Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[plaats](hierna: belanghebbende)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De vaststaande feiten
Vergoeding(en)
In 2018 heeft [maatschap] en [belanghebbende] , waarin de heer [belanghebbende] voor 50% gerechtigd is, een vergoeding zakelijk recht ad. € 316.048 van [netbeheerder] ontvangen. Deze vergoeding wordt voor € 158.024 aan [belanghebbende] toegerekend. Hiervan is € 8.559 vrijgesteld en is € 149.465 toegevoegd aan de herinvesteringsreserve.
Enige jaren geleden is er overleg geweest tussen de VLB en de Belastingdienst over de fiscale kwalificatie van de schadevergoedingen uitgekeerd door [netbeheerder] . Hierbij is geconcludeerd, dat de meeste vergoedingen zijn aan te merken als inkomensschade, welke zijn belast in het jaar van ontvangst. Het vormen van een HIR is niet mogelijk. Het gaat hierbij onder andere om afsluitvergoedingen en meewerkvergoedingen.
3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
4.Beoordeling van het geschil
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen herinvesteringsreserve kon vormen voor het bedrag van de afsluitvergoeding en dat de inspecteur de aanslag daarom niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
voor dan wel opbrengst van het vervreemde gedeelte van de grond, waardoor aan deze voorwaarde voor het vormen van een herinvesteringsreserve is voldaan.
voor het vestigen van het opstalrecht, maar als een vergoeding voor het meewerken aan het vestigen van het opstalrecht ten behoeve van [netbeheerder] . De afsluitvergoeding is volgens de inspecteur betaald, omdat ervoor is gekozen om in onderling overleg met [netbeheerder] een opstalrecht te vestigen, in plaats van het aan te laten komen op een zogenoemde gedoogplichtprocedure op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Daarnaast betwist de inspecteur dat de vestiging van een opstalrecht kan worden gezien als eenvervreemding
in de zin van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 van de door de maatschap gebruikte grond.
in aanmerking moet worden genomen ter zake van de vestiging van het opstalrecht. Dat gegeven bepaalt niet de kwalificatie van (de aard van) de afsluitvergoedingin het kader van de Wet IB
.
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).