Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1932

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
21-002117-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Leerplichtwet 1969Art. 11 Leerplichtwet 1969Art. 26 Leerplichtwet 1969Art. 23 Wetboek van StrafrechtArt. 24 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens niet naleven leerplichtwet door niet schoolgaande kinderen

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens het niet voldoen aan de leerplichtwet doordat zijn kinderen gedurende de periode van 26 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 niet naar school gingen terwijl zij daar ingeschreven stonden. Verdachte voerde aan dat er sprake was van andere gewichtige omstandigheden en dat hij vrijstelling had moeten krijgen van de leerplichtambtenaar, maar het hof stelde vast dat geen vrijstelling was verleend.

Het hof oordeelde dat het niet aan de strafrechter is om de inhoudelijke beoordeling van de vrijstellingsgrond te doen, maar slechts om te toetsen of een vrijstelling was verleend. Op basis van de stukken was wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de leerplicht niet had nageleefd. Verdachte werd vrijgesproken van niet bewezen verklaarde onderdelen.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het was begaan en de persoon van verdachte. Verdachte had zijn kinderen thuis onderwijs gegeven tijdens zijn werkverblijf in het buitenland, maar het hof benadrukte het belang van schoolbezoek voor sociale ontwikkeling. Gezien het ontbreken van recidive en de omstandigheden legde het hof een onvoorwaardelijke geldboete van €750 op.

Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en deed opnieuw recht, waarbij het de straf matigde ten opzichte van de eerdere geldboete van €1.500. Het arrest werd uitgesproken op 7 april 2026 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €750 wegens het niet zorgen dat zijn kinderen geregeld naar school gingen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002117-25
Uitspraakdatum: 7 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 23 april 2025 met parketnummer 05-006726-25 in de strafzaak tegen

[Naam VD] ,

geboren op [Geboortedatum] 1986 in [Geboorteplaats] ,
wonende te [Adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 24 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.M. Breukink, hebben aangevoerd.

Het vonnis

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in de periode van 26 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 te [Plaats 1] , althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [Kind van VD 1] , geboren op [Geboortedatum] 2016 en/of [Kind van VD 2] , geboren op [Geboortedatum] 2017, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van voornoemde jongeren, had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerlingen van een school, te weten [Naam School] , stonden ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezochten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de kinderen van verdachte, [Kind van VD 1] en [Kind van VD 2] , gedurende de periode van 26 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 niet naar school zijn gegaan, terwijl zij daar wel stonden ingeschreven. De verdachte weerspreekt deze gang van zaken niet, maar meent dat sprake was van ‘andere gewichtige omstandigheden’ waardoor de leerplichtambtenaar akkoord had moeten gaan met het door verdachte aangevraagde verlof voor zijn kinderen.
Op basis van artikel 11, aanhef en onder g, Leerplichtwet 1969, kan het hoofd van de betrokken school, dan wel de leerplichtambtenaar, vrijstelling verlenen van schoolbezoek indien er sprake is van andere gewichtige omstandigheden waardoor de jongere verhinderd is de school te bezoeken. Wat verstaan wordt onder ‘andere gewichtige omstandigheden’ staat nader uitgewerkt in een beleidsregel en de toepassing hiervan is voorbehouden aan het hoofd van de school dan wel de leerplichtambtenaar. Tegen deze beslissing staat een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open. Het is niet aan de strafrechter om de invulling van deze regel inhoudelijk te beoordelen, maar die behoeft in een geval als onderhavige slechts te onderzoeken of verdachte door de leerplichtambtenaar vrijstelling heeft gekregen (ECLI:NL:HR:2011:BO5254). Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat door de leerplichtambtenaar geen vrijstelling is verleend.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in de periode van 26 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 te [Plaats 1] ,
althans in Nederlandals degene die het gezag uitoefende over de jongeren [Kind van VD 1] , geboren op [Geboortedatum] 2016 en
/of[Kind van VD 2] , geboren op [Geboortedatum] 2017,
althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van voornoemde jongeren, had belast, (telkens)niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerlingen van een school, te weten [Naam School] , stonden ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezochten.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.500,00, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis waarvan € 750,00, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de kantonrechter is opgelegd.
De raadsvrouw heeft primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en heeft subsidiair verzocht een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte en zijn financiële draagkracht. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Leerplichtwet 1969 doordat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ervoor te zorgen dat zijn kinderen [Kind van VD 1] en [Kind van VD 2] in de bewezenverklaarde periode geregeld de school bezochten waar zij stonden ingeschreven. Verdachte moest voor zijn werk langere periode naar het buitenland en had de wens om zijn gezin die gehele periode bij zich te hebben. Hij heeft naar eigen zeggen er alles aan gedaan om zijn kinderen tijdens hun afwezigheid op school thuis onderwijs te geven zodat ze bij terugkomst niet achter zouden lopen. Het volgen van onderwijs op school is echter ook van belang voor de sociale ontwikkeling van kinderen, waarbij het samen starten van een nieuw schooljaar een rol speelt. Door zijn kinderen ten behoeve van zijn werk langere tijd van school te houden, heeft verdachte er blijk van gegeven onvoldoende belang toe te kennen aan het nut en de noodzaak van de in de Leerplichtwet 1969 opgenomen rechten en plichten die onderwijs - in de breedste zin van het woord - voor alle kinderen waarborgen.
Het hof heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 februari 2026 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 750,00 passend en geboden.
Verdachte heeft op de terechtzitting van het hof aangegeven dat hij niet meer in dezelfde situatie zal komen, omdat hij gestopt is bij het bedrijf waarvoor hij naar het buitenland moest en hij heeft er blijk van gegeven in het vervolg anders te zullen handelen. Nu de kans op recidive naar het oordeel van het hof aanzienlijk is afgenomen, ziet het hof geen aanleiding nog een voorwaardelijke geldboete op te leggen.
Het hof ziet – in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het feit – geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zoals door de raadsvrouw is verzocht.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Steenbrink,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. N.I.S. Boers,
in aanwezigheid van de griffier mr. H.A.C. Peters
en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 7 april 2026.