ECLI:NL:GHARL:2025:6853

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
Wahv 200.351.508
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Wijma
  • A. Beswerda
  • J. de Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding in hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De zaak betreft een sanctie van € 280,- die aan de betrokkene, een B.V., was opgelegd voor het gebruik van een verdrijvingsvlak. De advocaat-generaal stelde dat de inleidende beschikking niet in stand kon blijven vanwege twijfels over de aanwezigheid van het voertuig op de pleeglocatie. Het hof heeft deze inleidende beschikking vernietigd en de proceskostenvergoeding beoordeeld. Het hof volgde het oordeel van de Hoge Raad uit een eerder arrest van 24 juni 2025, waarin werd gesteld dat de proceskostenvergoeding moet worden berekend met toepassing van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. De gemachtigde van de betrokkene had geen inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel, waardoor het hof niet kon vaststellen of aan de voorwaarden voor een bijzondere behandeling was voldaan. Het hof concludeerde dat er geen sprake was van een bijzonder geval en dat de proceskostenvergoeding op de gebruikelijke wijze moest worden berekend. Uiteindelijk werd de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten tot een bedrag van € 1.060,44.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.351.508/01
CJIB-nummer
: 256915804
Uitspraak d.d.
: 3 november 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 21 november 2024, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 29 september 2025 wordt hier als ingelast beschouwd
.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 280,- voor de gedraging “als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken” opgelegd. Ter zitting heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven, nu er teveel twijfel is of het voertuig van de betrokkene ten tijde van de gedraging op de pleeglocatie is geweest. Het hof kan zich hiermee verenigen en zal de inleidende beschikking daarom vernietigen.
2. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de hoogte daarvan overweegt het hof het volgende. Het hof stelt vast dat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 bekend is gemaakt. Derhalve dient in het onderhavige geval te worden beoordeeld of de vermenigvuldigingsfactor als bedoeld in het tweede lid van artikel 13a van de Wahv dient te worden toegepast.
3. Op 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:HR:2025:985).
4. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de werkingssfeer van de regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv opgemerkt dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv), ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over Wahv, het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.
5. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
6. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op deze afbakening van de werkingssfeer van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet kan worden gezegd dat de wetgever verder is gegaan dan nodig om het als legitiem aangemerkte doel van het wetsvoorstel te bereiken, te weten voorkomen dat proceskostenvergoedingen dermate hoog uitvallen dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van het Bpb dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is daarom geen sprake.
7. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad vermeld in r.o. 6. Aangezien het arrest van de Hoge Raad is gewezen nadat de gemachtigde hoger beroep had ingesteld, hoefde hij niet bedacht te zijn op de in dat arrest geformuleerde regels. Daarom is de gemachtigde door de griffier van het hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op de in dat arrest geformuleerde regels en in dat verband zo nodig nadere gegevens te verstrekken. De gemachtigde heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. Ook ter zitting van het hof heeft de gemachtigde gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren op de door de Hoge Raad geformuleerde regels met betrekking tot toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 13a van de Wahv.
8. De gemachtigde voert - kort samengevat - aan dat de Hoge Raad drie criteria heeft geformuleerd voor de toepassing van de Whpkv. Deze eisen zijn cumulatief zodat de toetsing bij het eerste criterium strandt als daaraan niet is voldaan. Een kenmerk van een no cure no pay is dat er geen instapvergoeding is verschuldigd noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgedragen. Voor rechtsbijstandsverlening door de gemachtigde dient te allen tijde een onvoorwaardelijk instapvergoeding te worden voldaan. Op basis van zaken waarin door rechtsbijstand de WOZ-waarde wordt aangepast, kan worden terug beredeneerd hoe hoog de instapvergoeding moet zijn. Met een afgeleide berekening komt de gemachtigde voor zaken als de onderhavige tot een gemiddelde instapvergoeding van € 13,02. Rechtszoekenden betalen bij de gemachtigde een instapvergoeding van € 12,99. Onder verwijzing naar de effecten van invoering van een kleine vergoeding door een aanbieder van openbaar vervoer in België, wijst de gemachtigde op het drempeleffect van zelfs een klein tarief. De nadere precisering door de Hoge Raad dat het moet gaan om no cure no pay of een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt, moet zo worden begrepen dat het gaat om een afspraak waarbij de rechtszoekende zo goed als niets betaalt. Daarvan is geen sprake bij de gemachtigde. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan het eerste criterium dat sprake moet zijn van no cure no pay en daarmee is het bepaalde in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet op zaken waarin de gemachtigde optreedt van toepassing.
9. De advocaat-generaal voert aan dat de Hoge Raad sinds april 2025 in zijn jurisprudentie over de beperking van proceskostenvergoeding consequent bij de omschrijving van no cure no pay vermeldt dat het ook kan gaan om een overeenkomst die op een lijn kan worden gesteld met no cure no pay. Het is aannemelijk dat de Hoge Raad met deze nadere kwalificering heeft beoogd te voorkomen dat een gering instapbedrag ertoe leidt dat niet meer aan het criterium van no cure no pay wordt voldaan. Ten aanzien van het door de gemachtigde gerekende tarief voert de advocaat-generaal aan dat het nog steeds een fractie is van de totale in een concrete zaak toe te kennen proceskostenvergoeding indien het bepaalde in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet wordt toegepast. Voor zover de gemachtigde heeft willen bepleiten dat er een drempelwerking van het instaptarief uitgaat, is de advocaat-generaal van mening dat het sowieso op de weg van de gemachtigde als rechtsbijstandsverlener ligt om kansloze zaken af te wijzen.
10. In het arrest van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, heeft de Hoge Raad in r.o. 3.4.5. geoordeeld dat indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of het kantoor worden overgedragen, aldus zal moeten worden beoordeeld of het bedrijfsmodel van de gemachtigde of het kantoor voldoet aan het kenmerk van vergaande overdekking.
11. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Voor zover de gemachtigde stelt dat rechtzoekenden een zogenaamde instapvergoeding dienen te voldoen van € 12,99 voordat namens hen een procedure wordt gestart, waarvan overigens niet is gesteld of gebleken dat de betrokkene in het onderhavige geval een dergelijke vergoeding heeft betaald, brengt het enkel in rekening brengen van een (beperkte) vergoeding nog niet mee dat geconcludeerd kan worden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet aan alle onder overweging 4. bedoelde kenmerken voldoet. Naar het oordeel van het hof gaat het er niet om of in een individuele zaak (deels) niet wordt voldaan aan één van de genoemde kenmerken, maar of het bedrijfsmodel waarop de dienstverlening is gestoeld, in zijn geheel daaraan niet voldoet. De door de gemachtigde gerekende instapvergoeding moet worden beoordeeld in relatie tot het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde om te kunnen oordelen of het geval kennelijk niet alle hiervoor vermelde drie kenmerken heeft. De gemachtigde heeft zijn stelling niet verder onderbouwd en geen inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel, zodat dit niet kan worden vastgesteld.
12. Gelet op het voorgaande is met hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan het bedrijfsmodel van de gemachtigde van de betrokkene één of meer kenmerken niet heeft. Er is geen sprake van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. De vergoeding van de proceskosten gemaakt in hoger beroep zal daarom worden berekend op de voet van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv.
13. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift, de nadere toelichting op het hoger beroep en het verschijnen ter zitting van het hof dienen in totaal 4,5 punten te worden toegekend. Het hof merkt hierbij op dat de gemachtigde ter zitting van het hof heeft medegedeeld dat in de uitspraak van de kantonrechter abusievelijk is vermeld dat hij ter zitting van de kantonrechter is verschenen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 2, derde lid, Bpb.
14. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.060,44 (= (1 x € 647,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5 ) + (2,5 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond en vernietigt die beschikking;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.060,44.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, Beswerda en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd het arrest te ondertekenen.