Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1927

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.360.260/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging begeleide omgangsregeling tijdens ondertoezichtstelling met opdracht tot uitbreiding waar mogelijk

De moeder en vader zijn ouders van twee minderjarige kinderen die onder toezicht zijn gesteld van een gecertificeerde instelling (GI). De kinderen wonen bij de vader, die het hoofdverblijf heeft. De omgang tussen moeder en kinderen is begeleid en beperkt vanwege zorgen over de samenwerking en veiligheid.

De rechtbank stelde een begeleide omgangsregeling vast waarbij de GI de regie heeft over de voorwaarden, duur en locatie van de omgang. De moeder is het hier niet mee eens en verzoekt in hoger beroep om een substantiële uitbreiding van de omgang.

Het hof overweegt dat de huidige regeling noodzakelijk is in het belang van de kinderen, gezien eerdere zorgen over het onttrekken aan gezag en het ontbreken van effectieve communicatie met de moeder. Wel wordt de GI opgedragen de omgang waar mogelijk uit te breiden en de voorwaarden actueel te houden. De moeder wordt aangespoord tot samenwerking en het aannemen van een open houding ten aanzien van de feitelijke situatie.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de moeder af, waarbij het belang van de kinderen en de veiligheid centraal staan.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de begeleide omgangsregeling met de GI als regisseur en geeft opdracht tot uitbreiding waar mogelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.260/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200625)
beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling,
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
gevestigd te Leeuwarden,
verweerster in hoger beroep,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 8 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 6 oktober 2025;
- het verweerschrift van de vader met bijlage(n);
- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);
- een brief van de raad van 28 november 2025, waarin de raad meldt niet op zitting te zullen verschijnen;
- een brief namens de moeder van 30 januari 2026 met bijlage(n)
- een brief van de GI van 20 februari 2026 met bijlagen(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI waren twee vertegenwoordigers aanwezig.
2.3
Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een e-mailbericht namens de moeder van 13 maart 2026 met bijlage(n).

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2019 en [de minderjarige2] , geboren [in] 2020.
3.2
De moeder heeft een dochter uit een eerdere relatie, [kind] (geboren in 2013), die bij haar woont.
3.3
Bij beschikking van 12 juni 2024 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is nadien telkens verlengd. De huidige maatregel loopt tot 12 juni 2026.
3.4
Bij beschikking van 23 april 2025 is bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en is de hoofdverblijfplaats van de beide kinderen met onmiddellijke ingang bij de vader bepaald. Deze beschikking is door dit hof op 24 juni 2025 bekrachtigd.
3.5
De kinderen wonen bij de vader, die samenwoont met zijn huidige partner.
3.6
Tussen 15 mei 2025 en 11 juni 2025 heeft er begeleide omgang plaatsgevonden tussen de moeder en de kinderen op het kantoor van de GI. De GI heeft de omgang in juni 2025 stopgezet, omdat de moeder zich niet aan de voorwaarden hield en hierover niet in gesprek ging met de GI.
3.7
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de GI een begeleide omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen vastgesteld van één uur per week op het kantoor van de GI, onder de voorwaarden zoals door de GI te stellen, waarbij de GI de regie heeft over het moment dat de omgangsmomenten weer hervat kunnen worden als ook over de daaraan te verbinden voorwaarden en over een eventuele uitbreiding in duur of verandering van locatie. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.8
Op 9 juli 2025 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven om samen te werken met de GI onder andere door afspraken na te komen, te reageren op berichten van de GI en de omgang na te bespreken.
3.9
Op 31 juli 2025 is de omgang tussen de moeder en de kinderen hervat. De GI heeft de voorwaarden van de omgang opgenomen in een aan de moeder uitgereikt besluit van 25 juli 2025.
3.1
Halverwege augustus 2025 is de omgang tussen de moeder en de kinderen door de GI stilgelegd in verband met verdenking van betrokkenheid van de moeder bij de verdwijning van haar dochter [kind] . Na meerdere pogingen van de GI om met de moeder in gesprek te komen, is de omgang, na een gesprek over de voorwaarden waaronder die kan plaatsvinden, per 2 oktober 2025 hervat. De omgang wordt begeleid door [naam] .
3.11
De moeder heeft in een op 6 november 2025 door de rechtbank ontvangen verzoek gevraagd de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij haar te bepalen. Bij beschikking van 9 maart 2026 heeft de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaard in dit verzoek, wegens het ontbreken van een relevante wijziging van omstandigheden.
3.12
De GI heeft de moeder bij brief van 19 februari 2026 laten weten dat de omgang met ingang van 5 maart 2026 met een half uur wordt verlengd en welke voorwaarden daarbij gelden.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder haar verzoek verduidelijkt: zij verzoekt het hof (ambtshalve) een regeling vast te stellen die het hof in het belang van de kinderen juist acht, waarbij zij een substantiële uitbreiding wil.
4.2
De vader voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.3
De GI voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.2
Het is niet in geschil dat er nog geen zorgregeling tussen de moeder en de kinderen was vastgelegd, nadat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader was bepaald. Daarmee was er voor de GI een noodzaak om de rechter te verzoeken een regeling vast te stellen.
5.3
De moeder heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd en ook geen zelfstandig verzoek ingediend voor een (andere) zorgregeling. Omdat zij in hoger beroep niet voor het eerst een zelfstandig verzoek kan doen, heeft zij het hof verzocht ambtshalve een regeling vast te stellen die het hof (het meest) in het belang van de kinderen acht. De vraag die in hoger beroep aan het hof voorligt is of de door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling tussen de moeder en de kinderen in stand moet blijven of dat een andere regeling in het belang van de kinderen is.
5.4
De moeder vindt de omgang met de kinderen te summier in tijd en in frequentie. Zij wil graag activiteiten met de kinderen ondernemen, de onderlinge band versterken en herinneringen creëren, maar dat lukt niet omdat de tijd te kort is en omdat de omgang op het kantoor van de GI plaatsvindt. Ook heeft zij het gevoel dat zij zich continu moet bewijzen en verantwoorden, omdat de omgang begeleid plaatsvindt en omdat de GI in haar ogen telkens nieuwe, onredelijke voorwaarden stelt. De moeder vindt de huidige regeling, ook met de uitbreiding van een half uur, niet in het belang van de kinderen en hun ontwikkeling. Zij wijst op de verslagen van de omgang, waaruit blijkt dat de omgangsmomenten goed verlopen.
5.5
De GI heeft het hof verteld dat zij zien dat de moeder betrokken en liefdevol is, dat de begeleide omgangsmomenten op dit moment over het algemeen goed verlopen, maar ook dat er nog ruimte is voor verbetering. De GI heeft besloten om de duur van de omgang met een half uur uit te breiden. Het is nog wel nodig dat de omgang op het kantoor van de GI plaatsvindt en door twee personen begeleid wordt, om te voorkomen dat de moeder de kinderen belast en beïnvloedt. De GI vindt het belangrijk dat de moeder de samenwerking aangaat en tips ter harte neemt om de omgang nog beter te laten verlopen. Volgens de GI is het bovendien nodig dat de moeder haar grondhouding verandert en zich openstelt voor de mogelijkheid dat de kinderen het goed hebben bij de vader. nu
5.6
Het hof is op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken van oordeel dat de in de bestreden beschikking vastgestelde regeling in stand moet blijven. Op het moment dat de kinderrechter deze beslissing nam waren er reële zorgen dat de moeder de kinderen aan het gezag van de vader en de GI zou onttrekken en werd gezien dat onbelast contact tussen de moeder en de kinderen niet mogelijk was. Bovendien was een effectief gesprek met de moeder over (de voorwaarden van) de omgang niet mogelijk.
5.7
Ook nu nog is de vastgestelde zorgregeling het meest in het belang van de kinderen. Deze regeling biedt de GI de ruimte om de omgang met de moeder in aansluiting op de behoeften en het belang van de kinderen uit te breiden. Gezien het liefdevolle contact tussen de moeder en de kinderen is een uitbreiding van de omgang waar mogelijk een opdracht voor de GI. Het hof verwacht van de GI dat zij de voorwaarden voor de omgang actueel houdt, door voortdurend te beoordelen wat (nog) nodig is en de voorwaarden waaronder de omgang kan plaatsvinden waar mogelijk bij te stellen of af te schalen.
5.8
Het hof heeft, anders dan de kinderrechter, op zitting een goed inhoudelijk gesprek kunnen voeren met de moeder. Zij heeft verteld dat zij eigenlijk het allerliefste zou willen dat de kinderen weer (volledig) bij haar komen wonen, omdat kinderen bij hun moeder horen. Het hof overweegt dat deze overtuiging, hoe invoelbaar vanuit de moeder gezien ook, in de weg kan staan aan een goed lopende zorgregeling. Het hof verwacht van de moeder dat zij zich openstelt voor de huidige, feitelijke situatie waarin de kinderen bij de vader wonen en er omgang met haar is en dat zij haar verantwoordelijkheid in deze situatie neemt en zorgt voor onbelast contact tussen de kinderen en haar. Daarvoor is het van belang dat zij de samenwerking en het gesprek met de GI en de hulpverlening aangaat, zodat de ruimte en het vertrouwen ontstaat voor een andere vormgeving van de omgangsmomenten.
5.9
Het hof acht gelet op het voorgaande vaststelling van de door de GI verzochte en door de kinderrechter uitgesproken regeling in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk. Het hof zal daarom de bestreden beschikking in stand laten (bekrachtigen) en het verzoek van de moeder afwijzen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
8 juli 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Kleefmann, J.G. Knot en K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.