De kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland verleende een machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen tot 12 april 2026, nadat acute zorgen over het gezin ontstonden. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht tevens om schorsing van de tenuitvoerlegging.
Het hof oordeelt dat de machtiging terecht is verleend omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen. De moeder's stelling dat de terugval in haar alcoholgebruik een incident was, wordt niet gevolgd. Het hof constateert een patroon van terugval na opname in een gestructureerde setting, waardoor duurzaam goed ouderschap niet is aangetoond.
De kinderen vertonen gedragsproblemen en hebben in hun jonge leven al veel instabiliteit ervaren. Nader onderzoek is noodzakelijk en kan niet in een ambulante thuissituatie plaatsvinden. Daarom is de uithuisplaatsing noodzakelijk voor hun verzorging, opvoeding en het onderzoek.
Het verzoek tot schorsing wordt afgewezen omdat het hof in deze beschikking in de hoofdzaak uitspraak doet. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd en het overige verzoek wordt afgewezen.