zichtbare onderliggende originele nummers zichtbaar te kunnen maken. Zo’n etsbehandeling is een gespecialiseerde vaardigheid. Kennelijk hebben de etsbehandelingen tot de bevinding geleid dat de op die motoren op het eerste gezicht zichtbare nummers niet origineel waren, omdat door de etsbehandeling (gedeeltelijke) andere onderliggende nummers zichtbaar werden. Uit de summiere omschrijvingen in de Excel-lijst blijkt niet of, als er op enig moment (gedeeltelijke) onderliggende nummers zichtbaar waren of werden, deze bij normale visuele controle – die van de handelaar verwacht mag worden - ook al zichtbaar waren, dan wel dat deze pas zichtbaar werden als gevolg van de etsbehandeling. Het hof zal de Excel-lijst daarom niet voor het bewijs gebruiken voor zover deze alleen vermeldt dat het betreffende nummer niet door de fabrikant is aangebracht en ook niet als alleen vermeld is dat een (gedeeltelijk) onderliggend nummer is aangetroffen. De reden daarvoor is dat in die gevallen weliswaar blijkt van vervalsing van het nummer, maar dat niet blijkt of dat onderliggende nummer al zichtbaar was voor verdachte bij visuele controle of dat dit uitsluitend zichtbaar is geworden door de etsbehandeling. Van het witwassen van die motoren zal het hof verdachte vrijspreken, omdat niet bewezen kan worden dat hij wetenschap had van de criminele herkomst van die motoren.
Bij sommige motorblokken is op de Excel-lijst vermeld dat geen motornummer of slechts een gedeeltelijk motornummer is aangebracht. Ook zijn bij meerdere motorblokken slijpsporen aangetroffen. Bij die motoren hadden verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] moeten en kunnen zien dat het originele motornummer was gemanipuleerd of (gedeeltelijk) onleesbaar gemaakt. Ten aanzien van die motoren wist hij dus dat deze van misdrijf afkomstig waren.
Het betreft de volgende motorblokken:
1. Een motorblok van een Nissan Qashqai (volgnr. ZW00002, tenlastegelegd als nr. 1). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Nummer geheel weggeslepen. Etsen geen resultaat. Te diep weggeslepen.”
2. Een motorblok (volg. nr. ZW0025, tenlastegelegd als nr. 20). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Motornummer niet door de fabrikant aangebracht. Slijpsporen. Geen identificatie.”
3. Een motorblok (volg. nr. ZW0034, tenlastegelegd als nr. 22). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Diepe slijpsporen”
4. Een motorblok (volg. nr. ZW0056, tenlastegelegd als nr. 34). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Nummer geheel wegegeslepen”
5. Een motorblok (volg. nr. ZW0089, tenlastegelegd als nr. 51). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Motornummer is niet door de fabrikant aangebracht. Slijpsporen zichtbaar”
6. Een motorblok (volg. nr. ZW0098, tenlastegelegd als nr. 58). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Nummer gedeeltelijk weggeslepen.”
7. Een motorblok (volg. nr. ZW0183, tenlastegelegd als nr. 76). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Zichtbaar origineel nummer is K10B-1. Achter het cijfer 1 is zichtbaar dat de rest van het nummer middels puntjes onleesbaar is gemaakt”
8. Een motorblok (volg. nr. ZW0259, tenlastegelegd als nr. 91). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Nummer gedeeltelijk verwijderd.”
9. Een motorblok (volg. nr. ZW0262, tenlastegelegd als nr. 92). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Motornummer niet door de fabrikant aangebracht. Slijpsporen zichtbaar”
10. Een motorblok (volg. nr. ZW0271, tenlastegelegd als nr. 96). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Motornummer niet door de fabrikant aangebracht. Diepe slijpsporen.”
11. Een motorblok (volg. nr. ZW0272, tenlastegelegd als nr. 97). Bij dit motorblok staat in de Excel lijst vermeld: “Motornummer niet door de fabrikant aangebracht. Diepe slijpsporen.”
Gelet op het voorgaande acht het hof het medeplegen van een gewoonte maken van het witwassen ten aanzien van deze 11 motorblokken bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

feit 3 :

hij
op één of meerdere tijdstippenin de periode 28 april 2009 tot en met 2 februari 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met (een) ander
(en), althans alleen, (telkens)een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers
heeft hij/hebben zij
(telkens) (een)voorwerp
(en
), te weten
(een)onderde
(e)l
(en
)van
(een)motorvoertuig
(en
)gekentekend met:
1. Een motorblok van een Nissan Qashqai (onderdeelnummer onbekend, VBVnummer 114604 en
/of

2. Een motorblok (onderdeelnummer CGG455004) van een Volkswagen Polo en/of

3. Een motorblok (onderdeelnummer CG353441) van een Volkswagen Golf en/of

4. Een motorblok (onderdeelnummer CSG097090) van een Volkswagen en/of

5. Een motorblok (onderdeelnummer CAK798031) van een Volkswagen en/of

6. Een motorblok (onderdeelnummer PSAAH0210DYZM4010011) van een Citroën en/of

7. Een motorblok (onderdeelnummer TXMAW843315D4204T1112323) van een Ford en/of

8. Een motorblok (onderdeelnummer CBZ209808) van een Seat Leon en/of

9. Een motorblok (onderdeelnummer CBZ6047E4) van een Volkswagen en/of

10. Een motorblok (onderdeelnummer CYV333178) van een Volkswagen en/of

11. Een motorblok (onderdeelnummer BXE423204) van een Volkswagen en/of

12. Een motorblok (onderdeelnummer PSAAHO310DQYZZ4002334) van een Fiat Ducato en/of

13. Een motorblok (onderdeelnummer K9KA636D455B00) van een Nissan Quashqai en/of

14. Een motorblok (onderdeelnummer CFG005314) van een Audi TT en/of

15. Een motorblok (onderdeelnummer CKT046820) van een Volkswagen Crafter en/of

16. Een motorblok (onderdeelnummer D4FBDZ2O4Z11) van een Kia Ceed en/of

17. Een motorblok (onderdeelnummer PSAAHO31DYZZ400034) van een Fiat Ducato en/of

18. Een motorblok (onderdeelnummer DRRABM40041) van een Ford Transit en/of

19. Een motorblok (onderdeelnummer DRRACB25424) van een Ford Transit en/of

20. Een motorblok (onderdeelnummer CHH324232) van VAG en
/of

21. Een motorblok (onderdeelnummer CXX311420) van VAG en/of

22. Een motorblok (onderdeelnummer M9TA676C09657) van een Renault en
/of

23. Een motorblok (onderdeelnummer LF20366505) van een Ford en/of

24. Een motorblok (onderdeelnummer SFJBDG00522) van een Ford en/of

25. Een motorblok (onderdeelnummer 20805805 (N57D30A)) van een BMW en/of

26. Een motorblok (onderdeelnummer 84180880 (N47D20C)) van een BMW en/of

27. Een motorblok (onderdeelnummer CFF002452) van een Volkswagen en/of

28. Een motorblok (onderdeelnummer CFJ408854) van een Volkswagen en/of

29. Een motorblok (onderdeelnummer 85353113 (N47D20C)) van een BMW en/of

30. Een motorblok (onderdeelnummer CRB428002) van een Volkswagen en/of

31. Een motorblok (onderdeelnummer CFH500124) van een Volkswagen en/of

32. Een motorblok (onderdeelnummer CFF447050) van een Volkswagen en/of

33. Een motorblok (onderdeelnummer CLA050722) van een auto van VAG (kenteken: [kenteken] ) en/of

34. Een motorblok (onderdeelnummer en motornummer weggeslepen) (VBVnummer 114707) van een Toyota en
/of

35. Een motorblok (onderdeelnummer 2AD680547) van een Toyota en/of

36. Een motorblok (onderdeelnummer 25807400 (N57D30A) van een BMW en/of

37. Een motorblok (onderdeelnummer SH01395005) van een Mazda en/of

38. Een motorblok (onderdeelnummer SH01322500) van een Mazda (kenteken: [kenteken] ) en/of

39. Een motorblok (onderdeelnummer 10DZB6 4018012 van een Peugeot (kenteken: [kenteken] ) en/of

40. Een motorblok (onderdeelnummer PSAAHO1 10DYZP 4011006) van een (Peugeot) en/of

41. Een motorblok (onderdeelnummer 88000220 (N47D20C)) van een BMW (type: 520D) en/of

42. Een motorblok (onderdeelnummer 23005430 (N57D30A)) van een BMW (type: 330) en/of

43. Een motorblok (onderdeelnummer ZFS1516524WJ4) van een BMW (type: B-serie) en/of

44. Een motorblok (onderdeelnummer CFF126652) van VAG en/of

45. Een motorblok (onderdeelnummer CGG108724) van VAG en/of

46. Een motorblok (onderdeelnummer CGG716555) van VAG en/of

47. Een motorblok (onderdeelnummer CBZ207115) van VAG en/of

48. Een motorblok (onderdeelnummer CGG100082 van VAG en/of

49. Een motorblok (onderdeelnummer CGG020300 van VAG en/of

50. Een motorblok (onderdeelnummer CGG466370) van VAG en/of

51. Een motorblok (onderdeelnummer CJE340052) van VAG en
/of

52. Een motorblok (onderdeelnummer CTH118420) van VAG en/of

53. Een motorblok en/of bak (onderdeelnummer PSAAH02 10DYZM 4007148 en/of

baknummer PSA 20GZ075111674) en/of

54. Een motorblok (onderdeelnummer CXX521403) van VAG en/of

55. Een motorblok (onderdeelnummer BLS035523) van VAG en/of

56. Een motorblok (onderdeelnummer CAX356087) van VAG en/of

57. Een motorblok (onderdeelnummer CPT003515) van VAG en/of

58. Een motorblok ((gedeeltelijk) onderdeelnummer CGK0216) van VAG en
/of

59. Een motorblok (onderdeelnummer DDRRADD77054) van een Ford Transit en/of

60. Een motorblok (onderdeelnummer CYRBCG55213) van een Ford Transit en/of

61. Een motorblok (onderdeelnummer CDL068350) van een Volkswagen en/of

62. Een motorblok (onderdeelnummer G4FD EH800032) van een Kia of een Hyundai en/of

63. Een motorblok (onderdeelnummer CKT091810) van een Volkswagen en/of

64. Een motorblok (onderdeelnummer BXE400353) van een Volkswagen en/of

65. Een motorblok (onderdeelnummer CHY047804) van een Volkswagen Up en/of

66. Een motorblok (onderdeelnummer CHY217445) van een Volkswagen Up en/of

67. Een motorblok (onderdeelnummer 7834474 1KR) van een Toyota en/of

68. Een motorblok (onderdeelnummer 85458118 N47D20C) van een BMW en/of

69. Een motorblok (onderdeelnummer 80005081 N47D20C) van een BMW en/of

70. Een motorblok (onderdeelnummer CFG300623) van VAG en/of

71. Een motorblok (onderdeelnummer CJC111452) van VAG en/of

72. Een motorblok (onderdeelnummer CGG323450) van VAG en/of

73. Een motorblok (onderdeelnummer 7857005 1KR) van een Toyota en/of

74. Een motorblok (onderdeelnummer PE02332997) van een Mazda en/of

75. Een motorblok (onderdeelnummer 4A92BH4921 (na etsen)) van een Mitsubishi en/of

76. Een motorblok (gedeeltelijk onderdeelnummer K10B-l) van een Mazda en
/of

77. Een motorblok (onderdeelnummer B4164T 4110010) van een Volvo en/of

78. Een motorblok (onderdeelnummer CBZ562820) van VAG en/of

79. Een motorblok (onderdeelnummer CFG341282) van VAG en/of

80. Een motorblok (onderdeelnummer CPT885718) van VAG en/of

81. Een motorblok (onderdeelnummer CGG434255) van VAG en/of

82. Een motorblok (onderdeelnummer CGG200344) van VAG en/of

83. Een motorblok (onderdeelnummer CAYX52551) van VAG en/of

84. Een motorblok (onderdeelnummer D4HA DZ009220) van een Kia of Hyundai en/of

85. Een motorblok (onderdeelnummer H4BA400 UD073998) van een Renault en/of

86. Een motorblok (onderdeelnummer G4NC DH000200) van een Kia of Hyundai en/of

87. Een motorblok (onderdeelnummer 10 DZ88 4004367 224DT) van een Range Rover en/of

88. Een motorblok (onderdeelnummer 9H06 10JBDL PSA0040645) van een Peugeot en/of

89. Een motorblok (onderdeelnummer 4024204 DZ8O 224DT) van een Jaguar en/of

90. Een motorblok (onderdeelnummer CBZ400522) van VAG en/of

91. Een motorblok (waarvan het onderdeelnummer is verwijderd (VBVnummer 114898)) van een Jaguar en
/of
92. Een motorblok (onderdeelnummer CBD118277) van VAG en
/of

93. Een motorblok (onderdeelnummer CBZ101564) van VAG en/of

94. Een motorblok (onderdeelnummer CXX255354) van VAG en/of

95. Een motorblok (onderdeelnummer CBZ516010) van VAG en/of

96. Een motorblok (onderdeelnummer CFF224103) van VAG en
/of
97. Een motorblok (onderdeelnummer CFG453743) van VAG
en/of

98. Een motorblok (onderdeelnummer CFG430057) van VAG en/of

99. Een motorblok (onderdeelnummer CBD350354,) van VAG en/of

100. Een motorblok (onderdeelnummer CGG433354) van VAG en/of
101. Een motorblok (onderdeelnummer CBA013264) van VAG en/of
102. Een motorblok (onderdeelnummer 270910 30420027) van een Mercedes
103. Een motorblok (onderdeelnummer CFF144345) van VAG en/of
104. Een motorblok (onderdeelnummer CBZ328549) van VAG en/of
105. Een versnellingsbak (bak getriebe) (baknummer V9062606900 711 68000552334) van een Mercedes en/of
106. Een versnellingsbak (bak getriebe) (baknummer 906 26052 00 711 68000321844 van een Mercedes en/of
107. Een versnellingsbak (bak getriebe) (baknummer 906 2602301 711 68000621511 van een Mercedes)
(sub a)
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op genoemde voorwerp althans genoemde voorwerpen was/warenen/of wie genoemd voorwerp althans genoemde voorwerpen
voorhanden had,
immers heeft hij en/of zijn mededaders (telkens) onderdelen van die motorvoertuigen omgekat en/of laten omkatten en/of Voertuig Identificatie Nummers en/of andere (unieke) identificerende nummer(s) van deze voorwerpen daaruit verwijderd en/of laten verwijderen, en/of
(sub b)
heeft hij en/of zijn mededaders (telkens) dat/die voorwerpen verworven, en/of voorhanden gehad, en/of van dat/die voorwerpen gebruik gemaakt
dan wel heeft hij en/of zijn mededaders (telkens) onderdelen van die motorvoertuigenverkregen/verworven en
/ofvoorhanden gehad of gebruik van die voorwerpen gemaakt, terwijl (telkens) die
Voertuig Identificatie Nummers en/of andere(unieke) identificerende nummer(s) van deze voorwerpen
(al) (zichtbaar
)waren verwijderd en/of onleesbaar waren gemaakt,
terwijl hij en zijn mededader
(s)wist
(en
)dat bovenomschreven voorwerp
(en
)geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, (mede) afkomstig
was/waren uit enig misdrijf.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
van het medeplegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het standpunt van de advocaten generaal
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat verdachte veroordeeld zal worden tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast hebben de advocaten-generaal verbeurdverklaring gevorderd van de bedrijfsvoorraad en -gereedschappen en gevorderd dat verdachte voor de duur van vijf jaren ontzet zal worden uit alle aan de autobranche gerelateerde beroepen.
Het standpunt van de verdediging
Nu de verdediging integrale vrijspraak heeft bepleit is zij van mening dat geen straf moet worden opgelegd.
Het oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft, samen met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] , gedurende een lange periode een gewoonte gemaakt van het witwassen van tweedehands automotoren. Als professionele handelaar in tweedehands auto-onderdelen had verdachte kunnen en moeten zien dat het aankopen van deze motoren niet deugde. Door deze toch te kopen heeft hij – minst genomen - de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze van diefstal afkomstig waren. Daarmee heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van een hinderlijke vorm van vermogenscriminaliteit die jaarlijks veel financiële en maatschappelijke schade oplevert, namelijk autodiefstal en de handel in gestolen auto-onderdelen.
Verdachte heeft blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 december 2025 in 2025 een strafbeschikking opgelegd gekregen in verband met een verkeersovertreding. Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing.
Het hof houdt voorts rekening met het feit dat de redelijke termijn voor de behandeling van deze zaak in beide instanties fors is overschreden. In eerste aanleg is de redelijke termijn aangevangen op 14 maart 2018 met de inverzekeringstelling van verdachte. Nu het vonnis van de rechtbank dateert van 14 oktober 2021 is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 19 maanden. In hoger beroep ving de redelijke termijn aan op 27 oktober 2021 met het instellen van het hoger beroep door het Openbaar Ministerie. Het hof wijst heden, op 26 maart 2026, arrest, wat een overschrijding van bijna 2 jaar en 5 maanden oplevert. Gelet echter op de straf die het hof aan verdachte zal opleggen is een verdere verlaging van de straf vanwege de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet noodzakelijk en naar het oordeel van het hof ook niet passend. Het hof zal daarom volstaan met de enkele constatering daarvan.
Alles afwegende legt het hof verdachte een taakstraf op van 100 uren. Deze straf is passend en noodzakelijk.
Daarnaast legt het hof verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 2 maanden. Met het opleggen van deze voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt het hof verdachte er in de toekomst ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.
Het opleggen van de maatregel van ontzetting uit beroepen in de autogarage acht het hof niet passend.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 en 5 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: het beslag, met uitzondering van. voorwerpen die zijn genoemd onder feit 2 en feit 3 op de tenlastelegging.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de voorwerpen die zijn genoemd onder feit 2 en 3 op de tenlastelegging.
Dit arrest is gewezen door
mr. M.E. van der Werf, voorzitter,
mr. O.G. Schuur en mr. R.W.E. van Leuken, raadsheren,
in aanwezigheid van mr. M.A.J.H. Muurmans, griffier, en
uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 maart 2026.
Mr. R.W.E. van Leuken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ook ECLI:NL:GHSHE:2014:2114.