Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1854

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
24/1217
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-waarde en proceskostenvergoeding afgewezen

Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande semibungalow en betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €432.000 per 1 januari 2021 voor het jaar 2022. Na afwijzing van bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.

Het geschil betreft de vraag of de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of belanghebbende beroep moest instellen om over een volledige en juiste onderbouwing van de WOZ-waarde te beschikken, en of de heffingsambtenaar onjuiste objectkenmerken heeft gebruikt bij de waardebepaling. Het hof oordeelt dat belanghebbende deze beroepsgrond niet in de bezwaarfase heeft aangevoerd en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de waarde aannemelijk is gemaakt.

Daarnaast heeft belanghebbende het argument over een onjuiste gebruiksoppervlakte van de woning prijsgegeven, waardoor dit niet in hoger beroep kan worden heropend. Het hof ziet geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en wijst het hoger beroep af. Ook wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/1217
uitspraakdatum:
24 maart 2026nummer 07/00562
111
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 april 2024, nummer ZWO 23/738, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hellendoorn(hierna: de heffingsambtenaar).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 432.000. Tegelijk met deze beschikking is voorts de aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2022 opgelegd.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de vastgestelde waarde alsmede de opgelegde aanslag gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 22 april 2024 ongegrond verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
De griffier van het Hof heeft bij schrijven van 23 juli 2025 partijen gevraagd of zij een mondelinge behandeling van de zaak wensen. Partijen hebben daarop niet binnen de gestelde termijn gereageerd. Het Hof heeft de zaak vervolgens zonder mondelinge behandeling afgedaan en het onderzoek gesloten.

2.De vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een vrijstaande semibungalow, bouwjaar 1951, met een gebruiksoppervlakte (gbo) van 143 m² op een perceel van 830 m². Bij de woning horen een dakkapel en een onderpandige garage.

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In geschil is of de Rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of belanghebbende beroep in moest stellen om over een volledige en juiste onderbouwing van de beschikte waarde te beschikken en of de heffingsambtenaar bij het bepalen van de WOZ-waarde is uitgegaan van onjuiste objectkenmerken waardoor deze de waarde op waardepeildatum niet aannemelijk heeft gemaakt.
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep.
3.3
De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.Beoordeling van het geschil

4.1
Belanghebbende heeft gesteld dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of belanghebbende beroep in moest stellen om over een volledige en juiste onderbouwing van de vastgestelde waarde te beschikken. Daartoe heeft zij naar voren gebracht dat de heffingsambtenaar de waarde in beroepsfase heeft onderbouwd met een eerst in de beroepsfase overgelegde taxatiematrix met – ten opzichte van het taxatieverslag – nieuwe referentieobjecten en dat belanghebbende daardoor genoodzaakt was om beroep in te stellen.
4.2
Het Hof volgt belanghebbende niet in haar stelling. Uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt niet dat belanghebbende een beroepsgrond als hiervoor – onder 4.1 – bedoeld naar voren heeft gebracht. Voorts blijkt uit de stukken van het geding niet dat belanghebbende in de bezwaarfase, anders dan het geval was in de casus die aanleiding vormde voor Hof Arnhem-Leeuwarden 11 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4513, om meer informatie heeft gevraagd dan hij van de heffingsambtenaar heeft ontvangen. Onder die omstandigheden hoefde Rechtbank na haar oordeel dat de heffingsambtenaar in beroep de beschikte waarde op waardepeildatum aannemelijk heeft gemaakt, in het kader van de proceskostenvergoeding niet ook nog een oordeel te geven over die waarde op basis van de in de bezwaarfase overgelegde stukken.
4.3
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het argument dat de heffingsambtenaar bij het bepalen van de WOZ-waarde is uitgegaan van onjuiste objectkenmerken, nu in het taxatieverslag een onjuiste gebruiksoppervlakte staat vermeld.
4.4
In r.o. 3.1. van haar uitspraak, waarvan hoger beroep, heeft de Rechtbank overwogen dat zij de beroepsgrond over de gbo van de woning niet zal bespreken, nu op zitting is gebleken dat gemachtigde dit naar aanleiding van de 3D-tekening van de heffingsambtenaar niet meer betwist.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende dienaangaande opgemerkt: “
Over de gebruiksoppervlakte (gbo) wil ik aanvoeren dat we met 143 m2, zoals nu begroot, moeten leven. Dat geeft de BAG ons ook op. Ik kan hoog of laag springen, maar ik kom niet aan een gbo van 118 m2. Het programma ‘woningweter’ geeft 118 m2 aan, maar verder kan ik het niet onderbouwen.”. Nu de uitspraak en het proces-verbaal van de zitting voor het Hof de enige kenbronnen zijn van wat ter zitting van de Rechtbank verhandeld is, moet het ervoor worden gehouden dat de gemachtigde van belanghebbende zijn beroepsgrond met betrekking tot de gebruiksoppervlakte van de onroerende zaak uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Onder die omstandigheid is het in strijd met een goede procesorde daarop terug te komen in hoger beroep. De Rechtbank is, naar het oordeel van het Hof, terecht ervan uitgegaan dat de gebruiksoppervlakte van de onroerende zaak niet langer in geschil is.
4.5
Belanghebbende heeft voor het overige de oordelen van de Rechtbank over de aannemelijkheid van de beschikte waarde in hoger beroep niet bestreden. Er is het Hof ook overigens niet gebleken dat het oordeel van de Rechtbank op dit punt onjuist is.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, raadsheer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 maart 2026.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel)
(P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.