De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2021 en 2022, die sinds juli 2023 onder toezicht staan en in een gezinshuis verblijven. De moeder, die het gezag heeft, is het niet eens met de verlenging tot oktober 2026 en vordert in hoger beroep een kortere duur van negen maanden.
De kinderrechter had de verlenging toegewezen op verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) Stichting Samen Veilig Midden-Nederland. Het hof overweegt dat ondanks positieve omgangsmomenten, er nog steeds ernstige zorgen zijn over de opvoedcapaciteiten van de moeder en dat de kinderen een verzwaarde opvoedvraag hebben. De continuïteit en veiligheid in de verzorging zijn gebaat bij verlenging.
Hoewel de moeder terecht opmerkt dat terugplaatsing het uitgangspunt is en dat de GI zich moet inspannen voor terugplaatsing, blijkt uit het perspectiefonderzoek en eerdere evaluaties dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt. Het hof constateert dat de GI onvoldoende inzet op terugplaatsing en dat er onduidelijkheid bestaat over de hulpverlening aan de moeder.
Het hof benadrukt het belang van openheid van de moeder over haar hulpverleningstrajecten en het belang van duidelijkheid over de ondersteuning die de GI biedt. Het advies om een persoonlijkheidsonderzoek te overwegen is niet opgevolgd, wat waardevolle inzichten had kunnen bieden.
Gelet op deze omstandigheden en de noodzaak van continuïteit in de zorg, bekrachtigt het hof de beschikking van de kinderrechter en wijst het beroep van de moeder af.