Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2076

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
200.365.370/01 en 200.365.370/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing kinderen wegens noodzakelijkheid voor verzorging en onderzoek

De kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland verleende een machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen tot 12 april 2026, nadat acute zorgen over het gezin ontstonden. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht tevens om schorsing van de tenuitvoerlegging.

Het hof oordeelt dat de machtiging terecht is verleend omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen. De moeder's stelling dat de terugval in haar alcoholgebruik een incident was, wordt niet gevolgd. Het hof constateert een patroon van terugval na opname in een gestructureerde setting, waardoor duurzaam goed ouderschap niet is aangetoond.

De kinderen vertonen gedragsproblemen en hebben in hun jonge leven al veel instabiliteit ervaren. Nader onderzoek is noodzakelijk en kan niet in een ambulante thuissituatie plaatsvinden. Daarom is de uithuisplaatsing noodzakelijk voor hun verzorging, opvoeding en het onderzoek.

Het verzoek tot schorsing wordt afgewezen omdat het hof in deze beschikking in de hoofdzaak uitspraak doet. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd en het overige verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen tot 12 april 2026 en wijst het verzoek tot schorsing af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM- LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.365.370/01 en 200.365.370/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 202502)
beschikking van 7 april 2026
over de uithuisplaatsing van: [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. I.W. van Dijk te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling,
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
die is gevestigd in Leeuwarden.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
bijgestaan door mr. F.P. van Dalen te Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend tot 12 april 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
De ouders hebben samen drie kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2018;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2022 en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2023.
2.2
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3
Bij beschikking van 12 april 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is nadien telkens verlengd; de huidige maatregel loopt tot 12 april 2026.
2.4
Op 31 oktober 2025 heeft de GI de kinderrechter (mondeling) verzocht om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.
2.5
De kinderrechter heeft bij beschikking van 31 oktober 2025 een machtiging verleend om de kinderen met ingang van 31 oktober 2025 voor de duur van vier weken uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
2.6
Bij beschikking van 21 november 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 15 januari 2026 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
2.7
Tot aan de uithuisplaatsing woonden de kinderen bij de moeder.
2.8
De vader heeft nog drie kinderen uit een eerdere relatie. De vader verblijft de ene week bij de moeder en de andere week in het gezin van zijn andere kinderen en hun moeder.
2.9
[de minderjarige1] verblijft sinds de uithuisplaatsing in een pleeggezin. [de minderjarige2] en [de minderjarige3] verblijven samen in een ander pleeggezin.
2.1
Ter zitting bij het hof heeft de GI verteld dat zij bij de kinderrechter een verzoek heeft ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De mondelinge behandeling van dit verzoek bij de rechtbank Noord-Nederland staat gepland op 8 april 2026.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De GI heeft de kinderrechter verzocht de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te mogen plaatsen.
3.2
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI bij beschikking van 14 januari 2026 voor de nog resterende duur ervan toegewezen en de GI gemachtigd om de kinderen uit huis te plaatsen tot 12 april 2026.
3.3
De kinderrechter heeft beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).

4.De procedure bij het hof

4.1
De moederis het niet eens met de beschikking van de kinderrechter van 14 januari 2026. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil - zoals het hof het begrijpt - dat het hof die beschikking vernietigt en het verzoek van de GI, voor zover het de resterende duur ervan betreft, alsnog afwijst. Ook wil zij dat het hof de tenuitvoerlegging van de beschikking schorst voor de duur van de behandeling in hoger beroep.
4.2
De vaderis het ook niet eens met de beschikking van de kinderrechter. Hij is het eens met wat de moeder in haar beroepschrift naar voren brengt.
4.3
De GIwil dat de beschikking in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met bijlage(n), ontvangen op 24 februari 2026;
  • de brief van de raad van 27 februari 2026, waarin de raad meldt niet over relevante rapportages te beschikken;
  • het verweerschrift van de GI;
  • het verweerschrift van de vader;
  • een brief van de GI van 24 maart 2026 met bijlage(n);
  • een brief van de GI van 30 maart 2026 met bijlage(n).
4.5
[de minderjarige1] heeft op 30 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de uithuisplaatsing.
4.6
De zitting bij het hof was op 31 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Rauwerda, waarnemend voor mr. Van Dijk;
  • de vader, bijgestaan door mr. Van Dalen;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de raad.

5.Het oordeel van het hof

Schorsingsverzoek 200.365.370/02
5.1
Omdat het hof bij deze beschikking uitspraak doet in de hoofdzaak heeft de moeder geen belang meer bij de gevraagde schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking. Het hof zal het verzoek daarom afwijzen.
Machtiging uithuisplaatsing 200.365.370/01
Wat staat in de wet?
5.2
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] .
Hoe oordeelt het hof?
5.3
De machtiging voor de uithuisplaatsing van de kinderen is verleend tot 12 april 2026.
5.4
De machtiging aan de GI is terecht gegeven omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter na eigen onderzoek over, maakt deze tot de zijne en voegt hier het volgende aan toe.
5.5
De kinderen zijn op 31 oktober 2025 met spoed uit huis geplaatst. Er waren toen acute zorgen over het gezin. De machtiging daartoe was nodig omdat de moeder door alcoholgebruik en overbelasting fysiek en emotioneel onvoldoende beschikbaar was voor de kinderen. Volgens de moeder was dat eenmalig en gaat het nu weer goed met haar. De moeder houdt vast aan de positieve ouderschapsbeoordeling na haar opname in [naam1] . Zij heeft daar naar eigen zeggen veel van geleerd. Bovendien is de vader nu meer beschikbaar zodat zij er samen voor de kinderen kunnen zijn. De moeder, en ook de vader, staat open voor hulpverlening voor zichzelf en de kinderen. De ouders vinden echter dat dit in de thuissituatie kan plaatsvinden.
5.6
Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat de terugval in alcoholgebruik in oktober 2025, die volgens de moeder getriggerd werd door de narcose bij een operatie, slechts een incident is geweest en dat hieraan teveel gewicht wordt toegekend. De GI heeft verteld dat de signalen en zorgen na de uithuisplaatsing zijn toegenomen, dan wel beter in kaart zijn gebracht. Het hof ziet daarbij een patroon van opnames van de moeder waarbij het in die gestructureerde setting goed genoeg gaat en – na thuiskomst - terugval in alcoholgebruik, waarbij er over langere tijd zorgelijke signalen zijn over de persoonlijke problematiek, de beschikbaarheid en de opvoedvaardigheden van de moeder. Dat bij de afsluiting van haar opname in [naam1] eind december 2024 sprake was van ‘goed genoeg ouderschap’ moet in het licht worden gezien van het feit dat deze beoordeling tot stand is gekomen in een geïnstitutionaliseerde setting, waar veel structuur en begeleiding was. Er is nader onderzoek nodig om inzicht te verkrijgen in de vraag of de moeder duurzaam goed genoeg ouderschap kan laten zien, ook als de structuur van een opname wegvalt. Dat de vader nu meer beschikbaar zou kunnen zijn dan voorheen, is niet voldoende om de zorgen weg te nemen.
5.7
Hoe goed genoeg ouderschap er voor de kinderen uitziet, wordt mede bepaald door hun problematiek en hun specifieke, verzwaarde, opvoedvraag. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken komen grote zorgen naar voren over de kinderen. Zij hebben in hun nog jonge leven al veel instabiliteit en onvoorspelbaarheid meegemaakt. [de minderjarige1] is op dit moment acht jaar oud en heeft gedurende zijn hele leven al meerdere keren in een pleeggezin verbleven. [de minderjarige1] is een teruggetrokken kind, vertoont signalen van stress en is geregeld somber. Ondanks dat hij heel graag terug wil naar zijn moeder, lijkt hij weinig hoopvol dat dit zal gebeuren. [de minderjarige1] heeft aan het hof verteld dat hij bang is dat zijn moeder niet voor hem kan zorgen, omdat dat eerder het geval was. Ook [de minderjarige2] en [de minderjarige3] hebben vanaf hun geboorte meerdere keren niet bij de moeder gewoond. De onvoorspelbare beschikbaarheid van de moeder heeft gevolgen voor hun gevoel van veiligheid. Alle drie kinderen vertonen gedragsproblematiek waar nadere diagnostiek voor nodig is, zodat bekeken kan worden wat de ontwikkeling van de kinderen vraagt van hun opvoeders. Het onderzoek van het [naam2] bevindt zich echter nog in de in de beginfase. Ook de uitkomsten van het door de kinderrechter gelaste raadsonderzoek zijn van belang voor de vraag of de kinderen terug naar huis kunnen en wat daarvoor nodig is. Het benodigde onderzoek dient zorgvuldig te worden uitgevoerd en vraagt de nodige rust van de kinderen. Daarom kan het niet in een ambulante setting met de kinderen thuis plaatsvinden, zoals de moeder heeft verzocht.
5.8
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de uithuisplaatsing van de kinderen in het kader van hun opvoeding en verzorging noodzakelijk is. Er moet bovendien onderzoek plaatsvinden naar de kinderen, zodat ook om die reden de uithuisplaatsing in hun belang noodzakelijk is.

6.De beslissing

Het hof:
in zaaknummer 200.365.370/02 (schorsing)
wijst het verzoek van de moeder af;
in zaaknummer 200.365.370/01 (hoofdzaak)
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 januari 2026 waarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is verleend tot 12 april 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. de Jong-de Goede, L. van Dijk en F. Menso, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 7 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.