ECLI:NL:GHARL:2026:1880

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.352.824/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 2 BWArt. 3:170 BWArt. 3:172 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling voormalige echtelijke woning en uitleg echtscheidingsconvenant

Partijen zijn in 1987 gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2018 gescheiden. De woning viel binnen de gemeenschap en werd door de man verlaten in mei 2018. Partijen sloten een convenant met afspraken over de woning, waaronder dat de vrouw de woning zou overnemen zodra zij de man uit de hypotheek kon ontslaan.

De man wilde de woning verkopen aan een derde omdat de vrouw niet kon overnemen, de vrouw wilde het onverdeeld laten. De rechtbank bepaalde in 2025 dat de woning verkocht moest worden aan een derde. De vrouw ging in hoger beroep en trok haar grieven tegen verkoop in, maar stelde vragen over de verdeling van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering en een vergoeding voor onderhoudskosten.

Het hof oordeelde dat de levensverzekering niet al in het convenant was verdeeld en dat bij verkoop de waarde van de levensverzekering gelijk verdeeld moet worden. De vrouw heeft geen aanspraak op vergoeding van onderhoudskosten omdat deze onvoldoende onderbouwd waren en grotendeels bestonden uit woonlasten en schoonmaakkosten. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en bepaalde de wijze van verkoop en verdeling, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat de woning aan een derde wordt verkocht met gelijke verdeling van de opbrengst en levensverzekering, en wijst de vergoeding voor onderhoudskosten af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.824
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad 574801
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van
[appellante],
die woont in [woonplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna: “de vrouw”,
advocaat: mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats] ,
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie,
hierna: “de man”,
advocaat: mr. P. de Haan te Almere.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 5 februari 2025.
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit;
- de dagvaarding in hoger beroep, met de grieven en incidentele vorderingen
- de memorie van antwoord in het incident
- het arrest in het incident, uitgesproken op 1 juli 2025
- de memorie van antwoord
- de brief van de zijde van de man van 12 februari 2025 met enkele producties
- het proces verbaal (schriftelijk verslag) van de mondelinge behandeling gehouden op 24 februari 2026.
Hierna hebben partijen (opnieuw) arrest gevraagd.

2.De kern van de zaak met de feiten

2.1
Partijen zijn [in] 1987 in wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Deze huwelijksgemeenschap is ontbonden op 7 mei 2018, de datum waarop de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend. De echtscheidingsbeschikking van 28 mei 2018 is op 13 juni 2018 ingeschreven in de daarvoor bedoelde registers.
2.2
In de huwelijksgemeenschap viel een woning op het [adres] te [plaats] . De man heeft die woning op 1 mei 2018 verlaten. Vanaf dat moment heeft de vrouw de lasten van die woning gedragen.
2.3
De woning is door een door de vrouw ingeschakelde taxateur op 12 februari 2025 getaxeerd op een verkoopwaarde van € 390.000. De (aflossingsvrije) hypotheek bedraagt € 187.500. Voor die hypotheek is een beleggingsverzekering (hierna te noemen: levensverzekering) afgesloten met een maandpremie van € 165,08. Aan die levensverzekering is nog gekoppeld een beleggingsrekening.
2.4
Partijen hebben over de gevolgen van de echtscheiding afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een op 30 april 2018 ondertekend convenant. Onderdeel daarvan zijn afspraken over de verdeling van de echtelijke woning. Deze afspraken luiden:
Artikel 2 ECHTELIJKE Pro WONING
2.1
De echtelijke woning van partijen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] , zal in de toekomst aan dc vrouw in eigendom worden toegescheiden zodra zij ertoe in staat zal zijn de bank de man te laten ontslaan uit zijn hoofdelijke verplichtingen jegens de hypotheekhouder. Tot die tijd zal de woning onverdeeld blijven. Indien de vrouw de woning uiteindelijk niet zal overnemen zal deze dienen te worden verkocht.2.2 De man zal de woning met ingang van 1 mei 2018 verlaten, waarna het gebruik van de woning uitsluitend voor de vrouw is. Zij zal in de lasten van de woning voorzien.2.3 Partijen zullen de kosten verband houdende met de overdracht van de woning bij
helfte delen.2.4 De waarde van de woning zal ten tijde van de overname worden bepaald door een door partijen gezamenlijk in te schakelen NVM makelaar. De vrouw zal aan de man een bedrag zijnde de helft van de overwaarde, welke bestaat na aftrek van de nog openstaande hypotheek ten tijde van de overdracht van de woning, alsmede de eventuele boete in verband met het vroegtijdig aflossen van de hypotheek, voldoen. In het geval van een onderwaarde zal de man aan de vrouw de helft daarvan dienen te voldoen. Indien de woning verkocht zal worden zal de overwaarde tussen partijen bij helfte worden gedeeld en een eventuele restschuld door partijen bij helfte worden afgelost.2.5 De aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering van partijen met als polisnummer [nummer] zal aan de vrouw worden toebedeeld en door haar worden voortgezet.
2.5
Tussen partijen is verschil van mening ontstaan over de verdeling van de woning. De man wilde dat de woning aan een derde verkocht zou worden, omdat volgens hem de vrouw niet in staat is om de woning over te nemen met ontslag van hem uit de hoofdelijkheid. De vrouw wilde echter dat de woning nog onverdeeld zou blijven tot het moment dat zij de woning kon overnemen. De man is op 24 april 2024 een procedure begonnen bij de rechtbank over de verdeling van de woning. In die procedure was verder nog in geschil of “de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering” in het convenant al was toegedeeld aan de vrouw zonder verrekening van de waarde van die verzekering en of de vrouw aanspraak kan maken op vergoeding door de man van de helft van onderhoudskosten die zij naar haar zeggen heeft gemaakt voor de woning.
2.6
Die procedure heeft geleid tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 5 februari 2025. In dat vonnis heeft de rechtbank het volgende bepaald:
4.1
gelast de volgende wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande
gemeenschap:
a. de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen binnen
vier weken na dit vonnis gezamenlijk een schriftelijke verkoopopdracht zullen
geven aan een door hen aan te wijzen makelaar; ten behoeve van die aanwijzing zal
de man binnen een termijn van één week na heden drie NVM-makelaars voorstellen
aan de vrouw, die er op haar beurt binnen één week één uit zal kiezen:
b. als er geen onderlinge overeenstemming is. zullen partijen het advies van de
makelaar over de vraag- en laatprijs als leidend accepteren:
c. de levering van de woning aan een derde zal niet eerder dan drie maanden, nadat de
woning in de verkoop is gezet, plaatsvinden. Bij verkoop en levering van de woning
moet:
- de levensverzekering bij [naam1] worden afgekocht:
- de beleggingsrekening worden beëindigd;
- de op de woning rustende hypothecaire geldlening worden afgelost; en moeten
- de kosten verbonden aan de verkoop en levering worden voldaan.
Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende (netto)
opbrengst en ieder voor de helft draagplichtig voor een eventuele restschuld;
Wat meer of anders was gevorderd door partijen is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd.
2.7
Van dat vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij schorsing gevorderd van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Op het verzoek tot schorsing is beslist in het incidenteel arrest van 1 juli 2025. Het hof heeft na een afweging van de belangen de uitvoerbaarheid bij voorraad geschorst. Een vordering van de vrouw om de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan het transport aan haar van de woning, is afgewezen, omdat die vordering te ver vooruitloopt op de beslissing in de hoofdzaak.
2.8
Tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft de vrouw haar grieven tegen de beslissing van de rechtbank dat de woning verkocht moet worden aan een derde ingetrokken. Zij heeft verklaard dat zij kan instemmen met de beslissingen van de rechtbank “onder 4.1 a., 4.1 b., en 4.1. c, voor wat betreft de leveringstermijn (niet eerder dan drie maanden nadat de woning in de verkoop is gezet)”.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1
Na de gedeeltelijke intrekking door de vrouw van haar grieven, liggen in hoger beroep nog de volgende vragen ter beantwoording voor:
a.) heeft in het convenant al verdeling plaatsgevonden van de “aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering”, waarbij de verzekering zonder verrekening van de waarde is toegedeeld aan de vrouw,
b.) heeft de vrouw aanspraak op vergoeding door de man van € 13.070,22, zijnde de helft van de kosten die zij volgens haar heeft gemaakt voor het onderhoud van de woning.
de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering is niet al verdeeld in het convenant
3.2
De vraag of in het convenant al verdeling heeft plaatsgevonden van de
levensverzekering is een kwestie van een uitleg van het convenant naar redelijkheid. Het komt daarbij niet alleen aan op de bewoordingen van artikel 2.5 van het convenant, gelezen in de context van het convenant, maar ook op alle overige omstandigheden van het geval.
3.3
Met inachtneming daarvan is het hof van oordeel dat in het convenant niet al een verdeling van de levensverzekering heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt vooropgesteld dat de bewoordingen van artikel 2.5 van het convenant niet dwingen tot de uitleg dat verdeling daarvan al in dat convenant heeft plaatsgevonden. Integendeel, daarin staat dat de levensverzekering
zal(onderstreping hof) worden toegedeeld aan de vrouw. De bewoordingen van de bepaling duiden er dus op dat de verdeling pas op een later moment zal plaatsvinden.
3.4
Verder maakt de bepaling deel uit van artikel 2 dat Pro gaat over de verdeling van de woning. In artikel 2.1 is over de verdeling van de woning uitdrukkelijk bepaald dat die (ook) pas op een later tijdstip zal plaatsvinden; de woning zal aan de vrouw worden toegescheiden “zodra zij [hof: de vrouw] ertoe in staat zal zijn de bank de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke verplichtingen jegens hypotheekhouder”. Over de hypotheek, die nog op naam van de man en de vrouw staat, is in het convenant niet afzonderlijk iets bepaald, maar (mede) gelet op de formulering van de voorwaarde voor toedeling van de woning aan de vrouw, is (kennelijk) bedoeld dat bij toescheiding van de woning aan de vrouw de hypotheek alleen op haar naam komt te staan. Met de bepaling in het convenant dat de “levensverzekering die aan de hypotheek is gekoppeld” aan de vrouw zal worden toebedeeld, is dan kennelijk bedoeld dat pas bij de toedeling van de woning aan de vrouw die levensverzekering aan haar wordt toebedeeld. Immers, pas vanaf dat moment is alleen zij jegens de hypotheekhouder aansprakelijk voor de nakoming van de hypotheekverplichtingen, waaraan de levensverzekering gekoppeld is.
De vrouw heeft geen (overtuigende) argumenten aangedragen die aanleiding geven voor een andere uitleg. Ook heeft zij geen omstandigheden aangevoerd die in dit geval voor zo’n andere uitleg toereikend zouden zijn. Dat de vrouw de verzekering zou hebben toegedeeld gekregen omdat de man onder meer de inboedel kreeg, is door de man gemotiveerd betwist. Volgens de man is zoiets destijds ook niet tussen partijen besproken. Dit laatste is door de vrouw niet weersproken, in elk geval niet op voldoende duidelijke en gemotiveerde wijze.
3.5
In deze uitleg, dat niet al in het convenant de levensverzekering aan de vrouw is toegedeeld, ligt besloten dat toen niet de levensverzekering aan haar is toegedeeld zonder verrekening van de waarde. Voor het geval in de stellingen van de vrouw moet worden gelezen dat ook bij verdeling op een later moment de levensverzekering aan haar moet worden toegedeeld zonder verrekening van waarde, ook als verdeling plaatsvindt door verkoop van de woning aan een derde, wordt ook die stelling verworpen. Dat wordt hieronder toegelicht.
de waarde van de levensverzekering dient bij helfte tussen partijen verdeeld te worden bij de verkoop van de woning
3.6
Uit de tekst van artikel 2.5 van het convenant en uit de door partijen gegeven toelichtingen volgt dat die bepaling geschreven is voor de situatie dat de woning (met de hypotheek) aan de vrouw zou worden toegedeeld. Omdat partijen het er (inmiddels) over eens zijn dat de woning moet worden verdeeld door verkoop aan een derde, ligt in de rede dat de hypotheek niet zal kunnen worden voortgezet, maar zal moeten worden afgelost bij de verkoop en levering van de woning. Gelet op die aflossing valt niet in te zien dat ook dan nog geldt dat de “levensverzekering die aan de hypotheek is gekoppeld” aan de vrouw dient te worden toegedeeld; de hypotheek waaraan de levensverzekering is gekoppeld bestaat dan immers niet meer. In het convenant lijkt niet voorzien te zijn in de (wijze van) verdeling van de levensverzekering in het geval dat de woning niet aan de vrouw wordt toegedeeld en de hypotheek wordt beëindigd/afgelost bij de verkoop van de woning. In die lacune dient daarom te worden voorzien. Het hof acht het redelijk en voor de hand liggend dat in die situatie ook de levensverzekering wordt beëindigd bij de verkoop en levering aan de koper en dat de in de levensverzekering opgebouwde waarde aan ieder van partijen voor de helft toekomt. Uitgangspunt bij een gemeenschap is immers dat ieder van de deelgenoten een gelijk aandeel heeft (art. 3:166 lid 2 BW Pro).
3.7
Aanknopingspunten om daarvan af te wijken in de situatie dat de woning wordt verkocht zijn niet aangevoerd. De vrouw heeft nog wel aangevoerd dat in een concept van het convenant van 27 maart 2018 in 2.6 als laatste zin was opgenomen: “De waarde ten tijde van de ondertekening van dit convenant zal tussen partijen bij helfte worden verdeeld”, en dat die zin na overleg tussen partijen is komen te vervallen. De man heeft echter betwist dat hij dat concept onder ogen heeft gehad en dat daarover overleg is gevoerd. Omdat verder uit niets blijkt dat de man het concept inderdaad onder ogen heeft gekregen en dat daarover overleg is geweest, gaat het hof aan dat argument voorbij.
3.8
Over de waarde van de levensverzekering die in de verdeling moet worden betrokken heeft de man in hoger beroep gesteld “dat de waarde van (…) de beleggingsverzekering (hof: de levensverzekering) dient te worden betrokken in de waardering en de verdeling naar het tijdstip van datum convenant” (randnummer 36 MvA). Omdat de vrouw van de datum van het convenant alle premies voor de levensverzekering heeft voldaan, zal het hof dat volgen.
3.9
De subsidiaire stelling van de vrouw, dat in geval van verrekening van de waarde van de levensverzekering (ten tijde van de verkoop van de woning) zij aanspraak maakt op de helft van de door haar vanaf de datum van het convenant voldane premies voor de levensverzekering, wordt verworpen. Voor zover de bedoelde premies hebben geleid tot een hogere waarde van de levensverzekering, komt dit voordeel op grond van wat in de vorige rechtsoverweging is overwogen, reeds ten goede aan de vrouw. Voor zover de premie de waarde van de levensverzekering niet heeft verhoogd, dient de premie, zoals de man heeft opgemerkt, beschouwd te worden als een woonlast welke op grond van artikel 2.2 van het convenant vanaf 1 mei 2018 voor rekening komt van de vrouw.
de vrouw heeft geen aanspraak op de helft van door haar beweerdelijk gemaakte onderhoudskosten voor de woning
3.1
De vrouw heeft gesteld dat zij in de periode na de echtscheiding € 26.140,43 aan onderhoudskosten voor de woning heeft gehad. Zij maakt op aanspraak op een vergoeding door de man van de helft van die kosten. De man heeft zich daartegen verweerd.
3.11
De vrouw heeft een gedetailleerde specificatie, gedeeltelijk voorzien van foto’s, overgelegd van de volgens haar aan de woning verrichte werkzaamheden. Volgens de vrouw gaat het hoofdzakelijk om kosten van werkzaamheden die zijn uitgevoerd door haar dochter. Het betreft, aldus de vrouw, werkzaamheden die zijn uitgevoerd tegen een uurtarief van € 32,50 excl. btw. De vrouw stelt dat het gaat om gewone onderhoudskosten als bedoeld in art. 3:170 BW Pro, waarvoor ingevolge art. 3:172 BW Pro de kosten door partijen ieder voor de helft gedragen moeten worden.
3.12
Uit de door de vrouw overgelegde specificatie van de werkzaamheden en de door de vrouw op de zitting gegeven (gedeeltelijke) toelichting daarop, kan het hof niet afleiden dat het gaat om werkzaamheden die vallen onder de reikwijdte van artikel 3:170 BW Pro. Uit de specificatie blijkt dat het in hoofdzaak gaat om schoonmaakkosten en kosten die zijn gemaakt om de woning aan te passen aan de woonwensen van de vrouw (en haar dochter), maar niet om werkzaamheden die waren gericht op het nodig onderhoud of behoud van de woning zelf waartoe de vrouw gelet op artikel 3:170 lid 1 BW Pro zelfstandig bevoegd zou zijn geweest. Voor zover de kosten daar toch onder zouden vallen, betreft het – zoals de man in dit verband terecht opgemerkt – in elk geval lasten van de woning die als gebruikelijke woonlasten op grond van artikel 2.2 van het convenant voor rekening komen van de vrouw.
3.13
Bovendien is onvoldoende onderbouwd dat daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht waarvan de vrouw de kosten heeft voldaan of alsnog zal voldoen.
De beweerdelijke werkzaamheden zouden geheel of in elk geval in belangrijke mate zijn verricht door de (inwonende) dochter die de vrouw. Die heeft daarvoor met name in 2018/2019 al aan de vrouw gefactureerd. Op die facturen staat dat zij pas opeisbaar zijn bij “verkoop van de woning”. Dat wekt bevreemding, omdat het in 2018/2019 nog de bedoeling was dat de vrouw de woning zelf zou overnemen, zodat verkoop nog wel eens (heel) lang op zich zou kunnen laten wachten. Die facturen heeft de vrouw naar eigen zeggen ook nog steeds niet voldaan, zodat zij ook nog geen werkelijke kosten heeft gehad.
Verder is de vrouw onbetwist pas met de facturen is gekomen na de taxatie van de woning begin 2024, dus jaren nadat de (meeste) facturen aan haar verstrekt zouden zijn.
Het hof is van oordeel dat de vrouw geen voldoende duidelijke en begrijpelijke verklaring heeft gegeven voor het gegeven dat de facturen pas opeisbaar zouden zijn bij verkoop van de woning, en voor het feit dat de man pas vele jaren later over de facturen is geïnformeerd.
Een en ander doet twijfelen aan de stellingen van de vrouw over de gemaakte onderhoudskosten. Zij heeft haar stelling dat zij die kosten heeft gemaakt en dat de man die mede dient te dragen, daarmee ook onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
Het komt daarmee dus voor rekening van de vrouw dat zij de beweerdelijke werkzaamheden destijds ook niet met de man heeft besproken en dat die werkzaamheden geheel buiten hem om zijn verricht.
3.14
De vrouw heeft nog wel bewijs aangeboden van de door haar uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden, maar dat aanbod is in het licht van wat hiervoor is overwogen onvoldoende gemotiveerd en te weinig specifiek over de feiten en omstandigheden waarvan bewijs wordt aangeboden, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
3.15
Aan de subsidiaire aanspraak van de man op een gebruiksvergoeding bij toekenning aan de vrouw van een vergoeding voor onderhoudskosten komt het hof bij deze stand van zaken niet toe.
de conclusie
3.16
Het vonnis van de rechtbank blijft in hoger beroep grotendeels in stand.
Omdat aan het vonnis geen uitvoering is gegeven en partijen pas na dit arrest tot verkoop van de woning over zullen gaan, zal om praktische redenen het vonnis geheel vernietigd worden.
3.17
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen). Dit geldt ook voor de kosten van het incident waarin het hof op 1 juli 2025 heeft beslist.
3.18
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 5 februari 2025 en beslist:
4.2
gelast de volgende wijze van verdeling van de tussen partijen nog bestaande
gemeenschap:
a. de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen binnen
vier weken na dit vonnis gezamenlijk een schriftelijke verkoopopdracht zullen
geven aan een door hen aan te wijzen makelaar; ten behoeve van die aanwijzing zal
de man binnen een termijn van één week na heden drie NVM-makelaars voorstellen
aan de vrouw, die er op haar beurt binnen één week één uit zal kiezen:
b. als er geen onderlinge overeenstemming is, zullen partijen het advies van de
makelaar over de vraag- en laatprijs als leidend accepteren:
c. de levering van de woning aan een derde zal niet eerder dan drie maanden, nadat de
woning in de verkoop is gezet, plaatsvinden. Bij verkoop en levering van de woning
moet:
- de levensverzekering bij [naam1] worden beëindigd/afgekocht:
- de beleggingsrekening worden beëindigd;
- de op de woning rustende hypothecaire geldlening worden afgelost; en moeten
- de kosten verbonden aan de verkoop en levering worden voldaan:
d. bepaalt dat partijen ieder gerechtigd zijn tot helft van de waarde van de levensverzekering per 30 april 2018 en dat het verschil tussen de waarde van de levensverzekering per 30 april 2018 en de waarde op de datum van beëindiging/afkoop van de levensverzekering aan de vrouw toekomt (positief danwel negatief), welk verschil door partijen zal worden verrekend bij de verdeling van de netto-opbrengst van de woning. De vrouw zal dus alleen gerechtigd zijn tot het eventuele positieve verschil tussen die waarde en de waarde op de dag van beëindiging. Indien het verschil negatief mocht zijn, dient de vrouw dat verschil te dragen in die zin dat het in mindering komt op haar helft van de waarde per 30 april 2018;
e. bepaalt dat het saldo van de beleggingsrekening per de datum van beëindiging van deze rekening bij helfte moet worden verdeeld;
f. partijen zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de (netto) opbrengst uit de verkoop van de woning en ieder voor de helft draagplichtig voor een eventuele restschuld;
4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (in het incident en in de hoofdzaak), in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, A.A.J. Smelt en M.E.L. Klein , en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
24 maart 2026.