Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2009

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/996
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.54 Wet IB 2001Wet op belastingen van rechtsverkeerBelemmeringenwet Privaatrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herinvesteringsreserve voor afsluitvergoeding opstalrecht

Belanghebbende, samen met zijn broer eigenaar van een maatschap die een akkerbouwbedrijf exploiteert, ontving van een netbeheerder een afsluitvergoeding in verband met het vestigen van een opstalrecht op cultuurgrond. Belanghebbende vormde een herinvesteringsreserve voor deze vergoeding in zijn aangifte inkomstenbelasting 2018.

De Inspecteur stelde dat de vergoeding niet als opbrengst van een vervreemding van een bedrijfsmiddel kon worden aangemerkt en dat de herinvesteringsreserve daarom niet gevormd mocht worden. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het hof bevestigt deze uitspraak.

Het hof oordeelt dat de afsluitvergoeding een vergoeding is voor medewerking aan het minnelijke vestigen van het opstalrecht en niet voor de vestiging zelf. Dit betekent dat de vergoeding niet kwalificeert als opbrengst van vervreemding van een bedrijfsmiddel in de zin van artikel 3.54 Wet IB 2001. De vorming van een herinvesteringsreserve is daarom niet toegestaan. Ook de heffing van overdrachtsbelasting over de vergoeding leidt niet tot een andere kwalificatie.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrente aangevoerd, zodat ook die wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting inclusief belastingrente wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/996
uitspraakdatum: 31 maart 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[plaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 maart 2024, nummer LEE 22/3642, in het geding tussen belanghebbende en
de Inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen(hierna: de Inspecteur).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 244.767. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 6.195.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de bestreden aanslag en beschikking belastingrente gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 8 maart 2024 ongegrond verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A. Verduijn RB als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , alsmede mr. [naam2] en mr. [naam3] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam4] .
1.6
Zowel belanghebbende als de Inspecteur hebben voorafgaand aan de zitting een pleitnota naar het Hof en de wederpartij gestuurd, die geacht zijn ter zitting te zijn voorgelezen.
1.7
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.De vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende drijft samen met zijn broer, de heer [broer] (hierna: de broer), in de vorm van een maatschap een akkerbouwbedrijf onder de naam [maatschap] en [belanghebbende] (hierna: de maatschap). De maatschap is gevestigd aan de [adres] te [plaats] .
2.2
Op 16 december 2015 hebben belanghebbende en de broer de afspraken over hun samenwerking (nader) vastgelegd in een maatschapsovereenkomst. In deze overeenkomst is onder meer vastgelegd dat belanghebbende de economische eigendom van circa 66 hectare cultuurgrond per 1 augustus 2015 heeft ingebracht in de maatschap en de broer de economische eigendom van circa 58 hectare cultuurgrond. Daarnaast hebben belanghebbende en de broer per 1 augustus 2015 de economische eigendom ingebracht van de in onverdeeld eigendom gehouden 29 hectare cultuurgronden. Het exploitatieresultaat van de maatschap wordt 50/50 aan belanghebbende en de broer toegerekend.
2.3
De broer heeft in mei 2018 met [netbeheerder] (hierna: [netbeheerder] ) een overeenkomst gesloten tot het vestigen van een opstalrecht op een gedeelte van de kadastrale percelen Gemeente Uithuizermeeden Sectie M nummer 74, Sectie M nummer 179 en Sectie L nummer 271 (de percelen). De percelen zijn in juridisch eigendom van de broer en de maatschap is de economische eigenaar en gebruiker van de percelen. Het opstalrecht ziet op het plaatsen van een aantal hoogspanningsmasten op de percelen door [netbeheerder] .
2.4
In de bepalingen van de hiervoor – onder 2.3 – genoemde opstalrechtovereenkomst is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

Vergoeding(en)
- De in artikel 6.2. sub a bedoelde Afsluitvergoeding Zakelijk Recht bedraagt EUR 232.604,69.
- (indien van toepassing): De in artikel 6.2. sub b bedoelde vergoeding voor de voorzienbare hinder en schade aan de Belaste Strook bedraagt EUR 36.923,90. (...)
Artikel 6. Vergoedingen
6.1.
Uitgangspunt is dat de Opstalhouder (naast de Afsluitvergoeding Zakelijk Recht en, indien van toepassing, de Meewerkvergoeding Werkterrein) gehouden is om alle schade die ontstaat vanwege het gevestigde Opstalrecht en de aanleg, aanwezigheid en/of instandhouding van de Elektriciteitswerken te vergoeden, conform het bepaalde in deze Overeenkomst en bijbehorende Algemene Bepalingen.
6.2.
Als vergoeding ontvangt de Grondeigenaar:
(a) een eenmalige vergoeding voor het meewerken aan de (uitvoering van de) Overeenkomst en voor de vestiging van het Opstalrecht (de Afsluitvergoeding Zakelijk Recht), zoals opgenomen in het Overzicht;
(b) (indien van toepassing) een eenmalige vergoeding voor de voorzienbare hinder en schade aan de Belaste Strook ten gevolge van de aanwezigheid van de Elektriciteitswerken (waardevermindering van de Belaste Strook indien deze op de Sluitingsdatum onbebouwd is daaronder begrepen), zoals opgenomen in het Overzicht; (...)
Uit de financiële bijlage bij de opstalrechtovereenkomst volgt dat de door [netbeheerder] betaalde eenmalige vergoeding € 316.049,53 bedraagt, bestaande uit een ‘Afsluitvergoeding ZRO’ (als bedoeld in artikel 6.2.a van de opstalrechtovereenkomst) van € 232.604,69, een vergoeding voor ‘Vermogensschade voor eigenaar’ (als bedoeld in artikel 6.2.b. van de opstalrechtovereenkomst) van € 36.923,90 en een opslag van 20%, berekend over de Afsluitvergoeding ZRO, wegens het ondertekenen en retourneren van de opstalrechtovereenkomst binnen 6 weken na de datum van aanbieding, zijnde een bedrag van € 46.520,94.
2.5
Bij notariële akte van 3 september 2019 is het opstalrecht ten behoeve van [netbeheerder] gevestigd.
2.6
Belanghebbende heeft op 27 juli 2020 de aangifte IB/PVV over het jaar 2018 ingediend. Het aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 124.744 en bestaat uit een belastbare winst uit onderneming van € 128.796 en een aftrekpost aan betaalde premies voor inkomensvoorziening van € 4.052. In de aangifte is voor een bedrag van € 149.465 een herinvesteringsreserve gevormd op grond van artikel 3.54 van de Wet IB 2001. Hiervan ziet € 139.562 (50% van € 232.604,69 + € 46.520,94) op belanghebbendes aandeel in de van [netbeheerder] ontvangen Afsluitvergoeding ZRO plus de opslag van 20% (hierna: de afsluitvergoeding).
2.7
Per brief van 20 mei 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende een verzoek om informatie gestuurd over de toevoeging van het bedrag van € 149.465 aan de herinvesteringsreserve. In deze brief heeft de Inspecteur gevraagd om onderliggende stukken waaruit blijkt welk investeringsmiddel is verkocht en tegen welke waarde en welk investeringsmiddel binnenkort wordt aangeschaft.
2.8
Belanghebbende heeft per brief van 9 juni 2021 gereageerd op het verzoek om informatie. In deze brief staat – voor zover hier van belang – het volgende:

In 2018 heeft [maatschap] en [belanghebbende] , waarin de heer [belanghebbende] voor 50% gerechtigd is, een vergoeding zakelijk recht ad. € 316.048 van [netbeheerder] ontvangen. Deze vergoeding wordt voor € 158.024 aan [belanghebbende] toegerekend. Hiervan is € 8.559 vrijgesteld en is € 149.465 toegevoegd aan de herinvesteringsreserve.
[maatschap] en [belanghebbende] wil dit investeren in de bouw van een loods. De vergunningen zijn hiervoor reeds afgegeven.
2.9
Per brief van 21 december 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat hij van plan is om af te wijken van de ingediende aangifte IB/PVV over het jaar 2018. In deze brief staat – voor zover van belang – het volgende (VLB staat voor Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus):

Enige jaren geleden is er overleg geweest tussen de VLB en de Belastingdienst over de fiscale kwalificatie van de schadevergoedingen uitgekeerd door [netbeheerder] . Hierbij is geconcludeerd, dat de meeste vergoedingen zijn aan te merken als inkomensschade, welke zijn belast in het jaar van ontvangst. Het vormen van een HIR is niet mogelijk. Het gaat hierbij onder andere om afsluitvergoedingen en meewerkvergoedingen.
Ten aanzien van de afsluitvergoeding met betrekking tot het vestigen van het zakelijk recht, is de vorming van een herinvesteringsreserve eventueel mogelijk, indien sprake is van een gedeeltelijke vervreemding. Daar is hier geen sprake van.
Doordat er geen sprake is van vervreemding van grond dient de opbrengst in de vorm van de afsluitvergoeding belast te worden in het jaar van ontvangst. Het is niet mogelijk deze vergoedingen van [netbeheerder] toe te voegen aan de herinvesteringsreserve.
Ik ben dan ook van plan op het punt van de herinvesteringsreserve in de aangifte af te wijken met een bedrag van € 139.563.
2.1
Met dagtekening 10 februari 2022 heeft de Inspecteur de aanslag opgelegd overeenkomstig de voorgenomen afwijking. De correcties zijn cijfermatig als volgt:
Correctie: Winst uit onderneming: herinvesteringsreserve
€ 139.562
Correctie: Winst uit onderneming: MKB-winstvrijstelling
-/- € 19.539
Totaal correcties
€ 120.023
Aangegeven verzamelinkomen
€ 124.744
Totaal correcties
€ 120.023
Vastgesteld verzamelinkomen
€ 244.767

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In geschil is of belanghebbende voor het bedrag van € 139.563 uit hoofde van de afsluitvergoeding een herinvesteringsreserve mag vormen.
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de bestreden aanslag tot een opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 124.744 en dienovereenkomstige vermindering van de bestreden beschikking belastingrente.
3.3
De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4.Beoordeling van het geschil

4.1
De Rechtbank heeft in haar uitspraak, waarvan hoger beroep, het volgende overwogen (waarbij onder “eiser” belanghebbende moet worden verstaan):

4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen herinvesteringsreserve kon vormen voor het bedrag van de afsluitvergoeding en dat de inspecteur de aanslag daarom niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Artikel 3.54 van de Wet IB 2001 bevat de regeling van de herinvesteringsreserve. Deze regeling maakt het – kort gezegd – mogelijk om de (boek)winst die wordt behaald bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel te reserveren, als er sprake is van een herinvesteringsvoornemen. Op eiser, die een beroep doet op toepassing van de regeling van de herinvesteringsreserve, rust de bewijslast aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden.
5.2.
Eiser stelt – samengevat – dat de vestiging van het opstalrecht ten behoeve van [netbeheerder] een in het kader van de herinvesteringsreserve relevante vervreemding van een gedeelte van de binnen de maatschap gebruikte grond betreft. De afsluitvergoeding is volgens eiser onderdeel van detegenprestatie
voor dan wel opbrengst van het vervreemde gedeelte van de grond, waardoor aan deze voorwaarde voor het vormen van een herinvesteringsreserve is voldaan.
5.3.
De inspecteur voert – kort gezegd – aan dat de afsluitvergoeding niet valt aan te merken alstegenprestatie
voor het vestigen van het opstalrecht, maar als een vergoeding voor het meewerken aan het vestigen van het opstalrecht ten behoeve van [netbeheerder] . De afsluitvergoeding is volgens de inspecteur betaald, omdat ervoor is gekozen om in onderling overleg met [netbeheerder] een opstalrecht te vestigen, in plaats van het aan te laten komen op een zogenoemde gedoogplichtprocedure op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Daarnaast betwist de inspecteur dat de vestiging van een opstalrecht kan worden gezien als eenvervreemding
in de zin van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 van de door de maatschap gebruikte grond.
Kwalificeert de van [netbeheerder] ontvangen afsluitvergoeding als tegenprestatie voor de vestiging van het opstalrecht?
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. In de opstalrechtovereenkomst (zie 2.4.) staat in artikel 6.2. dat de grondeigenaar onder meer een eenmalige vergoeding ontvangt voor het meewerken aan de (uitvoering van de) overeenkomst en voor de vestiging van het opstalrecht (de Afsluitvergoeding Zakelijk Recht). Daarnaast kan op grond van de opstalrechtovereenkomst recht bestaan op diverse vergoedingen voor onder meer hinder en schade aan de gronden. In de schade- en vergoedingengids (Bovengrondse 380 kV-hoogspanningsverbindingen) van [netbeheerder] (de gids) worden de verschillende vergoedingen die [netbeheerder] toekent nader uiteengezet. In paragraaf 3.2 (Vergoeding bij vestiging zakelijk recht) van de gids staat:
“ [netbeheerder] hanteert bij de vestiging van een zakelijk recht het principe van volledige schadeloosstelling zoals de Belemmeringenwet Privaatrecht die kent. Schadeloosstelling betekent dat de rechthebbenden vóór en ná de vestiging van het zakelijk recht in een gelijkwaardige vermogens inkomenspositie moet verkeren. (...)
Afsluitvergoeding en meewerkvergoeding
Naast de schadeloosstelling ontvangen de rechthebbenden voor het meewerken aan het op minnelijke wijze afsluiten van een zakelijk recht overeenkomst van [netbeheerder] eenmalig een afsluitvergoeding voor het zakelijk recht. Voor het meewerken aan het kunnen inrichten van een werkterrein ontvangt de gebruiker van het betreffende perceel de meewerkvergoeding werkterrein. (...)”
De gids vervolgt met een beschrijving van de overige vergoedingen die [netbeheerder] in dit verband mogelijk uitkeert, te weten de vergoedingen wegens ‘Vermogensschade’, ‘Inkomensschade’, ‘Bijkomende schade’ en ‘Toekomstschade’.
In onderdeel 5.2. (bis) van de gids (onder Belemmeringenwet Privaatrecht) staat – samengevat – dat indien niet (tijdig) minnelijke overeenstemming over het vestigen van een zakelijk recht wordt bereikt, een gedoogplichtprocedure in gang wordt gezet. Vervolgens staat er:
“Omdat noch de afsluitvergoeding zakelijk recht noch de meewerkvergoeding werkterrein die [netbeheerder] uitkeert in het kader van het minnelijk aangaan van een zakelijk rechtovereenkomst en/of een gebruiksovereenkomst schadevergoedingen zijn, zullen deze na het opleggen van een gedoogplicht niet worden toegekend.”
6.2.
Uit hetgeen hiervoor onder 6.1. is overwogen, leidt de rechtbank af dat de afsluitvergoeding een vergoeding betreft voor een voortvarende medewerking aan het – zonder gerechtelijke procedures – afsluiten van een overeenkomst tot het vestigen van het opstalrecht ten behoeve van [netbeheerder] , en aan het daadwerkelijk uitvoeren van die overeenkomst (door de vestiging van dat opstalrecht). Door rechthebbenden financieel te belonen voor hun medewerking aan het in onderling overleg (‘op minnelijke wijze’) vestigen van het opstalrecht, wordt voorkomen dat [netbeheerder] een gedoogplichtprocedure in gang moet zetten. De rechtbank ziet in de stukken geen aanknopingspunten voor de stelling van eiser dat de afsluitvergoeding een tegenprestatie is voor de vestiging van het opstalrecht als zodanig. De compensatie van waardevermindering vindt plaats door middel van andersoortige vergoedingen (die het woord ‘schade’ in de omschrijving hebben).
6.3.
Hetgeen is opgenomen in de notariële akte tot het vestigen van het opstalrecht leidt niet tot een ander oordeel. In de akte staat (in artikel 12) dat ter zake van de vestiging van het opstalrecht 6% overdrachtsbelasting is verschuldigd over de door de opstalhouder verschuldigde tegenprestatie van € 316.049,53. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden afgeleid dat ter zake van een grondslag van € 316.049,53 aangifte overdrachtsbelasting is gedaan in verband met de verkrijging van het opstalrecht. Hieruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een tegenprestatie voor een vervreemding in de zin van artikel 3.54 van de Wet IB. De partijen bij de akte hebben de betaalde afsluitvergoeding kennelijk aangemerkt als de tegenprestatie diein het kader van de overdrachtsbelasting
in aanmerking moet worden genomen ter zake van de vestiging van het opstalrecht. Dat gegeven bepaalt niet de kwalificatie van (de aard van) de afsluitvergoedingin het kader van de Wet IB
.
6.4.
Ook de verwijzing naar het contact met de heer [naam5] , die namens de Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus (VLB) aan besprekingen met de Belastingdienst heeft deelgenomen over de fiscale kwalificatie van schadevergoedingen die worden uitgekeerd door [netbeheerder] , kan eiser niet helpen. Eiser voert in zijn pleitnota aan dat [naam5] in een interne notitie tijdens deze besprekingen met de Belastingdienst het volgende heeft opgeschreven over de afsluitvergoeding:“In aanmerking nemende dat deze vergoeding wordt betaald als tegenprestatie voor de gedeeltelijke vervreemding van een onroerende zaak, acht ik het verdedigbaar dat hiervoor een verruimde herinvesteringsreserve kan worden gevormd.”
Reeds omdat het een algemene notitie betreft en hierin slechts de individuele zienswijze van de heer [naam5] is vastgelegd (en niet die van de inspecteur), kent de rechtbank hier geen betekenis aan toe in de zaak van eiser.
6.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afsluitvergoeding niet kan worden gekwalificeerd als vergoeding voor het vestigen van het opstalrecht op de binnen de maatschap gebruikte grond. Het is – plat gezegd – tekengeld. De rechtbank is reeds daarom van oordeel dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het vormen van een herinvesteringsreserve. (…)”.
4.2
Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met haar hiervoor – onder 4.1 – aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende daartegen in hoger beroep nog heeft aangevoerd, maakt het vorenoverwogene niet anders.
4.3
Belanghebbende heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat voor de vraag of de afsluitvergoeding kan worden opgenomen in een herinvesteringsreserve slechts van belang is of de ‘opbrengst’ de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, zoals bedoeld in artikel 3.54, eerste lid, van de Wet IB 2001 en dat moet worden vastgesteld of de afsluitvergoeding in economisch-feitelijke zin kan worden aangemerkt als ‘opbrengst’ van de vervreemding van het bedrijfsmiddel. Naar het oordeel van het Hof, is in het onderhavige geval ook in economische zin de afsluitvergoeding geen opbrengst van de vervreemding van een bedrijfsmiddel. De afsluitvergoeding is verstrekt voor het meewerken aan de vestiging van het recht van opstal. Uit de stukken van het geding volgt dat de afsluitvergoeding een vergoeding betreft voor de medewerking van belanghebbende aan het op minnelijke wijze afsluiten van een overeenkomst tot het vestigen van het zakelijke recht van opstal. Op deze wijze wordt voorkomen dat een beroep moet worden gedaan op de Belemmeringenwet Privaatrecht om aan belanghebbende een gedoogplicht - toestaan dat [netbeheerder] een aantal hoogspanningsmasten op de desbetreffende percelen plaatst - op te leggen (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden, 1 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9264, r.o. 4.4). De afsluitvergoeding vormt derhalve, naar het oordeel van het Hof, geen tegenprestatie voor de vestiging van het recht van opstal. De primaire stelling van de Inspecteur moet dus worden gevolgd. De (meer en nog meer) subsidiaire stelling van de Inspecteur behoeft dan geen behandeling meer.
4.4
Wat betreft de opmerkingen van belanghebbende over de heffing van overdrachtsbelasting, wijst het Hof er, in navolging van de Rechtbank, op dat de Wet op belastingen van rechtsverkeer weliswaar aanknoopt bij de verkrijging van een beperkt zakelijk recht, zoals het recht van opstal, maar dat voor de toepassing van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 eigen voorwaarden gelden, waaraan, zoals hiervoor is overwogen, niet is voldaan. Overigens is de maatstaf van heffing voor de overdrachtsbelasting de waarde of de hogere tegenprestatie, zodat uit de omstandigheid dat overdrachtsbelasting is geheven, niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een tegenprestatie voor de vervreemding van een bedrijfsmiddel.
4.5
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma)
(P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.