Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2059

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
200.359.892
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 1.1.4.12 procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid verzoek verlenging ontruiming opslagruimte

Verzoekster huurde een opslagruimte van Shurgard Nederland B.V. Na schriftelijke opzegging van de huurovereenkomst en aanzegging van ontruiming verzocht verzoekster de kantonrechter om verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a BW. De kantonrechter verklaarde haar verzoek niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend.

Verzoekster stelde in hoger beroep dat de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van artikel 7:230a BW was getreden en dat er doorbrekingsgronden waren voor het rechtsmiddelenverbod. Het hof oordeelde dat de opslagruimte onder de reikwijdte van artikel 7:230a BW valt en dat het verzoek inderdaad te laat was ingediend. Er waren geen doorbrekingsgronden aanwezig.

Het hof verwierp het hoger beroep en veroordeelde verzoekster tot betaling van de proceskosten van Shurgard. De mondelinge behandeling werd door verzoekster kort voor de zitting afgezegd, waardoor Shurgard onnodige kosten maakte. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hoger beroep van verzoekster wordt verworpen en zij wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Shurgard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.892
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, 11531056
beschikking van 7 april 2026
in de zaak van
[verzoekster]( [verzoekster] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: onttrokken
en
Shurgard Nederland B.V.(Shurgard)
die is gevestigd in Amsterdam
advocaat: mr. K.Y. Tan

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[verzoekster] heeft op 26 september 2025 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 27 juni 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift in hoger beroep
  • het door [verzoekster] nagezonden procesdossier van de procedure bij de kantonrechter.
1.2.
De advocaat die namens [verzoekster] het beroepschrift heeft ingediend, heeft zich een aantal weken nadat het hoger beroep is ingesteld onttrokken. Daarna heeft zich een andere advocaat voor [verzoekster] gesteld, die zich vervolgens op 26 december 2025 ook heeft onttrokken.
1.3.
Vervolgens heeft het hof partijen bij brieven van 20 januari 2026 in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij prijs stellen op een mondelinge behandeling of dat deze achterwege kan blijven. Mocht een mondelinge behandeling gewenst zijn, dan dienden partijen uiterlijk 3 februari 2026 hun verhinderdagen over zes maanden op te geven. De brieven aan [verzoekster] zijn aangetekend verzonden aan de bij het hof bekende adressen van haar in [woonplaats] en [plaats] .
1.4.
[verzoekster] heeft bij e-mailbericht van 3 februari 2026 laten weten dat zij niet akkoord ging met het afzien van een mondelinge behandeling. Verhinderdagen zijn van haar kant toen niet opgegeven. (De advocaat van) Shurgard heeft bij brief van 3 februari 2026 wel verhinderdagen opgegeven. Daarnaast heeft Shurgard aangegeven dat een mondelinge behandeling wat haar betreft achterwege kan blijven.
1.5.
Nu [verzoekster] prijs stelde op een mondelinge behandeling, heeft het hof een mondelinge behandeling bepaald, en wel op 16 maart 2026. Het hof heeft partijen bij brieven van 4 februari 2026 voor deze zitting opgeroepen. De brieven aan [verzoekster] zijn aangetekend verzonden. Deze brieven zijn op 12 februari 2026 (ten aanzien van haar adres in [plaats] ) en 24 februari 2026 (ten aanzien van haar adres in [woonplaats] ) retour gekomen bij het hof, omdat deze niet waren afgehaald bij het postafhaalpunt. Op 12 en 24 februari 2026 zijn de retour ontvangen brieven nogmaals verzonden, maar nu per gewone post.
1.6.
[verzoekster] heeft bij e-mailbericht van 27 februari 2026 uitstel verzocht van de mondelinge behandeling. Het hof heeft dit verzoek bij e-mailbericht van 2 maart 2026 afgewezen, omdat [verzoekster] dit verzoek niet heeft ingediend door tussenkomst van een advocaat.
1.7.
[verzoekster] heeft bij e-mailbericht van 10 maart 2026, dit maal door tussenkomst van een advocaat, verzocht om de geplande zitting aan de houden. Daarbij is aangevoerd dat [verzoekster] de brieven van het hof (te) laat heeft ontvangen en dat [verzoekster] nog geen advocaat heeft kunnen vinden. De advocaat die het uitstelverzoek heeft ingediend heeft te kennen gegeven zich niet als advocaat van [verzoekster] te stellen en slechts eenmalig namens [verzoekster] contact met het hof te leggen. Het uitstelverzoek is door het hof bij e-mailbericht van 11 maart 2026 afgewezen, omdat niet is gebleken van klemmende redenen voor uitstel (zie artikel 1.1.4.12 van het procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven).
1.8.
Een aantal uren voorafgaand aan de geplande zitting op 16 maart 2026 heeft [verzoekster] per e-mailbericht, zonder tussenkomst van een advocaat, het hof verzocht om de geplande zitting niet door te laten gaan en deze aan te houden. Daarnaast heeft zij meegedeeld dat zij niet aanwezig zal zijn bij de zitting. Mede gelet op de omstandigheid dat de zitting uitsluitend op verzoek van [verzoekster] was gepland, heeft het hof de zitting geannuleerd. Het verzoek van [verzoekster] om de mondelinge behandeling op een andere datum te plannen heeft het hof afgewezen.
1.9.
Het hof heeft vervolgens een datum voor het wijzen van de beschikking bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoekster] heeft van Shurgard een opslagruimte gehuurd. Shurgard heeft de huurovereenkomst schriftelijk opgezegd en een datum van de ontruiming aangezegd.
2.2.
[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht om op grond van artikel 7:230a BW de ontruimingstermijn van de opslagruimte te verlengen met een zo lang mogelijke termijn.
De kantonrechter heeft [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De bedoeling van het hoger beroep is dat het verzoek van [verzoekster] alsnog zal worden toegewezen.
2.3.
Het hof zal het hoger beroep van [verzoekster] verwerpen en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Tegen een beschikking van de kantonrechter op grond van artikel 7:230a BW staat geen hogere voorziening open (artikel 7:230a lid 8 BW). Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste rechtspraak worden doorbroken op één van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden, te weten indien de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. [1] Aangezien [verzoekster] zich op al deze doorbrekingsgronden heeft beroepen, is zij ontvankelijk in haar hoger beroep.
3.2.
[verzoekster] heeft in het kader van haar beroep op de doorbrekingsgronden aangevoerd dat de kantonrechter haar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek. Zij stelt onder meer dat de kantonrechter met dit oordeel buiten het toepassingsgebied van artikel 7:230a BW is getreden. Het hof overweegt dat de opslagruimte een gehuurde ruimte in de zin van artikel 7:230a BW betreft. Daarover bestaat tussen partijen geen discussie. De huurder van een dergelijke ruimte kan de rechter na het einde van de huurovereenkomst verzoeken de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden, te verlengen. Dat verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden na het tijdstip waartegen schriftelijk ontruiming is aangezegd (artikel 7:230a lid 1 BW). De kantonrechter heeft [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek, omdat zij haar verzoek te laat heeft ingediend. In dat kader heeft de kantonrechter overwogen dat Shurgard op 7 en 15 oktober 2024 de huurovereenkomst heeft opgezegd met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van vijftien dagen en dat zij daarbij de ontruiming per 22 oktober 2024 respectievelijk 2 november 2024 heeft aangezegd. Dat betekent dat de termijn van twee maanden in het uiterste geval op 2 januari 2025 verstreken is en het verzoek van Shurgard van 31 januari 2025 daarmee te laat is ingediend, aldus de kantonrechter.
3.3.
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht artikel 7:230a BW heeft toegepast en niet buiten het toepassingsgebied van artikel 7:230a BW is getreden. Ook is niet gebleken dat sprake is van een van de andere door [verzoekster] genoemde doorbrekingsgronden. In essentie is [verzoekster] het niet eens met de wijze waarop de kantonrechter artikel 7:230a lid 1 BW heeft toegepast en de uitkomst (en de motivering) daarvan, maar een beoordeling daarvan is alleen aan de orde als er een doorbrekingsgrond aanwezig is. In dit geval komt het hof aan die beoordeling niet toe omdat er geen doorbrekingsgrond aanwezig is.
De conclusie
3.4.
Het hoger beroep van [verzoekster] zal worden verworpen. Omdat [verzoekster] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van Shurgard bij het hof. Die kosten zullen worden vastgesteld op € 2.580,- aan salaris van de advocaat van Shurgard (2 procespunten x het toepasselijke tarief II). Naast een punt voor het verweerschrift in hoger beroep van Shurgard, zal het hof ook een punt toekennen voor de mondelinge behandeling die niet heeft plaatsgevonden. Deze mondelinge behandeling is namelijk door toedoen van [verzoekster] zeer kort van tevoren door het hof afgelast. Op dat moment waren Shurgard en haar advocaat al (bijna) gearriveerd bij het hof, waardoor Shurgard onnodige kosten heeft moeten maken.
3.5.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verwerpt het hoger beroep van Shurgard tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 27 juni 2025;
4.2.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de volgende proceskosten van Shurgard:
€ 851,- aan griffierecht;
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van Shurgard;
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.M.I. De Waele, K. Mans en M. Wallart, en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.

Voetnoten

1.HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3110.