Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1929

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.360.851/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging opschorting omgangsregeling en regie bij gecertificeerde instelling wegens onvoldoende gedragsverandering moeder

De minderjarigen zijn onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege zorgen over hun veiligheid. De omgangsregeling met de moeder werd aanvankelijk begeleid vastgesteld, maar is sinds juli 2025 vanwege incidenten en veiligheidsrisico's opgeschort.

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de opschorting en het toekennen van regie aan de gecertificeerde instelling (GI). Zij verzocht om onbegeleide omgang of begeleide omgang bij haar thuis. De GI verzocht het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het hof oordeelt dat de opschorting terecht is omdat de veiligheid van de kinderen onvoldoende gewaarborgd kon worden en de moeder onvoldoende meewerkt aan het hervatten van de omgang. De moeder toont geen bereidheid tot samenwerking en blijft negatieve uitingen richting de GI houden.

Er zijn nog steeds ernstige zorgen over de moeder, waaronder emotieregulatieproblemen en vermoedelijk middelengebruik. Een recent incident waarbij de moeder zich misdroeg in het bijzijn van de kinderen bevestigt dit. De GI heeft een perspectiefbesluit genomen dat de kinderen niet bij de moeder kunnen opgroeien, maar omgang blijft mogelijk als de moeder meewerkt.

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep af, waarbij het benadrukt dat de moeder zelf de sleutel heeft om het contact veilig te hervatten door samenwerking met de GI.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de opschorting van de omgangsregeling en bevestigt dat de GI de regie houdt vanwege onvoldoende gedragsverandering van de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.851/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200922)
beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling,
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
gevestigd te Leeuwarden.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 17 oktober 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 5 november 2025 met bijlage(n);
- een brief van de raad van 13 november 2025, waarin de raad meldt niet over recente rapportages of adviezen te beschikken;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een brief van de GI van 17 februari 2026 met bijlage(n).
2.2
De hierna nader te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken met betrekking tot de omgangsregeling met de moeder. [de minderjarige1] heeft het hof een brief geschreven en [de minderjarige2] heeft op 2 maart 2026 een gesprek gevoerd met een raadsheer van het hof, in aanwezigheid van de griffier.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de advocaat van de moeder;
- drie vertegenwoordigers van de GI.

3.De feiten

3.1
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn geboren [in] 2012. De moeder heeft het ouderlijk gezag over hen.
3.2
Bij beschikking van 2 augustus 2023 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 12 december 2023 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Deze maatregelen zijn nadien telkens verlengd, voor het laatst bij de bestreden beschikking. De huidige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing gelden tot 2 augustus 2026. [de minderjarige1] woont in een gezinshuis. [de minderjarige2] woont tijdelijk bij zijn oma (moederszijde), waarbij op de zitting duidelijk werd dat [de minderjarige2] op dat moment feitelijk bij zijn oom verbleef.
3.3
Bij beschikking van 22 april 2024 heeft de kinderrechter - in het kader van de beoordeling van een schriftelijke aanwijzing van de GI - een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vastgesteld op grond waarvan zij eerst vier keer op donderdag gedurende anderhalf uur begeleide omgang hebben bij de moeder thuis. De omgang wordt daarna uitgebreid met het avondeten als de GI van mening is dat de eerste vier keer positief zijn verlopen.
3.4
Op 24 juni 2024 is de omgang door de GI stopgezet om veiligheidsredenen. In november 2024 is de omgang hervat. Sinds incidenten op 9 en 10 juli 2025 ligt de omgang tussen de moeder en de kinderen opnieuw stil.
3.5
De GI heeft de moeder bij brief van 30 december 2025 laten weten dat zij een perspectiefbesluit genomen heeft, dat inhoudt dat de GI vindt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet bij de moeder kunnen opgroeien.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de kinderrechter onder andere de bij beschikking van 22 april 2024 vastgestelde zorg- en contactregeling gewijzigd en bepaald dat de omgang tussen de moeder en de kinderen wordt opgeschort, waarbij de GI de regie voert over het hervatten van de omgang, de frequentie, locatie, duur en het uitbreiden van de omgang.
4.2
De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grief heeft enkel betrekking op de beslissing over de opschorting van de omgang. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt: voor zover het de opschorting van de omgang betreft) en
primair:
I. het verzoek van de GI om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen te schorsen en de regie van de omgang bij de GI te leggen af te wijzen; en
II. een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder elke donderdag van 15:00 tot
18:30 uur (tot na het avondeten) onbegeleide omgang heeft met de minderjarigen bij
haar thuis alsmede te bepalen dat de moeder voor diezelfde duur een extra en afzonderlijk
omgangsmoment heeft met [de minderjarige2] en [de minderjarige1] .
subsidiair:
III. het verzoek van de GI om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen te schorsen
en de regie van de omgang bij de GI te leggen, af te wijzen; en
IV. een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder elke donderdag van 15:00 tot 18:30 uur (tot na het avondeten) bij de moeder thuis, begeleid door [naam] , omgang heeft met de minderjarigen.
meer subsidiair:
V. het verzoek van de GI om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen te schorsen
en de regie van de omgang bij de GI te leggen, af te wijzen, opdat de oude regeling
weer komt te gelden, dan wel een regeling te bepalen die Uw hof in goede justitie juist
acht.
4.3
De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking in stand te laten.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van artikel 1:265g lid 2 BW kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.2
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter terecht en op de juiste gronden heeft besloten om de omgang tussen de moeder en de kinderen op te schorten en de GI de regie te geven over (de voorwaarden voor) het hervatten van de omgang. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter na eigen onderzoek over en voegt hier nog het volgende aan toe.
5.3
De situatie in juli 2025 was dusdanig verontrustend dat de veiligheid van de kinderen tijdens de omgang met de moeder onvoldoende kon worden gewaarborgd. Bovendien kwam een evaluerend gesprek hierover met de moeder niet van de grond, omdat zij niet reageerde op de diverse pogingen van de GI om in contact te komen. Hierdoor was het in het belang van de kinderen op dat moment noodzakelijk om de omgang op te schorten. Zoals de kinderrechter terecht heeft overwogen betekende het opschorten van de omgang niet dat de omgang tussen de moeder en de kinderen langdurig stil hoefde te liggen: het was aan de moeder om het gesprek met de GI aan te gaan over de wijze waarop de omgang veilig zou kunnen worden hervat. Dit is nog steeds het geval. Als de moeder het gesprek aangaat en meewerkt om een voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] veilige en betrouwbare omgeving te bieden, dan kan het contact tussen haar en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weer worden opgebouwd. Het hof herhaalt dat de moeder zelf de sleutel voor het hervatten van het contact in handen heeft.
5.4
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken komt naar voren dat de moeder er ook nu nog geen blijk van heeft gegeven te willen samenwerken met de GI of op zijn minst in gesprek te willen gaan. De moeder lijkt de reden voor het stuklopen van de samenwerking voornamelijk bij de GI te leggen, die volgens haar onredelijke voorwaarden stelt. Het hof deelt deze mening van de moeder niet en het hof ziet dat de GI zich ondanks het onvoorspelbare gedrag van moeder en haar negatieve uitingen richting de GI neutraal en vriendelijk blijft opstellen en blijft zoeken naar een ingang om in gesprek te komen met de moeder. Voor zover de moeder aanvoert dat de GI onvoldoende heeft gezocht naar alternatieven voor de omgang, overweegt het hof dat eventuele alternatieven überhaupt niet besproken kunnen worden als de moeder het contact met de GI niet aangaat. Het hof constateert dat het de moeder niet lukt om haar argwaan ten opzichte van de GI opzij te zetten en in het belang van de kinderen haar verantwoordelijkheid te nemen om een gesprek met de GI aan te gaan.
5.5
Ten tijde van de behandeling van de zaak bij het hof zijn er nog steeds aanzienlijke zorgen over de moeder, waaronder haar emotieregulatie-problematiek en vermeend middelengebruik. Enkele dagen voor de zitting bij het hof heeft de moeder het huis van oma opgezocht, waar de kinderen op dat moment verbleven. Zij heeft zich in het bijzijn van de kinderen misdragen en heeft oma bedreigd. [de minderjarige2] heeft het hof verteld dat hij alleen contact met zijn moeder wil als ze zich niet meer zo misdraagt, als ze naar anderen gaat luisteren en als ze afkickt van harddrugs. Dat de moeder naar eigen zeggen nu hulpverlening aanvaardt en daartoe recent een intake heeft gehad, is positief en ook in het belang van de kinderen. Deze verandering in de situatie is echter nog te pril om aan te kunnen nemen dat eerdere patronen zijn doorbroken. Het recente incident bij het huis van oma is daar een voorbeeld van. Het nog altijd onvoorspelbare gedrag van de moeder betekent dat de jongens nog steeds in een moeilijke, onveilige en niet betrouwbare positie zitten ten opzichte van de moeder. Door alles wat zij hebben meegemaakt en nog steeds meemaken zijn zij juist gebaat bij rust en veiligheid. Die rust en veiligheid hebben zij nodig om zich te kunnen concentreren op hun school en hun ontwikkeling en om te kunnen profiteren van hulpverlening.
5.6
De GI heeft inmiddels een perspectiefbesluit genomen, omdat zij van mening is dat de kinderen behoefte hebben aan duidelijkheid over de plek waar zij zullen opgroeien. Het hof overweegt dat dit besluit niet hoeft te betekenen dat er geen omgang kan zijn tussen de moeder en de kinderen. Het hof geeft de moeder mee dat de GI zich ervoor inzet om de omgang vorm te geven op een wijze die rechtdoet aan de belangen en de veiligheid van de kinderen. Daarvoor is minimaal vereist dat de moeder bereid is om het gesprek met de GI aan te gaan en de samenwerking met de GI accepteert. Alleen op die manier kan besproken worden welke stappen door de moeder gezet moeten worden om de omgang (met de nodige hulp en begeleiding) op een goede manier in te vullen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, daarom bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
17 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, F. Kleefmann en K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.