Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:213

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
200.352.112/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 4 BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging zorgregeling en hoofdverblijf bij moeder ondanks verzoek co-ouderschapsregeling

De ouders zijn gezamenlijk gezagdragers van twee minderjarige kinderen, geboren in 2012 en 2015, en zijn sinds januari 2023 gescheiden. De rechtbank had bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en dat de vader de kinderen eens per veertien dagen van vrijdag tot woensdag bij zich heeft, met een evenredige verdeling van vakanties en feestdagen. Tevens is kinderalimentatie vastgesteld.

De vader stelde in hoger beroep een co-ouderschapsregeling voor waarbij de kinderen om en om bij elke ouder verblijven, met een gelijke verdeling van zorg en opvoedingstaken en zonder kinderalimentatie. De moeder verzocht in incidenteel hoger beroep om een eerdere ingangsdatum van de alimentatie.

Het hof overwoog dat gelijkwaardigheid van ouderschap niet automatisch een 50/50-verdeling van verblijftijd impliceert. De huidige regeling biedt de kinderen substantieel contact met beide ouders en past bij de situatie waarin de communicatie tussen ouders stroef is. Een week-op-week-af regeling vereist meer samenwerking die nu ontbreekt. Het hof adviseert hulpverlening om de samenwerking te verbeteren.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst de verzoeken van de vader af. De ingangsdatum van de alimentatie blijft ongewijzigd, aangezien terugwerkende kracht niet passend is gezien de pogingen tot afspraken tussen partijen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank waarbij het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder blijft en de zorgregeling ongewijzigd blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.112/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 195557)
beschikking van 15 januari 2026
in de zaak van
[de vader](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer,
en
[de moeder](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. B.M. Speel-van Dijk te Heerenveen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 28 februari 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 28 maart 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de moeder van 11 november 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 14 november 2025 met bijlage(n).
2.2
De hierna nader te noemen [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken met betrekking tot de verzoeken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. [minderjarige1] is op 24 november 2025 buiten aanwezigheid van partijen door het hof gehoord. [minderjarige2] heeft bij brief van 1 november 2025 zijn mening kenbaar gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 25 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2012;
- [minderjarige2] , geboren [in] 2015.
3.2
De vader heeft de kinderen erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over hen uit.
3.3
De relatie van de ouders is in januari 2023 verbroken. Het is de ouders niet gelukt de gevolgen hiervan vast te leggen in een ouderschapsplan.
3.4
Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Daarnaast is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald, waarbij de kinderen (samengevat) eens per veertien dagen van vrijdag 14.00 uur tot woensdag naar school bij de vader verblijven en de vakanties en feestdagen evenredig zijn verdeeld. Ten slotte is bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 25 juni 2024 € 198,- per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.De omvang van het geschil

4.1
De vader komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
- bij elk van de ouders één kind de hoofdverblijfplaats zal hebben, en dat beide partijen de kinderen bij zich hebben om en om gedurende de helft van de tijd, zijnde een zogenoemde co-ouderschapsregeling, waarbij geldt dat er een verdeling van zorg- en opvoedtaken geldt van week op week af, van vrijdag 17 uur tot vrijdag 17 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;
- partijen over en weer niet gehouden zijn tot betaling van kinderalimentatie.
4.2
De moeder voert verweer en komt op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep. Deze grief ziet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie. De moeder verzoekt het hof:
- de bestreden beschikking te bekrachtigen met uitzondering van het door de rechtbank onder punt 4.3 van het dictum van de beschikking bepaalde en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vader met ingang van 1 maart 2023 dan wel 1 januari 2024 € 198,- per kind per maand ten titel van kinderalimentatie aan de moeder dient te voldoen.

5.De motivering van de beslissing

Het hoofdverblijf en de zorgregeling
5.1
De ouders oefenen samen het ouderlijk gezag uit. In een dergelijk geval kan de rechter op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Dit kan onder andere een regeling betreffen omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling) en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.2
Het hof zal eerst de zorgregeling bespreken, omdat de beslissing daarover van invloed kan zijn op de beslissing over het hoofdverblijf van de kinderen. Voor zover de vader stelt dat het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap meebrengt dat een 50/50-verdeling moet gelden, overweegt het hof dat de in artikel 1:247, vierde lid, BW neergelegde gelijkwaardigheid van de ouders in de verzorging en opvoeding van het kind niet (noodzakelijkerwijs) impliceert dat een kind precies evenveel tijd bij de ene en de andere ouder dient door te brengen. Het is vooral belangrijk dat kinderen met beide ouders betekenisvol contact kunnen hebben, substantieel tijd kunnen doorbrengen en van hen allebei kunnen leren. Bij de huidige, door de rechtbank vastgestelde zorgregeling verblijven [minderjarige1] en [minderjarige2] van de veertien dagen vijf dagen bij de vader. Zij zijn zowel op doordeweekse dagen als in het weekend bij hem. Op deze manier maken zij een substantieel onderdeel uit van elkaars dagelijks leven en kan de vader, net als de moeder, de rol van opvoeder uitoefenen. Doordat de ouders dichtbij elkaar wonen, hebben de kinderen bovendien de mogelijkheid om zelf de vader op te zoeken op dagen dat ze bij de moeder zijn (of andersom). Dat hier in de praktijk door de eigen drukke bezigheden van de kinderen niet altijd iets van terecht komt, vormt geen aanleiding om de zorgregeling aan te passen. Het is aan de ouders om de kinderen de flexibiliteit en emotionele ruimte te bieden om tijdens het verblijf bij de ene ouder met de andere ouder contact te hebben.
5.3
Het hof overweegt daarnaast dat de communicatie tussen de ouders nog altijd erg stroef verloopt en tijdens de overdrachtsmomenten tot het minimum beperkt blijft. De spanningen zijn zodanig dat deze voelbaar moeten zijn voor de kinderen. De kinderen hebben het bij beide ouders goed, maar de wijze waarop de ouders met elkaar omgaan is zeer zorgelijk. Zoals de raad ter zitting heeft aangegeven, hebben de kinderen belang bij ouders die met elkaar overleggen en samenwerken om het ouderschap vorm te geven. Een week-op-week-af regeling, zoals de vader wenst, vraagt (nog) meer afstemming en samenwerking tussen de ouders ten aanzien van bijvoorbeeld sport, muziek of andere bezigheden, die dan immers de ene keer door de ene ouder en de andere keer door de andere ouder moeten worden begeleid. Bovendien zullen dan ook financiële kwesties meer met elkaar moeten worden afgestemd. Zolang de spanning tussen de ouders bovenliggend is, zij elkaar afwijzen en nauwelijks communiceren, zal de benodigde samenwerking niet tot stand komen. De ouders zullen een manier moeten vinden om het verleden te laten rusten en constructief invulling te geven aan het gezamenlijk ouderschap. Zoals ter zitting ook is besproken, is het in het belang van de kinderen dat de ouders hier hulpverlening voor aangaan, bijvoorbeeld via Wolfert in Context. Het hof adviseert de ouders daarnaast om persoonlijke hulpverlening te zoeken om de relatie(-breuk) een plek te geven en zich te kunnen richten op de kinderen en hun verantwoordelijkheid als ouders. De ouders kunnen deze hulpverlening zelf via de huisarts of het gebiedsteam aanvragen.
5.4
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, inclusief de daarin opgenomen regeling voor de vakanties en feestdagen, te wijzigen. Aangezien deze zorgregeling meebrengt dat de kinderen de meeste tijd bij de moeder doorbrengen, ligt het voor de hand om het hoofdverblijf van de kinderen ook bij haar te bepalen. Het hof ziet geen aanleiding om daar voor [minderjarige1] en [minderjarige2] een andere beslissing over te nemen. De verzoeken van de vader zullen dan ook worden afgewezen en de bestreden beschikking zal op deze punten wordt bekrachtigd.
De kinderalimentatie
5.5
Het hof vat het verzoek van de vader om over en weer geen kinderalimentatie vast te stellen op als een voorwaardelijk verzoek, namelijk voor het geval het hof zijn verzoeken ten aanzien van de zorgregeling en het hoofdverblijf van de kinderen zou toewijzen. Uit het voorgaande volgt dat het hof die verzoeken zal afwijzen en de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling in stand zal laten. Het verzoek van de man met betrekking tot de kinderalimentatie en het daarop betrekking hebbende ontvankelijkheidsverweer van de moeder behoeven daarom geen bespreking.
5.6
De moeder heeft in incidenteel hoger beroep verzocht een andere (eerdere) ingangsdatum van de kinderalimentatie vast te stellen. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de ingangsdatum en neemt deze over. In hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om (alsnog) een andere ingangsdatum vast te stellen. Weliswaar heeft de moeder in hoger beroep (wel) betwist dat de vader in de periode voorafgaand aan de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum heeft bijgedragen in verblijfsoverstijgende kosten, maar voor het hof weegt zwaar dat partijen nog lang hebben geprobeerd om afspraken met elkaar te maken over de verdeling van de kosten van de kinderen. Daarbij past niet dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht ook over die periode nog wordt vastgesteld.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
2 december 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, R. Feunekes en C. Coster, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 15 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.