Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1954

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.347.053
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verrekening waardevermeerdering bedrijfspand en nevenvoorzieningen bij echtscheiding

In deze zaak in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden staat de afwikkeling van het huwelijksvermogensstelsel centraal, met name de verrekening van de waardevermeerdering van een bedrijfspand in Trittau, Duitsland, en diverse nevenvoorzieningen zoals stamrecht en pensioen.

De man had een berekening gemaakt van het bedrag dat hij aan de vrouw moest betalen, uitgaande van een aanvangswaarde, een eindwaarde van het pand en een belastingdruk van 42%. De vrouw stemde in met deze berekening, waardoor een taxatie niet meer nodig was. Het hof corrigeerde echter de berekening door de aanvangswaarde op de juiste wijze in mindering te brengen, wat resulteerde in een lager bedrag dat de man aan de vrouw moet betalen.

Daarnaast vernietigde het hof enkele beslissingen van de rechtbank en besloot opnieuw over de verrekening van het saldo op de rekening van de vrouw bij de Svenska Handelsbank, het stamrecht en de ODV. Het verzoek van de man om verrekening van het Zweedse pensioen werd afgewezen. Het hof verklaarde de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad en bepaalde dat ieder zijn eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat de man aan de vrouw €159.889,73 moet betalen voor de waardevermeerdering van het bedrijfspand en wijzigt enkele beslissingen van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.053
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 552987 en 571188)
beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de man)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.V. Scheffer
en
[verweerster] (de vrouw)
die woonplaats heeft gekozen in [woonplaats2]
advocaat: mr. E.P.J. Palazzi-van Bruggen

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Op 9 december 2025 heeft het hof een tussenbeschikking gegeven. In rov. 2.1. is over het bedrijfspand in Trittau overwogen:
2.1.De man heeft een berekening gemaakt van het bedrag dat hij bij de verrekening van de meerwaarde van het bedrijfspand in Trittau aan de vrouw moet betalen. De man gaat uit van een aanvangswaarde van € 17.006 en van een eindwaarde van € 990.000 voor het gehele pand, waarin de man voor de helft gerechtigd is. De man gaat uit van een belastingdruk van 42% die hij berekent over de helft van de eindwaarde die hij vermindert met de hypothecaire lening en de boekwaarde (in cijfers: 42% ({990.000 – 149.500 – 421.226)/2} – 10.911,92) = € 83.464,53. Het bedrag van € 10.911,92 is een vast bedrag dat uit de wet volgt. De man brengt die belastingdruk in mindering op zijn aandeel in het bedrijfspand en in de hypothecaire lening. In cijfers is dat ½ x (990.000 – 149.500) – 83.464,53 = € 336.785,47. De man dient volgens zijn eigen berekening aan de vrouw de helft daarvan (= € 168.392,74) te betalen.
2.2.De vrouw stemt in met dit bedrag en verzoekt het hof ook daarvan uit te gaan. Een taxatie van het bedrijfspand is dan volgens haar niet meer nodig.
1.2.
Het hof heeft de man in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dit voorstel van de vrouw, dat is: de eindwaarde van het bedrijfspand vaststellen op ½ x € 990.000 en het aan de vrouw te betalen bedrag vast te stellen op € 168.392,74. Dat heeft de man gedaan in zijn akte uitlaten van 5 januari 2026.

2.De beslissing van het hof en de toelichting

b. het bedrijfspand in Trittau (Duitsland) - grief II van de man
2.1.
De man volgt het voorstel van de vrouw voor de berekening. Hij voegt daar alleen aan toe dat hij per abuis de aanvangswaarde van € 17.006 niet meer in mindering heeft gebracht van het bedrag van € 168.392,74 dat hij heeft berekend. Het hof kan de man daarin volgen en komt dan niet meer toe aan zijn tweede (subsidiaire) berekening.
2.2.
De man heeft die aanvangswaarde immers wel als uitgangspunt genoemd in zijn berekening (zie 1.1.), maar is kennelijk vergeten die ook weer af te trekken van de eindwaarde.
2.3.
De man gaat in zijn nieuwe berekening ervan uit dat de aanvangswaarde moet worden afgetrokken van het bedrag dat hij uiteindelijk aan de vrouw moet betalen. Dat is niet correct. De aanvangswaarde komt in mindering van de eindwaarde van € 336.785,47 en niet op de helft daarvan. De berekening is dan als volgt: € 336.785,47 -/- € 17.006 = € 319.779,46:2 = € 159.889,73. Dat is het bedrag dat de man volgens het hof aan de vrouw moet betalen.
Slotsom
2.4.
De grieven II (deels), IIIa, VI (deels) en VII van de man slagen; de rest van zijn grieven faalt. Grief IV van de vrouw slaagt, de rest van haar grieven faalt. Het hof zal de beslissingen van de rechtbank in de bestreden beschikking onder 4.3. (grief II van de man), 4.10 (grief VI van de man), 4.11 (grief VII van de man) en 4.12 (grief IV van de vrouw) vernietigen en opnieuw beslissen. Het hof zal aanvullend beslissen vanwege het slagen van grief IIIa van de man (saldo op de rekening van de vrouw bij Svenska Handelsbank).
2.5.
Het hof zal bepalen dat ieder de eigen proceskosten moet dragen en zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3.De beslissing:

Het hof:
3.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 juli 2024 met uitzondering van de beslissingen die de rechtbank heeft gegeven in 4.3, 4.10, 4.11 en 4.12:
3.2.
vernietigt de beslissingen die de rechtbank heeft gegeven in 4.3, 4.10, 4.11 en 4.12 en beslist opnieuw;
3.3.
bepaalt dat de man aan de vrouw vanwege de verrekening van de waardevermeerdering van zijn aandeel in het bedrijfspand in Trittau (Duitsland) € 159.889,73 moet betalen;
3.4.
bepaalt dat de vrouw het saldo van haar rekening bij de Svenska Handelsbank op 16 februari 2023 met de man moet verrekenen;
3.5.
bepaalt dat de man aan de vrouw voor de verrekening van zijn stamrecht € 136.509 moet betalen;
3.6.
bepaalt dat de man aan de vrouw € 171.110 moet betalen (de helft van de ODV van € 342.220; stand 31 december 2022);
3.7.
wijst het verzoek van de man dat de vrouw haar Zweeds pensioen met de man moet verrekenen af;
3.8.
verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
bepaalt dat ieder de eigen proceskosten moet dragen;
3.10.
wijst af wat meer of anders is verzocht
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, S. Kuijpers en L. Hamer en is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.