ECLI:NL:GHARL:2026:187

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
Wahv 200.351.534/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing kantonrechter inzake proceskostenvergoeding bij Wahv-sanctie

De betrokkene werd als kentekenhouder gesanctioneerd voor een ondeugdelijke hulpkoppeling aan het voertuig, met een boete van €150,- die door de kantonrechter werd gematigd tot €112,50 wegens termijnoverschrijding. De betrokkene stelde hoger beroep in tegen deze beslissing, met name gericht op het niet toekennen van een proceskostenvergoeding voor de tweede telefonische hoorzitting bij de officier van justitie.

De kantonrechter had het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd, maar de proceskostenvergoeding voor de tweede hoorzitting niet toegekend. Het hof oordeelt dat dit onterecht is, omdat de gemachtigde van de betrokkene tijd en moeite heeft geïnvesteerd in voorbereiding en aanwezigheid bij deze hoorzitting. Het hof vernietigt daarom het besluit van de kantonrechter voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en kent alsnog een vergoeding toe.

De proceskostenvergoeding wordt berekend aan de hand van punten toegekend voor het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroep, met een wegingsfactor passend bij de lichte aard van de zaak. De advocaat-generaal wordt veroordeeld tot betaling van €1.073,10 aan proceskosten aan de betrokkene.

Het hof bevestigt verder de beslissing van de kantonrechter voor het overige, waaronder de gematigde sanctie. De betrokkene had aangevoerd dat de ambtenaar zich de gedraging niet kon herinneren, maar het hof acht de verklaring van de ambtenaar voldoende betrouwbaar om de gedraging vast te stellen.

Uitkomst: Het hof kent alsnog een proceskostenvergoeding toe voor de tweede telefonische hoorzitting en bevestigt de overige beslissingen van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.351.534/01
CJIB-nummer
: 246146555
Uitspraak d.d.
: 14 januari 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 23 december 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 121,50 (inclusief administratiekosten). Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van
€ 437,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “N660B - (hulp)koppeling/trekdriehoek/trekboom/onderdelen is niet deugdelijk (bevestigd) voldoet niet aan gestelde eisen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 december 2021 om 16:50 uur op de Kortsteekterweg in Alphen aan den Rijn met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de feitcode gewijzigd in “P570” met de bijbehorende gedraging “de hulpkoppeling niet op de vereiste wijze met een vast deel van het trekkend voertuig of inrichting aan de trekinrichting is verbonden”. Het sanctiebedrag is hierbij vastgesteld op een bedrag van € 150,-. De kantonrechter heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard, waaruit het hof concludeert dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten aanzien van de proceskosten-vergoeding in stand houdt. Verder heeft de kantonrechter het sanctiebedrag met 25 procent gematigd tot een bedrag van € 112,50 wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de inleidende beschikking in zijn geheel dient te worden vernietigd, nu de ambtenaar zich de gedraging niet kan herinneren en geen antwoord heeft weten te geven op de vragen van de officier van justitie.
4. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal van 6 april 2022. Dat de ambtenaar zich de details niet meer exact kan herinneren, zegt niets over de waarneming en de verklaring van de ambtenaar over de gedraging. Gelet op de stukken in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
5. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte geen punt heeft toegekend voor de tweede telefonische hoorzitting bij de officier van justitie. De gemachtigde geeft aan dat door de officier van justitie nadere informatie is opgevraagd bij de ambtenaar, dat dit is toegestuurd naar de gemachtigde en dat de gemachtigde tijd heeft geïnvesteerd om de nadere stukken te bestuderen voor de tweede hoorzitting, alwaar de gemachtigde ook aanwezig was. De gemachtigde betwist dat er geen aanvulling is gegeven of dat de gemachtigde zichzelf slechts heeft herhaald. De gemachtigde voegt toe dat zelfs als dat zo zou zijn, de gemachtigde wel tijd heeft geïnvesteerd om zich voor te bereiden op mogelijke vragen van de officier van justitie, wat maakt dat een gedegen voorbereiding noodzakelijk is.
6. De gemachtigde is tweemaal telefonisch door de officier van justitie gehoord. De officier van justitie heeft voor het indienen van het administratief beroepschrift en de eerste telefonische hoorzitting van 7 maart 2022 een vergoeding toegekend, maar voor de tweede telefonische hoorzitting van 31 mei 2022 niet. Ook de kantonrechter heeft voor de tweede telefonische hoorzitting geen vergoeding toegekend. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte geen vergoeding voor de tweede telefonische hoorzitting heeft toegekend. Daarom zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof kent voor de eerste telefonische hoorzitting in administratief beroep overeenkomstig vaste rechtspraak van het hof een half punt toe. Voor de tweede telefonische hoorzitting in administratief beroep kent het hof, gelet op onderdeel A5 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, een kwart punt toe. De waarde per punt bedraagt in administratief beroep € 666,- en in (hoger) beroep € 934,‑. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) in administratief beroep en de procedure bij de kantonrechter toegepast. Aangezien de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de toekenning van een proceskostenvergoeding, past het hof in hoger beroep het gewicht van de zaak 0,25 (gewicht = zeer licht) toe. Omdat de beslissing van de kantonrechter na
31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het arrest van dit hof van 3 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:6853) wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.073,10
(= (1,75 x € 666,- x 0,5) + (1 x € 934,- x 0,5) + (1 x € 934,- x 0,25 x 0,1)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.073,10.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.