Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1961

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.361.175/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 8 EVRMArt. 7 lid 1 Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging ouderlijk gezag wegens belang minderjarige en verstreken termijn

De rechtbank Noord-Nederland heeft het gezag van de ouders over de minderjarige beëindigd vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling en de noodzaak van duidelijkheid voor het kind. De minderjarige is sinds december 2020 uit huis geplaatst en woont sindsdien bij pleegouders, waar zij de rust en begeleiding krijgt die zij nodig heeft.

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing, stellende dat zij onvoldoende kansen heeft gekregen om via een ouderschapsbeoordeling aan te tonen dat zij zelf voor het kind kan zorgen. Het hof oordeelt echter dat de aanvaardbare termijn voor het herstel van het gezag is verstreken en dat het belang van de minderjarige bij duidelijkheid en stabiliteit zwaarder weegt dan de belangen van de moeder.

Het hof benadrukt dat het gezag beëindigen een ingrijpende maatregel is die proportioneel en subsidiariteit vereist, maar in dit geval gerechtvaardigd is. De omgang met beide ouders blijft mogelijk en wordt positief beoordeeld. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.175/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 245132
beschikking van 31 maart 2026
over de beëindiging van het ouderlijk gezag over
[de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. F.B. Flooren te Arnhem,
en
de raad voor de Kinderbescherming(de raad),
die is gevestigd in Groningen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Schlepers te Groningen,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen(de GI),
die is gevestigd in Groningen,
en
[belanghebbende2] en [belanghebbende3](de pleegouders),
die wonen op een bij het hof bekend adres.

1.Samenvatting

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2018.
2.2
De moeder heeft de Poolse nationaliteit. De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.3
[de minderjarige] staat sinds 28 december 2020 onder toezicht van de GI. Per dezelfde datum is [de minderjarige] met een (spoed-)machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.
2.4
Op 30 maart 2021 heeft de rechtbank de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen.
2.5
Bij beschikking van 7 maart 2023 is bepaald dat de ouders voortaan samen het gezag over [de minderjarige] uitoefenen.
2.6
[de minderjarige] woont sinds de uithuisplaatsing van 28 december 2020 bij de pleegouders. Ten tijde van de zitting bij het hof heeft [de minderjarige] één keer per vier weken gedurende zes uur onbegeleide omgang met de moeder en (los van elkaar) heeft zij ook één keer per vier weken gedurende zes uur onbegeleide omgang met de vader..

3.De procedure bij de rechtbank

3.1
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de ouders over [de minderjarige] te beëindigen.
3.2
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen en heeft daarbij de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemd. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 7 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking).

4.De procedure bij het hof

4.1
De moederis het niet eens met de bestreden beschikking. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.
4.2
De raadwil dat de beslissing in stand blijft.
4.3
De vader is niet in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en hijvoert ook geen verweer. De vader heeft het hof bij journaalbericht van 3 maart 2026 laten weten dat hij noch zijn advocaat ter zitting zullen verschijnen en tevreden te zijn met de huidige situatie.
4.4
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 5 november 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 11 januari 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de raad;
- een journaalbericht namens de vader van 3 maart 2026.
4.5
De zitting bij het hof was op 3 maart 2026. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- een vertegenwoordiger van de GI:
- de pleegmoeder.

5.Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De zaak draagt een internationaal karakter omdat de moeder de Poolse nationaliteit heeft. Daarom dient het hof eerst ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat [de minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank haar gewone verblijfplaats in Nederland had.
5.2
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Wat staat in de wet?
5.3
De rechtbank kan op grond van artikel 1:266 eerste Pro lid onder a. van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen.
5.4
Bij de beoordeling door de rechtbank van een verzoek om het gezag te beëindigen staat het belang van het kind voorop. In de procedure in hoger beroep is dit ook het uitgangspunt. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. Deze rechten van kinderen zijn verankerd in artikel 3 en Pro 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
5.5
Een gezagsbeëindiging betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind. Uit artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat een dergelijke inmenging slechts gerechtvaardigd is, indien het beëindigen van het ouderlijk gezag in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechter dient na te gaan of gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het beoogde resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel).
Hoe oordeelt het hof?
5.6
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het gezag van de ouders beëindigd moet worden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen).
5.7
[de minderjarige] is uit huis geplaatst toen zij 2 jaar en 8 maanden oud was. In de thuissituatie bij de ouders was zij getuige van ernstige escalaties en ruzies tussen de ouders, met als dieptepunt een incident op 27 december 2020 waarbij de vader met een mes is neergestoken door de moeder. [de minderjarige] was aanwezig in de kamer waar dit gebeurde en zij heeft gezien dat de vader hevig bloedend is afgevoerd door een ambulance. De moeder is door de strafrechter veroordeeld voor haar gedragingen. In het kader van begeleiding door [naam] is geconstateerd dat bij [de minderjarige] sprake is van vroegkinderlijke trauma’s als gevolg van de onveiligheid waaraan zij is blootgesteld gedurende het wonen bij de ouders. [de minderjarige] is inmiddels bijna acht jaar oud en woont al vijf jaar bij de pleegouders. De pleegmoeder heeft verteld dat het best goed gaat met [de minderjarige] en dat ze steeds meer tot rust komt. Tegelijkertijd is [de minderjarige] ’s vermogen om hechtingsrelaties aan te gaan kwetsbaar en kunnen gevoelens van onveiligheid te pas en te onpas opspelen. Zo kan ze dagenlang bepaalde activiteiten uitvoeren en het dan opeens niet meer durven. [de minderjarige] heeft baat (gehad) bij de traumabehandeling, maar heeft daar ook heftig op gereageerd, met pittig, prikkelbaar gedrag of paniek, aldus de pleegmoeder. Het hof constateert dat [de minderjarige] als gevolg van wat zij heeft meegemaakt in haar ontwikkeling is beschadigd en een verzwaarde opvoedvraag heeft, waaronder een bovengemiddelde behoefte aan veiligheid, voorspelbaarheid en duidelijkheid. Bij het huidige pleeggezin krijgt zij de rust en juiste begeleiding om zich te kunnen ontwikkelen en te profiteren van de noodzakelijke behandeling.
5.8
De moeder erkent dat [de minderjarige] het goed heeft bij de pleegouders. Tegelijkertijd vindt de moeder dat zij onvoldoende kansen heeft gekregen om aan de hand van een ouderschapsbeoordeling te laten zien dat zij (op termijn) zelf voor [de minderjarige] kan zorgen. Zij wil alsnog een ouderschapsbeoordeling laten uitvoeren. Het hof gaat hier niet in mee. Naast het feit dat reeds (meerdere keren) is ingezet op een ouderschapsbeoordeling, maar dat dit niet is gelukt als gevolg van de uitermate complexe verhouding tussen de ouders en de terugval in oude patronen, is het hof van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is verstreken. Het hof is van oordeel dat [de minderjarige] duidelijkheid moet worden geboden dat haar opgroeiperspectief niet meer bij een van haar ouders ligt maar bij de pleegouders. Voor het hof is gebleken dat de moeder niet bestendig kan zijn in de acceptatie van het feit dat [de minderjarige] bij de pleegouders zal opgroeien. Door toch opnieuw een ouderschapsbeoordeling te vragen en de wens te uiten dat [de minderjarige] op enig moment weer bij haar thuis komt te wonen, blijft er onzekerheid bestaan over het opgroeiperspectief van [de minderjarige] en dat is niet in haar belang.
Ter zitting is op aangeven van de moeder de optie besproken om de behandeling van de zaak enige tijd aan te houden in afwachting van de ontwikkelingen in de samenwerking tussen de moeder en de GI. Het hof is van oordeel dat een aanhouding niet in het belang is van [de minderjarige] , omdat ook hierdoor nog langer onzekerheid zou blijven bestaan.
5.9
Als thuisplaatsing van een kind bij een ouder niet meer kan en daar niet meer naar toegewerkt kan worden, past het in het systeem van de wet dat het gezag van de ouder(s) op enig moment wordt beëindigd. Een rechterlijke beslissing tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben vormt onmiskenbaar een inmenging in het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM Pro. Een dergelijke beslissing moet gebaseerd zijn op de wet en voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Een lichtere maatregel, zoals een jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing of een uithuisplaatsing in het vrijwillig kader, is in dit geval niet langer passend en zou de onzekerheid over het opvoedperspectief voor [de minderjarige] laten voortduren. Dat is op grond van het hiervoor overwogene niet in het belang van [de minderjarige] . Het doel van de maatregel - het scheppen van duidelijkheid en rust voor [de minderjarige] bij de pleegouders waar zij al lange tijd woont - staat bovendien in redelijke verhouding tot de inmenging in het gezinsleven van de moeder en [de minderjarige] . Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigde inbreuk op het familie- en gezinsleven van de moeder en [de minderjarige] , zoals wordt beschermd door artikel 8 EVRM Pro. Genoemde belangen van [de minderjarige] wegen zwaarder dan het belang van de moeder om het gezag over [de minderjarige] te behouden. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen en het verzoek van de moeder in hoger beroep afwijzen.
5.1
Het hof merkt op dat de rol van de ouders in het leven van [de minderjarige] ook na de gezagsbeëindiging belangrijk blijft. Het is positief dat de moeder haar leven in rustiger vaarwater heeft weten te krijgen en aan haar toekomst werkt. Volgens de GI verloopt de omgang met beide ouders goed en wordt in overleg bekeken op welke wijze deze verder kan worden uitgebreid. Het hof vindt het positief dat de ouders inmiddels beide afzonderlijk van elkaar in staat zijn om op afstand ouders van [de minderjarige] te zijn en liefdevol en betrokken contact met haar te hebben. De pleegmoeder heeft verteld dat het onderlinge vertrouwen en de samenwerking goed zijn, zowel met de moeder als met de vader. Zij zal de contacten tussen de moeder (en de vader) en [de minderjarige] blijven stimuleren en is bereid de ouders te betrekken bij belangrijke gebeurtenissen in het leven van [de minderjarige] .

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
7 augustus 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.H.P. Selcraig, J.G. Knot en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 31 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.