AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen bankhelpdeskfraude met schadevergoedingen
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 30 maart 2026 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en opnieuw recht gedaan in de zaak van verdachte die werd verdacht van bankhelpdeskfraude.
Verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting, diefstal in vereniging door middel van valse sleutels, deelname aan een criminele organisatie en het ontvangen en voorhanden hebben van gegevens bestemd voor misdrijven. De feiten betroffen grootschalige fraude waarbij voornamelijk oudere vrouwen werden benaderd met een vals telefoonscript, waarna bankpassen en pincodes werden verkregen en geld en waardevolle goederen werden ontvreemd.
Het hof achtte een deel van de tenlastelegging bewezen en sprak verdachte vrij van andere onderdelen. De straf werd vastgesteld op 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling. Tevens werden schadevergoedingen toegewezen aan diverse benadeelde partijen, waaronder materiële en immateriële schade, en werden vorderingen van banken deels toegewezen. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep voor bepaalde vrijspraken van de rechtbank.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en toewijzing van schadevergoedingen aan benadeelden.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002308-24
Uitspraakdatum: 30 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 mei 2024 met parketnummer
16-266245-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 16 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt:
dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep met betrekking tot delen van de feiten 1 en 2 en met betrekking tot feit 4;
dat verdachte voor de feiten 1 (deels), 2 (deels), 3 en 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden;
dat de op de beslaglijst vermelde goederen kunnen worden teruggegeven aan de beslagene.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. F.N. Dijkers, en mr. S. Hasançebi, gemachtigde van de benadeelde partij [benadeelde partij7] / [benadeelde partij8] , hebben aangevoerd. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van wat mevrouw [naam1] namens de benadeelde partij ABN AMRO bank en van wat mevrouw [naam2] van Slachtofferhulp namens de benadeelde partijen [benadeelde partij1] , [benadeelde partij2] , [benadeelde partij3] , [benadeelde partij4] , [benadeelde partij5] en [benadeelde partij6] naar voren heeft gebracht.
De omvang van het hoger beroep
Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat aan de verdachte onder de feiten 1 en 2 meerdere strafbare feiten impliciet cumulatief zijn ten laste gelegd, waarbij de afzonderlijke zaken telkens zijn aangeduid met een eigen zaaknummer.
Verdachte is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van de onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde zaaknummers 2, 3, 4, 8, 9, 10, 12, 13 en 40, en van het onder 4 tenlastegelegde.
Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen de vrijspraak van voornoemde onderdelen van de feiten 1 en 2 en tegen de vrijspraak van feit 4. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen voormelde, in het vonnis gegeven vrijspraken.
Het vonnis
De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van dagbesteding en het verlenen van medewerking aan schuldhulpverlening.
Het hof komt in dit arrest op onderdelen tot een andere beslissing dan de rechtbank Midden-Nederland over het bewijs, de kwalificatie en de vorderingen van benadeelde partijen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging nader omschreven. Aan verdachte is na deze nadere omschrijving, en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:
1. zij, in of omstreeks de periode van 24 februari 2023 tot en met 12 oktober 2023, te [plaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere rekeninghouder(s), althans enig persoon handelend namens die rekeninghouder(s), van de ABN AMRO bank en/of de ING bank en/of ICS en/of de Rabobank en/of de Triodos bank en/of de SNS bank en/of de Volksbank en/of de TD bank, te weten
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van geld en/of een of meerdere bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of mobiele telefoon(s) en/of iPad(s) en/of tablet(s) en/of laptop(s) en/of computer(s) en/of siera(a)d(en) en/of juwe(e)l(en) en/of merktas(sen) en/of horloge(s) en/of identifier(s), althans een of meer andere goederen, en/of tot het ter beschikking stellen van (inlog)gegevens (waaronder IBAN-nummer en/of gebruikersnaam en/of wachtwoord en/of telefoonnummer en/of geboortedatum en/of e-mailadres en/of autorisatiecode en/of pincode) van zijn/haar/hun bankaccount(s) en/of van vergrendelcodes van mobiele apparaten, althans een of meer andere gegevens, door:
- zich onder valse naam voor te doen als een bankmedewerker, en/of
- voornoemde rekeninghouder(s) te vertellen dat er getracht werd geld over te maken van zijn/haar/hun bankrekening en/of dat er een (groot) geldbedrag was gepind en/of afgeschreven van zijn/haar/hun bankrekening en/of dat zijn/haar/hun bankrekening was gehackt en/of dat er verdachte transacties hebben plaatsgevonden en/of dat er onregelmatigheden zijn gesignaleerd en/of dat de bankrekening en laptop beveiligd moeten worden, en/of
- te vertellen dat er een medewerker van de bank langs zou komen om contant geld en/of bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of mobiele telefoon(s) en/of iPad(s) en/of tablet(s) en/of laptop(s) en/of computer(s) en/of siera(a)d(en) en/of juwe(e)l(en) en/of merktas(sen) en/of horloge(s) en/of identifier(s) op te halen, en/of
- haar mededaders bij de woning van voornoemde rekeninghouder(s) langs te laten gaan, welke zich aldaar voordeden als medewerker van de bank en/of daar om afgifte van voornoemde goederen moesten vragen,
waardoor bovengenoemde rekeninghouder(s) en/of ander(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
2. zij, in of omstreeks de periode van 24 februari 2023 tot en met 6 oktober 2023, te [plaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), welk(e) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een of meerdere rekeninghouder(s), althans enig persoon handelend namens die rekeninghouder(s), van de ABN AMRO bank en/of de ING bank en/of ICS en/of de Rabobank en/of de Triodos bank en/of de SNS bank en/of de Volksbank en/of de TD bank, te weten
waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader(s) het weg te nemen geld onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s),
- door zonder toestemming gebruik te maken van de betreffende bankpas(sen) en/of de (bij de bankpas(sen) behorende) pincode(s) en/of daarmee geld te pinnen, en/of
- door zonder toestemming met de verkregen (inlog)gegevens geld over te boeken en/of online goederen te bestellen, in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s) niet gerechtigd was/waren;
3. zij, in of omstreeks de periode van 24 februari 2023 tot en met 12 oktober 2023, te [plaats] , in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van oplichting als bedoeld in artikel 326 vanPro het Wetboek van Strafrecht en/of het plegen van diefstal in vereniging als bedoeld in artikel 311 vanPro het Wetboek van Strafrecht;
5. zij, in of omstreeks de periode van 11 september 2023 tot en met 12 oktober 2023 te [plaats] , in elk geval in Nederland, gegevens, te weten bestanden bevattende (identificerende) persoonsgegevens en/of bankgegevens en/of adresgegevens van een groot aantal personen en/of huishoudens, heeft ontvangen, zich heeft verschaft, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van een in artikel 326 vanPro het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 311 vanPro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, terwijl deze feiten betrekking hadden op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank heeft in haar vonnis met betrekking tot het bewijs van het onder 1 en 2 onder meer als volgt overwogen:
Inleiding
Verdachte is naar voren gekomen in het onderzoek ‘Kaya.’ Dit betreft een onderzoek naar grootschalige bankhelpdeskfraude. In het procesdossier van het onderzoek ‘Kaya’ bevindt zich een grote hoeveelheid aangiftes, waaruit blijkt dat er mensen zijn opgelicht waarbij in veel gevallen geld en/of goederen zijn gestolen. Dit gebeurde middels de volgende modus operandi.
De slachtoffers, vrouwen op leeftijd, werden gebeld door een persoon die zich voordeed als een medewerker van de fraude-afdeling van de bank waar de slachtoffers klant waren. De beller was altijd een vrouw, stelde zich in een aantal gevallen voor met de voornaam Kelly en gebruikte als achternaam Smit. Slachtoffers werd overeenkomstig een ‘script’ verteld dat er getracht was een bedrag van hun rekening af te schrijven en dat de bank daarom de rekening van de slachtoffers moest blokkeren. Vaak werd er verteld dat er getracht was een bedrag van € 1.400,00 af te schrijven naar Duitsland. De beller noemde persoonlijke gegevens van de slachtoffers om zo hun vertrouwen te winnen en hen te doen geloven dat zij daadwerkelijk met de bank van doen hadden. Die gegevens haalde de beller uit een lange lijst met namen, telefoonnummers, geboortedata en bankrekeningnummers (ook wel ‘leads’ genoemd).
Slachtoffers werden er op deze manier toe bewogen om telefonisch hun pincode door te geven. Daarnaast werd hen door de beller verteld dat er een bankmedewerker bij hen langs zou komen om hun bankpas(sen) op te halen. Die pas(sen), maar ook andere (waardevolle) goederen als laptops, telefoons en sieraden moesten daarom in een envelop worden gedaan met daarop het door de beller doorgegeven dossiernummer. Vervolgens werd daadwerkelijk bij de slachtoffers aangebeld door een nepbankmedewerker die het dossiernummer ter verificatie noemde. Deze persoon nam de bankpas(sen) en/of andere waardevolle goederen mee. Met de aan deze persoon afgegeven bankpas werd vervolgens gepind, met gebruikmaking van de eerder door het slachtoffer aan de beller doorgegeven pincode.
Verdenking verdachte
Naar aanleiding van een aangifte op 4 juli 2023 van oplichting door bankhelpdeskfraude is er door de politie op basis van de beschreven modus operandi in de aangifte, onderzoek gedaan in de politiesystemen. Hieruit bleek dat er een groot aantal aangiftes was met een vergelijkbare modus operandi. Uit analyse van telefoniegegevens kwam vast te staan dat de telefoon van de beller in de onderzochte zaken voornamelijk dezelfde mast in [plaats] aanstraalde. Met behulp van een technisch hulpmiddel werd uiteindelijk de precieze locatie vastgesteld vanwaar er werd gebeld, dit bleek de [adres] in [plaats] . Op 12 oktober 2023 werd daar verdachte aangehouden. Zij was op dat moment aan het bellen met één van de slachtoffers (zaak 19). De woning van verdachte is doorzocht. Bij de doorzoeking zijn onder andere telefoons inbeslaggenomen.
Onderzoek inbeslaggenomen telefoons
De inbeslaggenomen telefoons zijn door de politie onderzocht. Een van de onderzochte telefoons betreft een Iphone SE, eindigend op IMEInummer * 1304 . Dit betreft de telefoon waarmee verdachte aan het bellen was op het moment dat zij op heterdaad werd aangehouden. Verdachte heeft bekend dat zij deze telefoon heeft gekregen om met potentiële slachtoffers te bellen en dat zij ook daadwerkelijk met meerdere slachtoffers heeft gebeld met deze telefoon. Uit onderzoek naar deze telefoon is gebleken dat verdachte heeft gebeld met de volgende aangevers: [benadeelde partij15] (zaak 17), [benadeelde partij16] (zaak 18), [benadeelde partij17] (zaak 19), [benadeelde partij26] (zaak 29), [benadeelde partij27] (zaak 30), [benadeelde partij28] (zaak 31), [benadeelde partij29] (zaak 32), [benadeelde partij30] (zaak 33), [benadeelde partij33] (zaak 36), [benadeelde partij43] (zaak 49), [benadeelde partij44] (zaak 50), [benadeelde partij8] / [benadeelde partij7] (zaak 51), [benadeelde partij45] (zaak 52), [benadeelde partij46] (zaak 53), [benadeelde partij4] (zaak 54). [benadeelde partij48] (zaak 55), [benadeelde partij49] (zaak 56) en [benadeelde partij50] (zaak 57).
(…)
Nader onderzoek zendmasten
De politie heeft tevens onderzoek gedaan naar de telefoon- en IMEI-nummers waarmee de aangevers zijn gebeld. Op basis van de historische gegevens is daarbij achterhaald dat een groot aantal aangevers is gebeld door telefoontoestellen met IMEI-nummers die aanstralen op twee zendmasten te weten de masten gelegen aan de [zendmast adres1] en de [zendmastadres2] in [plaats] . Dit betreffen de zendmasten waartussen de woning van verdachte is gelegen.
(…)
De politie heeft (…) op basis van een (…) aangifte een (…) IMEI-nummer achterhaald, te weten een IMEI-nummer eindigend op * 1964. Nader onderzoek heeft ertoe geleid dat de telefoontjes die met het toestel met dit IMEI-nummer hebben plaatsgevonden zijn te koppelen aan de volgende aangiftes: [benadeelde partij13] (zaak 11), [benadeelde partij2] (zaak 14), [benadeelde partij14] (zaak 15), [benadeelde partij3] (zaak 21), [benadeelde partij24] (zaak 27), [benadeelde partij25] (zaak 28), [benadeelde partij34] (zaak 37), [benadeelde partij35] (zaak 38), [benadeelde partij6] (zaak 39), [benadeelde partij36] (zaak 41), [benadeelde partij37] (zaak 42), [benadeelde partij1] (zaak 43), [benadeelde partij38] (zaak 44), [benadeelde partij39] (zaak 45), [benadeelde partij40] (zaak 46), [benadeelde partij41] (zaak 47) en [benadeelde partij42] (zaak 48).
Deze personen zijn alle gebeld vanaf 1 augustus 2023, in een periode waarin verdachte ook naar eigen zeggen actief is geweest en zich voordeed als een medewerker van de fraude-afdeling van de bank waar de betreffende personen klant waren.
De rol van verdachte
Verdachte is op heterdaad aangehouden en heeft bekend zich bezig gehouden te hebben met bankhelpdeskfraude. Met betrekking tot de hiervoor genoemde zaken, die alle plaatsvonden vanaf 1 augustus 2023, is in hoger beroep geen verweer gevoerd. Desgevraagd heeft de verdediging laten weten dat verdachte in zoverre als bekennende verdachte mag worden aangemerkt. Het hof acht de feiten onder 1 en 2, voor zover zij zien op deze zaken, op grond van het dossier in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
Zaaknummers 34 en 35
In een andere, onder verdachte inbeslaggenomen telefoon, te weten een Iphone 14 Pro Max, zijn zoekopdrachten gevonden die te linken zijn aan specifieke aangevers namelijk: [benadeelde partij31] (zaak 34) en [benadeelde partij32] (zaak 35). Ook zij zijn benaderd door een zogenaamde bankhelpdeskmedewerker en ook met hun bankpassen zijn er onbevoegdelijk gelden gepind. Verdachte heeft hierover verklaard dat de Iphone Pro Max haar (privé)telefoon was, dat zij gebruik maakte van deze telefoon en dat zij de zoekopdrachten heeft verricht op de telefoon. Ze heeft verklaard naar pinautomaten in de omgeving van de betrokken slachtoffers te hebben gezocht.
De verdediging heeft met betrekking tot deze zaken vrijspraak bepleit. Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachte de notities met betrekking tot de aangevers [benadeelde partij31] en [benadeelde partij32] gemaakt heeft in de periode dat zij werd ingewerkt en nog niet zelfstandig belde naar slachtoffers.
Het hof verwerpt dit verweer. Verdachte werd naar eigen zeggen ingewerkt door een ervaren belster zodat verdachte zich de handelingen en het script eigen kon maken om vervolgens zelfstandig te kunnen gaan bellen en zich als bankhelpdeskmedewerkster voor te doen met als doel het overhalen van slachtoffers om onder meer pincodes, pinpassen, geld en andere goederen af te geven. Verdachte heeft daaraan tijdens haar “opleiding” al een actieve bijdrage geleverd door notities te maken respectievelijk zoekopdrachten uit te voeren. Het hof is van oordeel dat in de periode dat verdachte werd “ingewerkt” sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en dat er dus sprake is van medeplegen.
IMEI-nummer eindigend op * 8484
Op basis van een andere aangifte is ook een IMEI-nummer achterhaald, eindigend op
* 8484. Nader onderzoek heeft ertoe geleid dat de telefoontjes die met het toestel met dit IMEI-nummer hebben plaatsgevonden zijn te koppelen aan de aangiften (voor zover in hoger beroep nog aan de orde) van [benadeelde partij9] (zaak 1), [benadeelde partij10] (zaak 5), [benadeelde partij11] (zaak 6), [benadeelde partij12] (zaak 7), [benadeelde partij51] (zaak 20), [benadeelde partij19] (zaak 22), [benadeelde partij20] (zaak 23), [benadeelde partij21] (zaak 24), [benadeelde partij22] (zaak 25) en [benadeelde partij23] (zaak 26) van vergelijkbare bankhelpdeskfraudezaken. Het IMEI-nummer * 8484 straalde in de periode vanaf juli 2023, zendmasten aan waar tussen de woning van verdachte is gelegen.
Ook met betrekking tot deze zaken heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Daartoe is onder meer aangevoerd dat verdachte niet zonder meer kan worden gekoppeld aan het IMEI-nummer eindigend op * 8484.
Dit verweer slaagt. Uit het dossier volgt dat de gevoerde telefoontjes met het toestel met dit IMEI-nummer zijn gevoerd in de maand juli 2023. Hierbij zijn dezelfde zendmasten aangestraald als in de hiervoor besproken gevallen, die zich vanaf augustus 2023 voordeden en waarbij verdachte betrokken was. De woning van verdachte bevond zich tussen die zelfde beide zendmasten. Ook heeft het hof verdachte in het voorgaande gekoppeld aan zaak 34, waaruit volgt dat zij op 30 juni 2023 actief is geweest.
Deze vaststellingen vormen weliswaar aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte bij de zaken in juli 2023, maar het hof acht deze aanwijzingen tegen de achtergrond van het onderhavige dossier niet zonder meer voldoende voor de vaststelling dat verdachte daadwerkelijk degene is geweest die met het toestel met dit IMEI-nummer heeft gebeld. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het dossier blijkt van een criminele organisatie (feit 3) waarin meerdere personen vanuit [plaats] opereerden. In het licht daarvan acht het hof het aanstralen van twee zendmasten in [plaats] , nabij de woning van (onder andere) verdachte onvoldoende concreet bewijs voor haar betrokkenheid bij deze zaken. Het hof zal verdachte daarom van deze onderdelen van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijspreken.
Belperiode
Verdachte heeft wisselend verklaard over de datum waarop zij is gestart met bellen. Het hof gaat voor de te bewezen verklaren periode uit van een start op 30 juni 2023, gelet op de aangifte van [benadeelde partij31] (zaak 34). De periode eindigt op de dag dat verdachte is aangehouden met de aangifte van [benadeelde partij17] (zaak 19).
Met betrekking tot feiten 3 en 5
Het hof acht op grond van het dossier eveneens bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 3) en dat zij gegevens heeft verworven en voorhanden heeft gehad die bestemd waren om de onder 1 en 2 tenlastegelegde misdrijven te plegen (feit 5). Verdachte heeft deze feiten bekend en er zijn in hoger beroep geen bewijsverweren gevoerd met betrekking tot deze feiten.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. zij in of omstreeks de periode van 30 juni 2023 tot en met 12 oktober 2023 te [plaats] , meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere rekeninghouder(s) van de ABN AMRO bank en/of de ING bank en/of ICS en/of de Rabobank en/of de Triodos bank en/of de SNS bank en/of de Volksbank en/of de TD bank, te weten
heeft bewogen tot de afgifte van geld en/of een of meerdere bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of mobiele telefoon(s) en/of iPad(s) en/of tablet(s) en/of laptop(s) en/of computer(s) en/of siera(a)d(en) en/of juwe(e)l(en) en/of merktas(sen) en/of horloge(s) en/of identifier(s), althans een of meer andere goederen, en/of tot het ter beschikking stellen van (inlog)gegevens (waaronder IBAN-nummer en/of gebruikersnaam en/of wachtwoord en/of telefoonnummer en/of geboortedatum en/of e-mailadres en/of autorisatiecode en/of pincode) van zijn/haar/hun bankaccount(s) en/of van vergrendelcodes van mobiele apparaten, althans een of meer andere gegevens, door:
- zich onder valse naam voor te doen als een bankmedewerker, en/of
- voornoemde rekeninghouder(s) te vertellen dat er getracht werd geld over te maken van zijn/haar/hun bankrekening en/of dat er een (groot) geldbedrag was gepind en/of afgeschreven van zijn/haar/hun bankrekening en/of dat zijn/haar/hun bankrekening was gehackt en/of dat er verdachte transacties hebben plaatsgevonden en/of dat er onregelmatigheden zijn gesignaleerd en/of dat de bankrekening en laptop beveiligd moeten worden, en/of
- te vertellen dat er een medewerker van de bank langs zou komen om contant geld en/of bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of mobiele telefoon(s) en/of iPad(s) en/of tablet(s) en/of laptop(s) en/of computer(s) en/of siera(a)d(en) en/of juwe(e)l(en) en/of horloge(s) en/of identifier(s) op te halen, en/of
- haar mededaders bij de woning van voornoemde rekeninghouder(s) langs te laten gaan, welke zich aldaar voordeden als medewerker van de bank en/of daar om afgifte van voornoemde goederen moesten vragen,
waardoor bovengenoemde rekeninghouder(s) en/of ander(en) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
2. zij in de periode van 30 juni 2023 tot en met 6 oktober 2023 te [plaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), welk(e) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een of meerdere rekeninghouder(s), althans enig persoon handelend namens die rekeninghouder(s), van de ABN AMRO bank en/of de ING bank en/of ICS en/of de Rabobank en/of de Triodos bank en/of de SNS bank en/of de Volksbank en/of de TD bank, te weten
waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader(s) het weg te nemen geld onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s),
- door zonder toestemming gebruik te maken van de betreffende bankpas(sen) en/of de (bij de bankpas(sen) behorende) pincode(s) en/of daarmee geld te pinnen, en/of
- door zonder toestemming met de verkregen (inlog)gegevens geld over te boeken en/of online goederen te bestellen, in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan zij, verdachte en/of haar mededader(s) niet gerechtigd was/waren;
3. zij, in de periode van 30 juni 2023 tot en met 12 oktober 2023 te [plaats] heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van oplichting als bedoeld in artikel 326 vanPro het Wetboek van Strafrecht en/of het plegen van diefstal in vereniging als bedoeld in artikel 311 vanPro het Wetboek van Strafrecht;
5. zij in de periode van 11 september 2023 tot en met 12 oktober 2023 te [plaats] , gegevens, te weten bestanden bevattende (identificerende) persoonsgegevens en/of bankgegevens en/of adresgegevens van een groot aantal personen en/of huishoudens, heeft ontvangen en voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van een in artikel 326 vanPro het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 311 vanPro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, terwijl deze feiten betrekking hadden op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de feiten 1, 2 en 5 sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
Beoordeling hof
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van eendaadse samenloop, is van belang of tussen de bewezenverklaarde feiten eenheid van tijd en plaats bestaat en of de betrokken strafbepalingen een vergelijkbare strekking hebben.
De betrokken wetsbepalingen bij de feiten 1, 2 en 5 zijn opgenomen in verschillende titels van het Wetboek van Strafrecht en dienen elk ter bescherming van een ander rechtsbelang. De bewezenverklaarde gedragingen onder deze feiten laten zich bovendien zeer goed los van elkaar voorstellen in tijd en plaats. Feitelijk is dit ook het geval geweest: het wegnemen van geldbedragen van bankrekeningen vond op een ander moment en op een andere locatie plaats dan de oplichting. Het voorhanden hebben van persoonsgegevens die bestemd waren voor het plegen van misdrijven, vond ook plaats op momenten dat er niet actief werd opgelicht en/of gestolen. Het hof is daarom van oordeel dat van eendaadse samenloop geen sprake is.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een misdrijf omschreven in artikel 311 enProartikel 326 vanPro het
Wetboek van Strafrecht, terwijl het feit betrekking heeft op de verkrijging van een
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich op grote schaal samen met anderen schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude. Zij heeft zich in telefoongesprekken voorgedaan als bankhelpdeskmedewerker waarbij zij slachtoffers voorhield dat er geldbedragen werden afgeschreven van hun rekeningen en dat zij konden voorkomen dat (meer) geld zou worden afgeschreven als zij de instructies van verdachte zouden volgen. De slachtoffers werden vervolgens bewogen hun pincodes door te geven en hun pinpassen in een envelop te doen, waarna deze door een zogenaamde “bankmedewerker” werden opgehaald. Met de pinpassen werden vervolgens geldbedragen opgenomen en aankopen gedaan. Daarnaast werd de slachtoffers voorgehouden dat zij er goed aan zouden doen om luxe goederen mee te geven zodat de bank deze veilig voor hen zou kunnen bewaren. Op deze geraffineerde wijze werden de slachtoffers niet alleen hoge geldbedragen ontfutseld maar in een aantal gevallen ook mobiele telefoons, tablets en sieraden van grote (emotionele) waarde. De slachtoffers waren voornamelijk vrouwen van hoge leeftijd; een kwetsbare groep waar verdachte en haar mededaders op georganiseerde en professionele wijze op grote schaal misbruik van hebben gemaakt. Door het handelen van verdachte is het vertrouwen van de slachtoffers en van de samenleving in het digitale betalingsverkeer en het bankwezen ernstig geschaad. Voor de slachtoffers geldt daarnaast dat de feiten vaak ook een grote negatieve invloed hebben gehad op hun vertrouwen in de medemens. Deze vorm van frauduleus handelen kenmerkt zich hierdoor, dat vaak de woning van de slachtoffers wordt betreden. In die zin onderscheidt het zich, ook in strafwaardigheid, van andere vormen van financiële fraude die vaak ‘op afstand’ afspeelt. De woning is een plek waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen; dat gevoel van veiligheid is de slachtoffers in deze zaak geweld aangedaan, zoals ook blijkt uit de toelichtingen die slachtoffers hebben gegeven ter onderbouwing van hun vordering tot immateriële schade. Verdachte heeft door zich voor te doen als bankhelpdeskmedewerker een aansturende en faciliterende rol gehad waarbij zij onderdeel was van een crimineel samenwerkingsverband dat op grote schaal bankhelpdeskfraude pleegde. Met haar handelen heeft verdachte enkel oog gehad voor haar eigen financiële gewin en heeft zij zich op geen enkel moment rekenschap gegeven van de gevolgen die haar handelen voor de slachtoffers zou hebben, ook niet op momenten waarop zij haar slachtoffers in paniek of huilend aan de telefoon had.
Bij het bepalen van de straf heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 februari 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De reclassering heeft meerdere malen over verdachte gerapporteerd, meest recentelijk op 10 maart 2026. Uit dit laatste rapport komt naar voren dat verdachte zich binnen het kader van de voorwaardelijke schorsing van de voorlopige hechtenis begeleidbaar opstelt en intrinsieke motivatie toont voor gedragsverandering. Verdachte heeft drie minderjarige kinderen en kampt met schulden uit het verleden. De kans op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, het meewerken aan het verkrijgen en behouden van dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening.
Het hof is, overeenkomstig de rechtbank, van oordeel dat gelet op wat hiervoor is overwogen over de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, mede vanuit een oogpunt van normbevestiging en generale preventie, het opleggen van een langdurige gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Het hof acht onder feiten 1 en 2 een minder groot aantal zaken bewezen dan de rechtbank. Dat doet naar het oordeel van het hof echter niet af aan de aard en ernst van de feiten, noch aan het grootschalige en georganiseerde karakter ervan.
De verdediging heeft bepleit om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van maximaal 15 maanden. Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte en realiseert zich dat de gevolgen van een hernieuwde detentie groot zullen zijn. Naar het oordeel van het hof zou oplegging van een dergelijke straf echter onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat – ook al komt het hof tot een beperktere bewezenverklaring dan de rechtbank - een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden passend en geboden is. Deze straf is gelijk aan de straf die eerder door de rechtbank is opgelegd. Naar het oordeel van het hof is met oplegging van dit voorwaardelijke strafdeel in voldoende mate rechtgedaan aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 PenitentiairePro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 WetboekPro van Strafvordering, aan de orde is.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Inleiding
In deze strafzaak hebben 26 personen zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Daarnaast hebben De Volksbank, Rabobank en ABN AMRO zich in het strafproces gevoegd in verband met door hen vergoede schade aan meerdere benadeelden.
Een aantal van deze benadeelde partijen heeft op de zitting van 15 februari 2023 bij de rechtbank en/of op de zitting van 16 maart 2026 bij het hof een toelichting op de vordering gegeven. De benadeelde partijen vorderen verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de daartoe geldende wettelijke rente.
De rechtbank heeft een deel van de vorderingen geheel of gedeeltelijk toegewezen en een deel van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep heeft een deel van de benadeelde partijen de oorspronkelijke vordering gehandhaafd. In die gevallen ligt de gehele vordering voor ter beoordeling aan het hof. Voor zover een vordering niet is gehandhaafd, heeft het hof alleen te oordelen over het deel van de vordering dat door de rechtbank is toegewezen. In één geval, namelijk door benadeelde [benadeelde partij49] , is op het daartoe bestemde formulier aangekruist dat zij de vordering in hoger beroep verlaagt.
Standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld
dat de vordering van ABN Amro kan worden toegewezen tot een bedrag van
dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij45] geheel kan worden toegewezen;
dat de beslissingen van de rechtbank op de vorderingen van de benadeelde partijen voor het overige in stand kunnen blijven.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak met betrekking tot de zaken 5, 6, 7, 22, 24, 26 en 35, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun respectieve vorderingen.
Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van een aantal afzonderlijke zaaknummers de vorderingen (op onderdelen) betwist.
Oordeel van het hof
Vorderingen die in hoger beroep niet aan het hof voorliggen.
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde met betrekking tot (onder meer) zaaknummers 2, 10, 12 en 13.
De verdachte is met betrekking tot deze zaaknummers niet-ontvankelijk in het hoger beroep, omdat de rechtbank verdachte van deze zaaknummers heeft vrijgesproken. Dat betekent dat het hof met betrekking tot deze zaaknummers geen beslissingen kan nemen. Dat geldt ook voor de daarmee verband houdende vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij52] , [benadeelde partij5] , [benadeelde partij53] en [benadeelde partij54] . Zij zijn daarom niet in de hieronder weergegeven tabel vermeld.
Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun respectieve vorderingen
Verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde handelen met betrekking tot meerdere zaaknummers waardoor de gestelde schade van een aantal benadeelde partijen zou zijn veroorzaakt. Het hof verklaart de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding voor zover zij betrekking hebben op zaaknummers 5, 6, 7, 22, 24 en 26.
De inhoudelijke beoordeling van de vorderingen
Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (artikel 6:95 lid 1 BWPro).
Beoordeling van de gevorderde materiële schade
Afgegeven en weggenomen geldbedragen
Het hof stelt vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partijen gestelde schade die is gelegen in de door hen afgegeven dan wel van hen weggenomen (gepinde) geldbedragen. Deze schadeposten, die door de verdediging niet zijn betwist, zijn voldoende onderbouwd. Het hof acht deze schadeposten (geleden verlies in de zin van artikel 6:96 lid 1 BWPro) ten aanzien van alle vorderingen toewijsbaar nu zij in voldoende mate zijn komen vast te staan. In de gevallen waarin (een deel van) deze schade reeds door een bank aan de benadeelde partij is vergoed, komt het reeds vergoede geldbedrag niet voor toewijzing in aanmerking.
Afgegeven en/of weggenomen goederen
In een aantal gevallen is schade gevorderd die verband houdt met (de vervanging van) goederen die door de benadeelden zijn afgegeven dan wel van hen zijn weggenomen. Ook dit betreft telkens materiële schade die in rechtstreeks verband staat met de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Het hof zal de hoogte van de schade per geval vaststellen. Het gaat om de navolgende benadeelde partijen en schadeposten.
[benadeelde partij25] (zaak 28)
De benadeelde partij [benadeelde partij25] heeft een bedrag van € 829,- voor de aanschaf van een nieuwe iPad en een bedrag van € 77,85 voor de aanschaf van een nieuw paspoort gevorderd.
Het hof acht de kosten voor het vervangen van het paspoort geheel toewijsbaar. Met betrekking tot de iPad acht het hof - evenals de raadsman – een schade overeenkomstig de dagwaarde van de oude iPad toewijsbaar. Het hof maakt gebruik van zijn schattingsbevoegdheid en begroot de schade op een bedrag van € 500,-. Deze schadeposten zullen in zoverre worden toegewezen.
[benadeelde partij32] (zaak 35)
De benadeelde partij [benadeelde partij32] heeft een bedrag van € 485,- gevorderd voor de aanschaf van een nieuwe telefoon. Met betrekking tot deze telefoon acht het hof - evenals de raadsman – een schade overeenkomstig de dagwaarde van de oude telefoon toewijsbaar. Het hof maakt gebruik van zijn schattingsbevoegdheid en schat de schade op een bedrag van € 350,-. Deze schadepost zal in zoverre worden toegewezen.
[benadeelde partij6] (zaak 39)
De benadeelde partij [benadeelde partij6] heeft een bedrag van € 199,96 gevorderd voor de vervanging van een tablet. Dit bedrag is onderbouwd met een kassabon van de aanschaf van een nieuwe tablet, waarop 20 procent afschrijving is toegepast omdat de oude tablet 1 jaar oud was. De hoogte van deze schade is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal deze schadepost daarom volledig toewijzen.
[benadeelde partij1] (zaak 43)
De benadeelde partij [benadeelde partij1] heeft een bedrag van 125 euro gevorderd, zijnde de restwaarde van een laptop en een bedrag van € 51,50 voor installatiesoftware op de nieuwe laptop.
Het hof maakt gebruik van zijn schattingsbevoegdheid en schat de schade op het gevorderde bedrag van € 125,-, nu dat het hof niet onredelijk voorkomt.
Het hof is met betrekking tot de installatiesoftware voor de nieuwe laptop, anders dan de raadsman, van oordeel dat ook dit schade betreft die rechtstreeks verband houdt met de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten en dat het redelijk is in de zin van artikel 6:98 BWPro om deze schade toe te wijzen.
[benadeelde partij38] (zaak 44)
De benadeelde partij [benadeelde partij38] heeft een bedrag van € 500,- gevorderd voor een telefoon. Met betrekking tot deze schade acht het hof - evenals de raadsman - de dagwaarde van de oude telefoon toewijsbaar. Het hof maakt gebruik van zijn schattingsbevoegdheid en schat de schade op een bedrag van € 150,-. Deze schadepost zal in zoverre worden toegewezen.
De benadeelde partij [benadeelde partij7] heeft een bedrag van € 450,- gevorderd, zijnde de dagwaarde van een iPad. Dit bedrag is onderbouwd door op de nieuwwaarde een percentage in verband met afschrijving toe te passen. De hoogte van deze schade is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal deze schadepost daarom volledig toewijzen.
[benadeelde partij50] (zaak 57)
De benadeelde partij [benadeelde partij50] heeft een bedrag van € 556,- gevorderd voor een weggenomen iPhone. Dit bedrag is onderbouwd door op de nieuwwaarde van € 606,- een door de inboedelverzekering vergoed bedrag van € 50,- voor audiovisuele- en computerapparatuur in mindering te brengen. Op de waarde van de telefoon is geen afschrijving toegepast, nu deze minder dan één jaar oud was. De hoogte van de gevorderde schade is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal deze schadepost daarom volledig toewijzen.
Overige materiële schadeposten
[benadeelde partij49] (zaak 56)
De benadeelde partij [benadeelde partij49] heeft in eerste aanleg een bedrag van € 25,04 gevorderd, betreffende materiële schade. In hoger beroep heeft het hof een wensenformulier ontvangen waarop is vermeld dat de benadeelde partij het bedrag van de Rabobank vergoed heeft verkregen. Het hof begrijpt daaruit dat er geen resterende schade meer wordt gevorderd en zal de benadeelde partij [benadeelde partij49] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
[benadeelde partij50] (zaak 57)
De benadeelde partij [benadeelde partij50] heeft een bedrag van € 100,- gevorderd in verband met het eigen risico van de inboedelverzekering. Het hof acht deze schadepost toewijsbaar nu er geen aanwijzingen zijn dat de benadeelde partij in het verzekeringsjaar 2023 het eigen risico heeft moeten aanspreken vanwege andere omstandigheden.
“Beveiligingskosten” (meerdere zaken)
Meerdere benadeelde partijen hebben materiële schade gevorderd die onder de noemer ‘beveiligingskosten’ kunnen worden geschaard. Dit betreft bijvoorbeeld de aanschaf van deurbelcamera’s, en van een vaste telefoon waarmee nummers geblokkeerd kunnen worden. Deze schadeposten staan naar het oordeel van het hof in voldoende rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde feiten, zijn voldoende onderbouwd, en zijn niet door de verdediging betwist. Het hof zal deze schadeposten in de betreffende gevallen dan ook geheel toewijzen.
Vorderingen van de benadeelde partijen Rabobank, Volksbank, ABN Amro
De vorderingen van de benadeelde partijen Rabobank, Volksbank en ABN Amro bestaan uit een optelsom van bedragen die deze banken aan meerdere van hun klanten, die door het handelen van verdachte zijn benadeeld, hebben uitgekeerd om hen schadeloos te stellen. Het hof acht deze vorderingen toewijsbaar voor zover zij betrekking hebben op zaaknummers die onder de bewezenverklaring vallen. Dat betreft in het geval van Rabobank om een optelling van de (al dan niet gedeeltelijke) schadeloosstellingen aan aangevers in zaaknummers 33 ( [benadeelde partij30] ), 54 ( [benadeelde partij4] ), 55 ( [benadeelde partij48] ), 56 ( [benadeelde partij49] ). In het geval van Volksbank gaat het om een optelling van de (al dan niet gedeeltelijke) schadeloosstellingen aan aangevers in zaaknummers 49 ( [benadeelde partij43] ), 36 ( [benadeelde partij33] ), 50 ( [benadeelde partij44] ), 52 ( [benadeelde partij45] ). Ten aanzien van de ABN AMRO gaat het om een optelling van (al dan niet gedeeltelijke) schadeloosstellingen aan aangevers in zaaknummers 11 ( [benadeelde partij13] ), 14 ( [benadeelde partij2] ), 28 ( [benadeelde partij25] ), 30 ( [benadeelde partij27] ), 34 ( [benadeelde partij31] ), 34 ( [benadeelde partij32] ), 37 ( [benadeelde partij34] ), 39 ( [benadeelde partij6] ), 41 ( [benadeelde partij36] ), 42 ( [benadeelde partij37] ), 44 ( [benadeelde partij38] ), 45 ( [benadeelde partij39] ), 47 ( [benadeelde partij41] ), 48 ( [benadeelde partij42] ), 53 ( [benadeelde partij46] ), 46 ( [benadeelde partij24] ).
Wat betreft de daarnaast door Volksbank en ABN AMRO gevorderde onderzoekskosten, is het hof van oordeel dat het redelijk is (in de zin van artikel 6:98 BWPro) deze toe te wijzen, nu het aannemelijk is dat deze kosten zijn gemaakt en deze in voldoende rechtstreeks verband staan met de bewezenverklaarde feiten. Het hof zal de gevorderde onderzoekskosten van Volksbank toewijzen zoals gevorderd. Het hof zal de gevorderde onderzoekskosten van ABN AMRO slechts toewijzen naar het rato van het aantal benadeelden ten aanzien waarvan de feiten onder 1 en 2 zijn bewezenverklaard en voor zover de benadeelden klant waren bij ABN AMRO. Dat betekent dat het hof deze schadepost zal toewijzen tot een bedrag van (16 benadeelden x € 120,- =) € 1.920,-.
Beoordeling van de gevorderde immateriële schade
Op basis van artikel 6:106 lidPro 1, aanhef en onder b, BW kan een benadeelde aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van niet-vermogensschade, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn/haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn of haar persoon is aangetast.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen in deze strafzaak telkens slachtoffer zijn geweest van één of meer vermogensdelict(en), namelijk telkens van (kortgezegd) oplichting en/of diefstal. Van lichamelijk letsel of een schending in zijn of haar eer of goede naam is dan ook geen sprake.
Van de hiervoor bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval
sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop
beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in
verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is
vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden
vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden
aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de
gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en
onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval
zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens
moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de
normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor
de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden
aangenomen.
[benadeelde partij14] (zaak 15)
De benadeelde partij [benadeelde partij14] heeft een bedrag van € 600,- aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van het hof kan deze schadepost volledig worden toegewezen, nu in de onderbouwing voldoende concreet is gemaakt dat in haar geval psychische schade is ontstaan, waarvoor zij EMDR-therapie heeft ondergaan. Het hof ziet geen aanleiding om de hoogte van deze schade, die niet is betwist, op een ander bedrag dan de gevorderde € 600,- te schatten.
[benadeelde partij1] (zaak 43)
De benadeelde partij [benadeelde partij1] heeft eveneens een bedrag van € 600,- aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van het hof kan deze schadepost volledig worden toegewezen, nu in de onderbouwing met een verslag van de GGZ voldoende concreet is gemaakt dat in haar geval psychische schade is ontstaan. Het hof ziet geen aanleiding om de hoogte van deze schade, die niet is betwist, op een ander bedrag dan de gevorderde € 600,- te schatten.
Overige gevorderde immateriële schadeposten
Ten aanzien van de overige benadeelde partijen die immateriële schade hebben gevorderd, heeft het hof terdege kennisgenomen van de veelal schrijnende situaties die achter de gevorderde bedragen schuilgaan. Het hof heeft daar oog voor en deze schadeposten zijn op zichzelf beschouwd dan ook invoelbaar.
De juridische lat voor toewijzing van immateriële schade ligt echter hoog. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. In deze zaak gaat het om vermogensdelicten waarvan naar het oordeel van het hof niet zonder meer kan worden gezegd dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Nu een wettelijke grondslag ontbreekt, is de gevorderde immateriële schade van de betreffende benadeelde partijen niet toewijsbaar.
Proceskosten
[benadeelde partij14] (zaak 15)
De benadeelde partij [benadeelde partij14] heeft een bedrag van € 74,58 aan proceskosten gevorderd. Het hof acht deze kosten voldoende onderbouwd en zal deze daarom toewijzen.
De overige benadeelde partijen hebben geen proceskostenvergoeding gevraagd. Het hof zal de proceskosten in al deze gevallen daarom begroten op nihil.
Niet toegewezen vorderingen of schadeposten
Het hof is van oordeel dat, indien en voor zover een vordering van een benadeelde partij niet of niet geheel wordt toegewezen, die benadeelde in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en dat elk van de benadeelde partijen zijn/haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Wettelijke rente
Het hof zal ten aanzien van elk van de in de tabel genoemde benadeelde partijen (genummerd als 1 tot en met 48) op de voet van artikel 36f de op te leggen betalingsverplichting vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum en over het bedrag zoals in de tabel in de kolom “Wettelijke rente per:” ten aanzien van elke toegewezen vordering is gespecificeerd. Ten aanzien van de vordering van de banken zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf de laatste datum waarop de betreffende bank een benadeelde een (gedeeltelijke) schadeloosstelling heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregelen
Het voorgaande brengt met zich dat het hof ter zake van elke toegewezen vordering als hieronder vermeld in de tabel in de kolom “Toewijsbaar:” aan verdachte ter zake van de onder feiten 1 en/of 2 bewezen verklaarde ten behoeve van de desbetreffende benadeelde partij (telkens) de verplichting zoals bedoeld in artikel 36f Sr kan opleggen tot betaling aan de Staat van het geldbedrag zoals dat in de tabel in genoemde kolom bij iedere benadeelde partij afzonderlijk is vermeld. Het hof zal daar ook toe overgaan.
Om te bevorderen dat de toegewezen bedragen volledig worden betaald, zal de betalingsverplichting telkens worden aangevuld met een aantal dagen gijzeling zoals in de hierna weergegeven tabel in de klom “Aantal dagen gijzeling:” is vermeld, waarbij toepassing van de gijzeling ter zake van een toegewezen vordering de betalingsverplichting ter zake van die vordering niet opheft.
Omdat sprake is van meerdere schadevergoedingsmaatregelen, beloopt de aan de schadevergoedingsmaatregelen te verbinden gijzeling volgens bestendige jurisprudentie ten hoogste een jaar. Het hof zal het aantal dagen gijzeling daarom naar rato van het toewijsbare bedrag verdelen over de toewijsbare vorderingen.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot het volgende overzicht.
Tabel met de beslissing van het hof ten aanzien van de vorderingen:
Zaak
Benadeelde partij
Toewijsbaar:
Wettelijke rente per:
Aantal dagen gijzeling:
5
[benadeelde partij10]
niet-ontvankelijk
-
-
6
[benadeelde partij11]
niet-ontvankelijk
-
7
[benadeelde partij12]
niet-ontvankelijk
-
-
14
[benadeelde partij2]
€ 2.000,-
17 aug 2023
11
15
[benadeelde partij14]
€ 3.454,95
18 aug 2023
20
21
[benadeelde partij3]
€ 6.548,76
6 sept 2023
37
22
[benadeelde partij19]
niet-ontvankelijk
-
-
24
[benadeelde partij21]
niet-ontvankelijk
-
-
26
[benadeelde partij23]
niet-ontvankelijk
-
-
28
[benadeelde partij25]
€ 577,85
7 sept 2023
3
35
[benadeelde partij32]
€ 1.320,-
25 juli 2023
8
38
[benadeelde partij35]
€ 195,15
2 aug. 2023
1
39
[benadeelde partij6]
€ 1.308,39
8 aug 2023
8
42
[benadeelde partij37]
niet-ontvankelijk
18 aug 2023
43
[benadeelde partij1]
€ 1.226,50
21 aug 2023
7
44
[benadeelde partij38]
€ 1.277,94
25 aug 2023
8
46
[benadeelde partij40]
€ 896,87
29 aug 2023
5
51
[benadeelde partij7] namens [benadeelde partij8]
€ 3.447,10
19 sept 2023
20
52
[benadeelde partij45]
€ 4.500,-
19 sept 2023
25
54
[benadeelde partij4]
niet-ontvankelijk
-
-
56
[benadeelde partij49]
niet-ontvankelijk
-
-
57
[benadeelde partij50]
€ 1.056,-
6 okt 2023
6
-
Rabobank
€ 4.927,58
14 nov 2023
28
-
Volksbank
€ 3.942,33
25 okt 2023
22
-
ABN AMRO
€ 27.546,18
26 sept 2023
156
Beslag
Het hof zal het klassieke beslag, dat op de in de beslaglijst vermelde voorwerpen rust, opheffen. Het hof stelt vast dat op deze voorwerpen nog wel conservatoir beslag rust. Verdachte zal deze goederen daarom niet terugkrijgen.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 140, 234, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van de onder feiten 1 en 2 tenlastegelegde zaaknummers 2, 3, 4, 8, 9, 10, 12, 13 en 40 en ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;
- dat betrokkene zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, indien en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek;
- dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- dat verdachte meewerkt aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in haar financiën en schulden.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Schadevergoedingen
- Wijst de vorderingen van elk van de in de hierna weergegeven tabel genoemde benadeelde partijenten aanzien van het onder feiten 1 en/of 2 bewezen verklaarde toe tot het bedrag zoals dat in de tabel in de kolom “Toegewezen:” staat vermeld en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag aan de betreffende benadeelde partij, iedere vordering telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum en over het bedrag zoals in de tabel in de kolom “Wettelijke rente per:” ten aanzien van elke toegewezen vordering is gespecificeerd.
Zaak
Benadeelde partij
Toewijsbaar:
Wettelijke rente per:
Aantal dagen gijzeling:
5
[benadeelde partij10]
niet-ontvankelijk
-
-
6
[benadeelde partij11]
niet-ontvankelijk
-
7
[benadeelde partij12]
niet-ontvankelijk
-
-
14
[benadeelde partij2]
€ 2.000,-
17 aug 2023
11
15
[benadeelde partij14]
€ 3.454,95
18 aug 2023
20
21
[benadeelde partij3]
€ 6.548,76
6 sept 2023
37
22
[benadeelde partij19]
niet-ontvankelijk
-
-
24
[benadeelde partij21]
niet-ontvankelijk
-
-
26
[benadeelde partij23]
niet-ontvankelijk
-
-
28
[benadeelde partij25]
€ 577,85
7 sept 2023
3
35
[benadeelde partij32]
€ 1.320,-
25 juli 2023
8
38
[benadeelde partij35]
€ 195,15
2 aug. 2023
1
39
[benadeelde partij6]
€ 1.308,39
8 aug 2023
8
42
[benadeelde partij37]
niet-ontvankelijk
18 aug 2023
43
[benadeelde partij1]
€ 1.226,50
21 aug 2023
7
44
[benadeelde partij38]
€ 1.277,94
25 aug 2023
8
46
[benadeelde partij40]
€ 896,87
29 aug 2023
5
51
[benadeelde partij7] namens [benadeelde partij8]
€ 3.447,10
19 sept 2023
20
52
[benadeelde partij45]
€ 4.500,-
19 sept 2023
25
54
[benadeelde partij4]
niet-ontvankelijk
-
56
[benadeelde partij49]
niet-ontvankelijk
-
-
57
[benadeelde partij50]
€ 1.056,-
6 okt 2023
6
-
Rabobank
€ 4.927,58
14 nov 2023
28
-
Volksbank
€ 3.942,33
25 okt 2023
22
-
ABN AMRO
€ 27.546,18
26 sept 2023
156
- Bepaalt dat de in de tabel genoemde benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijkzijn in de vordering en dat elk van de benadeelde partijen zijn/haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding die door elk van de benadeelde partijen is gemaakt, tot op heden begroot op € 74,58 ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde partij14] en de overige benadeelde partijen begroot op nihil, alsook – ten aanzien van iedere benadeelde partij afzonderlijk – in de kosten van betekening van dit arrest, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit arrest nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- Legt ter zake van elke toegewezen vordering als vermeld in de tabel in de kolom “Toegewezen:” telkensaan verdachte de maatregelop dat verdachte ter zake van het onder feit 1 bewezen verklaarde ten behoeve van de desbetreffende benadeelde partij (telkens) verplicht is tot betaling aan de Staat der Nederlanden van het bedrag zoals dat in de tabel in genoemde kolom bij iedere benadeelde partij afzonderlijk is vermeld, iedere toegewezen vordering telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum respectievelijk data en over het bedrag onderscheidenlijk de bedragen zoals in de tabel in de kolom “Wettelijke rente per:” ten aanzien van elke toegewezen vordering is gespecificeerd, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat telkens het aantal dagen gijzeling zoals in de tabel in de kolom “Aantal dagen gijzeling:” is vermeld kan worden toegepast.
De tenuitvoerlegging van de gijzeling ter zake van een toegewezen vordering als in de vorige zin vermeld laat de betalingsverplichting ter zake van die vordering onverlet;
- Bepaalt dat als verdachte met betrekking tot een van de hiervoor genoemde benadeelde benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan een van de hiervoor genoemde benadeelde partijen het aan die partij verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- Heft op het klassiek beslag (94 Sv)op de in de beslaglijst vermelde goederen en verstaat dat op deze voorwerpen nog conservatoir beslag blijft rusten.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. A.F. van Kooij en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 maart 2026.