Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2111

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
200.362.842
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging partneralimentatie wegens onvoldoende financiële informatie vrouw

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland waarin de partneralimentatie door de man aan de vrouw is gewijzigd en op nihil gesteld per 1 januari 2024. De rechtbank had dit gedaan omdat de vrouw geen inzage gaf in haar financiële situatie. De vrouw was het hier niet mee eens en kwam in hoger beroep.

De vrouw stelde dat haar behoefte en gezondheidstoestand niet waren gewijzigd en dat zij nog steeds 12 uur per week werkt bij Aldi. De man betoogde dat de vrouw meer is gaan werken en geen fysieke beperkingen heeft die haar verdiencapaciteit beperken. Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende inzicht had gegeven in haar financiële situatie en geen informatie had verstrekt over haar verdiencapaciteit of eventuele beperkingen.

Het hof verwierp de grieven van de vrouw en bekrachtigde de bestreden beschikking voor wat betreft de wijziging van de alimentatie. Tevens veroordeelde het hof de vrouw in de proceskosten van de man in beide instanties, omdat zij niet naar de zitting was gekomen en de man onnodige kosten had moeten maken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de wijziging van partneralimentatie op nihil per 1 januari 2024 en veroordeelt de vrouw in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.842
(zaaknummer rechtbank Gelderland 450593)
beschikking van 9 april 2026
inzake
[appellante](de vrouw)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. W. Vahl
en
[geïntimeerde](de man)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. C.L. Berkel

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift, ingekomen op 12 december 2026, met bijlagen
  • het verweerschrift
2.2
De zitting bij het hof was op 3 maart 2026. Aanwezig waren de man en zijn advocaat. De vrouw en haar advocaat waren, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig.

3.De feiten

3.1
In een beschikking van 26 mei 2021 heeft de rechtbank (onder meer) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 8 september 2021.
3.2
In die beschikking heeft de rechtbank de door de man te betalen partneralimentatie
vastgesteld op € 589 per maand en na een jaar na inschrijving van de beschikking in de registers op € 697 bruto per maand.
3.3
In een op 2 december 2021 gesloten vaststellingsovereenkomst zijn partijen het volgende overeengekomen:
In afwijking van de beslissing van de rechtbank van 26 mei 2021 betaalt de man aan de vrouw in de periode 1 november 2021 tot 1 november 2022 een bedrag aan alimentatie van € 400 per maand; over de periode 1 november 2022 tot 1 november 2023 betaalt de man € 500 per maand. Over genoemde bedragen is geen tussentijdse indexering van toepassing. Indexering vindt eerst plaats per 1 januari 2024. De alimentatieplicht als vastgelegd in de beslissing van de rechtbank herleeft voor als verplichting voor de man na 1 november 2023.

4.De omvang van het geschil

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de man de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie gewijzigd en op nihil gesteld met ingang van 1 januari 2024, omdat de vrouw geen inzage heeft gegeven in haar financiële situatie. De vrouw heeft bij de rechtbank geen verweer gevoerd.
4.2
De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, de verzoeken van de man alsnog af te wijzen of de door hem te betalen partneralimentatie vast te stellen op een bedrag dat volgens het hof juist is.
4.3
De man voert verweer en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken of die verzoeken af te wijzen, met veroordeling van haar in de kosten van de procedure.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw in 2019 € 1.807 netto per maand bedroeg en na indexering in 2026 € 2.378,07 netto per maand bedraagt.
5.2
De vrouw voert aan (met haar eerste grief) dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste en onvolledige gegevens en dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden wat betreft haar behoefte en behoeftigheid. Zij werkt nog steeds 12 uur per week bij Aldi en af en toe meer dan die 12 uur. Ook wat betreft haar medische klachten en gezondheidstoestand is er geen wijziging in haar situatie, aldus de vrouw.
5.3
De man stelt dat de vrouw geen inzage heeft gegeven in haar verdiencapaciteit per 1 januari 2024 en in haar financiële verdiensten. Hij heeft geconstateerd dat zij meer is gaan werken in haar gebruikelijke functie (als kassière bij Aldi) en dat zij geen fysieke beperkingen heeft die haar beletten om haar verdiencapaciteit ten volle te benutten. Het inkomen van de vrouw is gestegen en daarmee is zij in staat (voor een groter deel) te voorzien in haar behoefte, aldus de man.
5.4
Het hof is van oordeel dat de vrouw de stellingen van de man (ook door niet naar de zitting te komen bij de rechtbank en bij het hof) onvoldoende heeft weersproken. Zij heeft haar stellingen – tegenover de gemotiveerde betwisting door de man – niet nader onderbouwd en toegelicht. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële situatie. Zij heeft ook geen informatie verstrekt over haar verdiencapaciteit en over eventuele (lichamelijke) beperkingen die aan het (volledig) benutten daarvan op dit moment in de weg zouden kunnen staan. Grief 1 slaagt daarom niet.
5.5
Met grief 2 richt de vrouw zich tegen de beslissing van de rechtbank om de partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van 1 januari 2024. Het hof ziet geen aanleiding een andere ingangsdatum te hanteren dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de wijziging laten ingaan op die datum omdat de man in die maand (tevergeefs) heeft verzocht om inzage in de financiële gegevens van de vrouw. Vanaf dat moment had de vrouw kunnen voorzien dat (de hoogte van) het bedrag aan partneralimentatie zou kunnen wijzigen en dat mogelijk daarna teveel betaalde partneralimentatie moet worden terugbetaald.

6.De slotsom

6.1
De grieven van de vrouw falen en de bestreden beschikking blijft in stand (wordt bekrachtigd).
6.2
Omdat de vrouw zowel in eerste instantie als in hoger beroep in het ongelijk is gesteld (en niet naar de zitting is gekomen), heeft de man onnodig kosten moeten maken en ziet het hof aanleiding de vrouw te veroordelen in de proceskosten van de man in beide instanties, zoals de man heeft verzocht. Voor zover in de bestreden beschikking is bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt, wordt die beschikking daarom vernietigd. Het hof stelt de proceskosten van de man bij de rechtbank op € 331 aan griffierecht en € 614 aan salaris van de advocaat en bij het hof op € 373 aan griffierecht en € 1.290 aan salaris van de advocaat.

7.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 september 2025 voor zover daarbij de proceskosten zijn gecompenseerd en opnieuw beschikkende:
veroordeelt de vrouw tot betaling van de volgende proceskosten:
- in eerste aanleg € 331 aan griffierecht en € 614 aan salaris van de advocaat;
- in hoger beroep € 362 aan griffierecht en € 1.290 aan salaris van de advocaat;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.H.F. van Vugt en C.L.F.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, is getekend door mr. J.H. Lieber en is op 9 april 2026 uitgesproken in het openbaar.