Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2130

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
200.332.273/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens privé-uitgaven ten laste van vennootschap

In deze civiele zaak staat de bestuurdersaansprakelijkheid van [appellant] centraal wegens vermeende privé-uitgaven ten laste van Stego Nederland B.V. Het hof heeft de transacties gecategoriseerd en beoordeeld op zakelijkheid, waarbij het merendeel als privé-uitgaven is aangemerkt.

Het hof heeft vastgesteld dat [appellant] als statutair bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld door zijn eigen belang boven dat van Stego te stellen. Diverse categorieën uitgaven, zoals sponsoractiviteiten, deelname aan activiteiten, elektronica, lunches en diners, inkopen bij Sligro en bouwmarkten, relatiegeschenken, contante opnamen en overige transacties, zijn onderzocht en grotendeels als privé-uitgaven aangemerkt.

Het hof heeft de schadevergoeding vastgesteld op €163.832,10, waarbij eerdere terugbetalingen en reeds toegewezen bedragen in mindering zijn gebracht. Het hoger beroep van [appellant] is verworpen, terwijl het hoger beroep van Stego gedeeltelijk is toegewezen. Daarnaast is [appellant] veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: De bestuurder wordt aansprakelijk gehouden voor privé-uitgaven ten laste van de vennootschap en veroordeeld tot betaling van €163.832,10 schadevergoeding.

Uitspraak

.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.332.273/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 138885
arrest van 7 april 2026
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats1] en hoger beroep heeft ingesteld,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. J. Knotter te Emmen,
tegen
Stego Nederland B.V.,
die is gevestigd in Emmen en ook hoger beroep heeft ingesteld,
hierna:
Stego,
advocaat: mr. M.G. Krüger te Amsterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Eerder is in deze zaak een arrest [1] gewezen dat op 22 april 2025 is uitgesproken.
1.2
Bij beslissing van 3 juni 2025 is het verzoek van Stego tot het openstellen van tussentijds cassatieberoep tegen het arrest van 22 april 2025 afgewezen. In diezelfde beslissing is het verzoek van Stego tot aanpassing en/of herstel van dat arrest aangehouden tot het eindarrest.
1.3
Vervolgens hebben partijen de volgende stukken gewisseld:
  • een akte uitlating van 29 juli 2025 van Stego
  • een akte uitlating van 29 juli 2025 van [appellant] , met producties 24 tot en met 26
  • een antwoordakte van 23 september 2025 van Stego, met producties 56 en 57
  • een antwoordakte van 23 september 2025 van [appellant] , met producties 27 en 28.
1.4
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.Het verdere oordeel van het hof

Inleiding
2.1
In het arrest van 22 april 2025 is onder meer beslist dat het in hoger beroep als aanvullend gevorderde bedrag aan transacties van € 151.095,10 (‘de vermeerdering van eis’) onvoldoende concreet en toereikend is toegelicht en onderbouwd, zodat dat bedrag als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar is (ovw. 6.14 t/m 6.16).
2.2
Van de oorspronkelijke vordering van € 195.296,24 is een deel door [appellant] in de procedure bij de rechtbank als verschuldigd erkend; het gaat om € 16.037,76 (ovw. 4.22 van het bestreden eindvonnis). Wat betreft de oorspronkelijke vordering is verder overwogen dat de daarop door [appellant] gedane terugbetaling van € 8.261,60 in mindering moet worden gebracht, zodat een vordering van € 187.035,04 resteert (ovw. 6.32).
2.3
Het hof heeft over het resterende bedrag van € 187.035,04 overwogen dat het behoefte heeft dat de transacties, met hun nummer en/of datum zoals weergegeven in de dagvaarding en productie 10, door partijen worden gerubriceerd / gecategoriseerd naar de soorten transacties, zoals ook besproken in hoger beroep door partijen, met het door Stego gebruikte nummer en het bedrag van de transactie alsook het totaal daarvan per categorie. Het hof heeft de volgende categorieën geïdentificeerd:
sponsoractiviteiten (zijnde het bekostigen van uitingen waarbij de naam van Stego wordt geuit, niet zijnde de kosten van deelname aan activiteiten (zoals bezoeken van wedstrijden, het deelnemen aan (golf)clinics en/of (golf)toernooien));
deelname aan activiteiten (zoals bezoeken van wedstrijden, het deelnemen aan (golf)clinics en/of (golf)toernooien);
beurs- & reis- en daarmee samenhangende kosten (met opgaaf van data en locatie)
elektronica (inclusief toebehoren/accessoires);
kantoorlunches & diners na overwerk (op een externe locatie of extern gekocht, niet zijnde bij supermarkten of groothandels);
inkopen bij Sligro;
inkopen bij bouwmarkten;
lunches & diners;
relatiegeschenken (ongeacht soort);
contante opnamen en
overige transacties.
In verband met de begrijpelijkheid en overzichtelijkheid van de meer dan 800 te categoriseren transacties gaat het hof er vanuit dat een transactie in slechts één categorie wordt ondergebracht (ovw. 6.34).
Voor zover partijen in hun aktes buiten het opgegeven kader gaan en ook nog op andere punten ingaan, zal daarop geen acht worden geslagen, aldus ovw. 6.36.
2.4
Voor zover nu relevant heeft het hof tot slot overwogen dat het behoefte heeft aan informatie over de beurzen waaraan door Stego in de jaren 2015 tot en met 2020 is deelgenomen, meer in het bijzonder welke beurs, waar die heeft plaatsgevonden, op welke datum en welke personen van Stego daaraan hebben deelgenomen (ovw. 6.35).
Verzoek terugkomen op beslissing
2.5
Stego heeft het hof verzocht terug te komen op zijn beslissing in zijn tussenarrest over de vermeerdering van eis. Het in de ovw. 6.14 tot en met 6.16 van dat arrest neergelegde oordeel van het hof dat dat bedrag als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar is, is een bindende eindbeslissing.
2.6
De rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, is hieraan in beginsel in het verdere verloop van de procedure gebonden. De eisen van een goede procesorde kunnen echter meebrengen dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak wordt gedaan. [2] Een verzoek om terug te komen van een bindende eindbeslissing kan daarbij niet worden gebaseerd op stellingen of bewijsstukken die eerder hadden en kunnen worden aangevoerd dan wel ingebracht. [3]
2.7
Stego stelt zich op het standpunt dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan haar bewijsaanbod dat ziet op de stellingen die ten grondslag liggen aan de vermeerdering van eis en de privéuitgaven van [appellant] in dat kader, en dat het hof daarom moet terugkomen op bedoelde eindbeslissing. Stego ziet daarmee eraan voorbij dat aan de verstrekking van een bewijsopdracht vooraf gaat de vraag of wat bewezen zou moeten worden in voldoende mate is onderbouwd. Daarvan is in dit geval geen sprake. Een bewijsopdracht kan dat gebrek aan (begrijpelijke) onderbouwing niet repareren. De nadere onderbouwing had Stego eerder kunnen en moeten geven. Er is daardoor geen reden om terug te komen op wat het hof in ovw. 6.16 van het arrest van 22 april 2025 heeft beslist.
2.8
Een en ander betekent, zoals al in ovw. 6.36 van het tussenarrest is aangekondigd, dat het hof onbesproken laat wat Stego ná haar verzoek om terug te komen op bedoelde beslissing in haar akte van 29 juli 2025 (randnummers 39 tot en met 55) nader over de aan de vermeerdering van eis ten grondslag liggende transacties heeft aangevoerd. In het verlengde daarvan laat het hof eveneens in het midden wat [appellant] daarop in zijn antwoordakte van 23 september 2025 heeft geantwoord.
2.9
Aan het voorgaande voegt het hof ten overvloede nog wel toe dat Stego in haar akte van 29 juli 2025 het volgens haar aan de vermeerdering van eis ten grondslag liggende bedrag weliswaar uitwerkt maar daarbij schijnbaar geen aansluiting maakt met het als productie 52 bij haar akte van 19 februari 2025 overgelegde overzicht. De nu gegeven uitwerking leidt verder tot een lager onderbouwde vordering dan zou volgen uit genoemde productie 52 alsook uit productie 24 bij de memorie van antwoord van Stego. In dat opzicht is onverminderd aan de orde wat al in ovw. 6.14 en 6.16 van het tussenarrest is overwogen.
Categorieën van transacties - uitgangspunten
2.1
Bij de beoordeling van de (niet-)zakelijkheid van de door Stego gestelde transacties neemt het hof tot uitgangspunt dat op Stego de plicht rust voldoende concrete feiten en omstandigheden aan te voeren en te onderbouwen waaruit het onzakelijke karakter van de door haar genoemde transacties kan volgen – en daarmee het aan [appellant] te maken persoonlijk ernstig verwijt. Daar waar het onzakelijk karakter van een transactie zich al zonder toelichting van Stego opdringt of door Stego concreet is toegelicht en onderbouwd en daardoor aannemelijk is, ligt het op de weg van [appellant] dat onzakelijke karakter te ontkrachten of te ontzenuwen door feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig te bewijzen waardoor daaraan serieuze twijfel kan ontstaan. Dit houdt in dat [appellant] de feiten waarop Stego zich baseert, voldoende gemotiveerd moet hebben betwist. Wat een voldoende gemotiveerde betwisting is, hangt allereerst af van het processuele debat. In het algemeen geldt dat hoe concreter, preciezer en beter onderbouwd de stellingen van de ene partij zijn, des te hoger de eisen aan de betwisting van de wederpartij zullen zijn. [4]
2.11
Hier is verder van belang, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, dat de feiten waaruit kan volgen dat sprake is geweest van een zakelijke boeking in het domein van [appellant] liggen. Allereerst is daarvoor redengevend dat het [appellant] zelf is geweest die de door Stego gelaakte transacties heeft gedaan. Daarnaast geldt dat [appellant] als statutair bestuurder verantwoordelijk was voor het adequaat voeren van Stego’s administratie en daardoor steeds moest kunnen verantwoorden dat een in die administratie te boeken transactie een zakelijk karakter had en alleen Stego aanging. Zoals al in de ovw. 6.26 tot en 6.29 van het tussenarrest is vastgesteld, heeft [appellant] het met die verantwoordelijkheid in veel gevallen gedurende een periode van jaren niet zo nauw genomen. [appellant] zal dan ook niet snel kunnen volstaan met alleen een algemeen, niet-specifiek verweer en/of een summier verweer, maar moet hij dat motiveren. In zoverre rust op [appellant] een verzwaarde stelplicht ten aanzien van zijn verweer. Dat [appellant] in dat verband stelt niet over alle relevante informatie te beschikken, maakt dat niet anders. Bij die stelling past overigens ook de kanttekeningen dat i) [appellant] , gezien de door hem overgelegde producties, kennelijk zelf beschikt over meerdere, relevante stukken met betrekking tot meerdere transacties en ii) niet aannemelijk is dat Stego over de transacties over nog meer stukken beschikt dan al door haar is overgelegd (zie ovw. 6.10 van het tussenarrest).
Categorieën van transacties – (sub)totalen
2.12
Uit de van partijen gevraagde categorisering kan op het niveau van (sub)totalen het volgende worden opgemaakt.
2.13
Stego heeft het door haar gevorderde bedrag van € 195.296,61 onderverdeeld naar “creditcard-uitgaven” en “overige uitgaven” en dan vervolgens die rubrieken uitgesplitst naar de hiervoor in ovw. 2.3 genoemde categorieën. In de categorieën iii), v) en ix) heeft Stego geen bedragen ondergebracht. Alle subtotalen sluiten op het gevorderde bedrag.
2.14
[appellant] heeft geen onderverdeling naar subtotalen gemaakt maar de transacties gerangschikt per (gebroken) boekjaar op nummer (productie 24 bij akte uitlating van 29 juli 2025) en per (gebroken) boekjaar op categorie (productie 25).
Producties 24 en 25 sluiten vervolgens per boekjaar op:
2015/2016 € 19.618,19 (zakelijk) + € 3.207,93 (privé)
2016/2017 € 23.870,89 (zakelijk) + € 3.904,11 (privé)
2017/2018 € 40.326,75 (zakelijk) + € 6.599,54 (privé)
2018/2019 € 29.511,69 (zakelijk) + € 5.237,03 (privé) en
2019/2020 € 25.085,92 (zakelijk) + € 3.788,69 (privé).
Deze bedragen tellen op tot € 138.413,44 (zakelijk) en op € 22.737,30 (privé), samen € 161.150,74. Uit een en ander volgt dat i) de door [appellant] gegeven categorisering niet aansluit bij de aan de orde zijnde vordering en ii) [appellant] kennelijk alsnog een hoger bedrag als privé-uitgaven erkent (vgl. ovw. 2.2 hiervoor).
2.15
Dat [appellant] niet alle door Stego opgevoerde transacties in een categorie kon plaatsen, zoals hij in zijn antwoordakte van 23 september 2025 stelt, kan niet worden gevolgd; [appellant] heeft in zijn producties 24 en 25 al veelvuldig transacties in de restcategorie xi) ondergebracht. In die zin is de door [appellant] in zijn akte van 29 juli 2025 gegeven informatie gemankeerd.
2.16
In zijn antwoordakte van 23 september 2025 heeft [appellant] voorts betoogd dat hij (pas) op basis van de door Stego bij haar akte van 29 juli 2025 verschafte indeling gerichter kon reageren. Om die reden heeft hij de producties 27 en 28 opgesteld waarin hij naar zijn zeggen per regel reageert op het door Stego opgestelde overzicht. Anders dan [appellant] verzoekt, zal het hof zijn producties 27 en 28 niet tot uitgangspunt nemen. Zo’n reactie had [appellant] bij zijn akte van 29 juli 2025 moeten voegen. Stego is daardoor ook niet in de gelegenheid geweest zich over die producties uit te laten. Verder geldt dat die producties geen (sub)totalen bevatten; [appellant] telt in zijn antwoordakte in paragraaf 4 ‘als conclusie van de producties 27 en 28’ de bedragen van de elf categorieën op tot een totaalbedrag van € 207.680,59. Dat overschrijdt ruimschoots het door Stego gevorderde bedrag. Daarmee sluit die tweede door [appellant] gegeven categorisering dus evenmin aan. Waarom dat zo is, wordt door hem in zijn antwoordakte niet toegelicht. Evenmin wordt verduidelijkt welk deel daarvan door [appellant] als privé-uitgaven wordt aangemerkt. In productie 27 zijn 151 transacties als (deels) ‘privé’ aangemerkt. Het hof heeft deze opgeteld en komt uit op € 20.433,41. Dat in productie 27 op een lager bedrag als privé-uitgaven wordt uitgekomen dan [appellant] in zijn daaraan voorafgegane producties 24 en 25 heeft opgenomen, is evenmin uitgelegd.
2.17
Uit wat hiervoor over de gegeven (sub)totalen is overwogen, volgt dat op aspecten van (rekenkundige) volledigheid en consistentie de nodige kanttekeningen bij de door [appellant] gegeven nadere toelichting kunnen worden geplaatst. Gelet op het voorgaande zal het hof de door Stego in haar akte van 29 juli 2025 gegeven overzichten en de daarbij voor de transacties gebruikte nummering volgen en op basis daarvan de indeling in een categorie en het karakter van de transacties – zakelijk of privé – beoordelen.
Categorieën van transacties – per categorie
2.18
Met inachtneming van het voorgaande geldt dan het volgende:
i)
Sponsoractiviteiten
2.19
Volgens Stego heeft [appellant] hiervoor € 13.079,17 uitgegeven terwijl de onderliggende bedragen volgens haar als privé zouden moeten worden aangemerkt. [5] [appellant] heeft in productie 25 van zijn akte van 29 juli 2025 de transacties aangeduid die volgens hem sponsoractiviteiten zijn geweest. Deze opsomming telt op tot € 27.228,25, inclusief volgens [appellant] dubbel geboekte bedragen. Volgens [appellant] in zijn antwoordakte is € 379,94 aan creditcard-uitgaven en € 24.260,62 aan overige uitgaven in deze categorie onder te brengen en hadden deze uitgaven steeds een zakelijk karakter. Waarom [appellant] in zijn antwoordakte op een lager besteed bedrag aan sponsoractiviteiten uitkomt, is niet door hem uitgelegd.
2.2
Vast staat dat [appellant] als statutair bestuurder van Stego een zekere vrijheid had om binnen het gegeven budget de activiteiten te kiezen die Stego zou sponsoren. [appellant] heeft vervolgens met zijn keuze om Stego alleen organisaties in en rondom zijn woonplaats te laten sponsoren, zoals de plaatselijke golfclub (Golfparc Sandur waar [appellant] veelvuldig zijn hobby uitoefende en ook een functie vervulde) en FC Emmen, daar waar Stego de markt van heel Nederland en België moest bedienen, (opnieuw) de indruk gewekt daarbij zijn eigen belang te hebben vooropgesteld. Dit is echter onvoldoende om de kosten van deze sponsoring, die onmiskenbaar ook een zakelijk aspect heeft, alsnog achteraf als privé-uitgaven van [appellant] aan te merken. Dit betekent dat het hier door Stego gestelde bedrag van € 13.079,17 niet voor vergoeding in aanmerking komt.
2.21
[appellant] stelt dat meer transacties dan door Stego is aangenomen, moeten worden aangemerkt als sponsoractiviteiten, maar daarin volgt het hof hem – op een paar uitzonderingen na – niet.
- Wat betreft de door [appellant] aangewezen jaarlijkse kosten van het (bedrijfs)lidmaatschap van Stego van golfclub Parc Sandur geldt dat gesteld noch gebleken is dat aan dat lidmaatschap een (reclame-)uiting of iets dergelijks was verbonden. De stelling dat dat lidmaatschap werd gebruikt om met zakelijke relaties te golfen, is van iedere concrete onderbouwing verstoken gebleven. Het hof volgt Stego dan ook in haar stelling dat die transacties in categorie ii) geplaatst moeten worden. Het gaat daarbij om bedragen die oplopen van € 1.264,15 in 2015/2016 tot € 2.079,66 in 2019/2020. [6]
- [appellant] heeft daarnaast nog meerdere andere transacties, gedaan bij Parc Sandur, [7] aangewezen als een sponsoractiviteit. Bij gebrek aan concrete toelichting valt niet in te zien dat het gaat om bekostiging van sponsoractiviteiten.
- Verder valt niet in te zien dat bij Wehkamp gedane aanschaf ad € 79,95 voor een relatiegeschenk [8] toch aangemerkt zou moeten worden als een sponsoractiviteit.
- De nu door [appellant] als sponsoractiviteit genoemde bijdrage van € 3.700 voor de Ronde Tafel [9] is eerder door hem in de stukken [10] beschreven als een door een aantal sponsoren van de Ronde Tafel tijdens een sponsorrally bijeengehaald bedrag dat door [appellant] later is overgemaakt naar de bankrekening van de Ronde Tafel – een serviceclub voor volwassen mannen naar het hof begrijpt. Uit de door Stego overgelegde factuur van 13 mei 2016 [11] moet veeleer worden opgemaakt dat [appellant] daarmee de kosten van zijn deelname aan een autorally betaalde. Wat daar verder ook van zij; een en ander kan bezwaarlijk worden gezien als een sponsoractiviteit als bedoeld in ovw. 2.24.
- Niet nader toegelicht is de overboeking ten behoeve van [naam1] op een aan de golfclub gerichte factuur [12] ziet op een sponsoractiviteit.
- Bij gebrek aan voldoende toelichting valt evenmin te begrijpen dat een door [appellant] genoemde overboeking naar “KWF Kankerbestrijding” ad € 250 [13] of naar de Lions Club ad € 125 [14] dan wel de creditcard-uitgave ad € 49,99 aan Mediapress [15] als sponsoractiviteiten moet worden aangemerkt.
- Voor de door [appellant] aangewezen uitgave ‘wrappen golfbuggy autoreclame’ voor € 653,40 [16] is de uitleg gegeven dat deze ziet op een sponsorovereenkomst voor de duur van vijf jaar, op basis waarvan een reclameuiting van Stego zichtbaar is op een golfbuggy van en de bedrijfswand in de golfclub. Gegeven die uitleg kon Stego niet volstaan met de enkele stelling dat onduidelijk is of die transactie inderdaad sponsorgerelateerd is. Het hof gaat daar dus wel vanuit.
- Over de ‘overige uitgaven 2017/2018’ heeft [appellant] transacties [17] van € 250, € 2.093,50 en € 605 met FC Emmen aangewezen en gesteld dat die zien op sponsoring. Stego heeft daartegenover gesteld dat de sponsorovereenkomst met FC Emmen in dat seizoen al was afgelopen. Uit de door [appellant] gegeven omschrijving blijkt echter dat twee bedragen van € 605 [18] zijn omschreven als ‘sponsoruiting op E-boarding voor gehele seizoen’. Het hof geeft hem dan ook voor deze bedragen van in totaal € 1.210 het voordeel van de twijfel. Dat geldt niet voor de gestelde kosten van huur van een business lounge en de aanschaf van horecamunten. Niet valt in te zien dat dat kosten van sponsoring zijn. Het hof gaat er verder vanuit dat de in de ‘overige uitgaven 2018/2019’ opgenomen overboekingen [19] aan FC Emmen van € 2.152,75 van 21 januari 2019 en 4 juli 20019 – en dus niet dubbel zijn geboekt, zoals [appellant] stelt – alsook de in de ‘overige uitgaven 2019/2020’ opgenomen betalingen aan FC Emmen van € 2.152,75 [20] en € 160 ook zien op de huur van een business lounge (en de aankoop van horecamunten) en daarmee niet thuishoren in de categorie ‘sponsoractiviteiten’.
2.22
Een en ander leidt ertoe dat het aan sponsoractiviteiten bestede bedrag moet worden bij gesteld tot € 14.942,57 (€ 13.079,17 + € 653,40 + € 1.210). Dit bedrag is, gezien ovw. 2.20, niet door [appellant] aan Stego verschuldigd.
ii)
deelname aan activiteiten
2.23
Met deze categorie wordt bedoeld het bezoeken van wedstrijden en het deelnemen aan (golf)clinics en/of (golf)toernooien en andere evenementen, waarvan de kosten ten laste van Stego zijn gebracht. Volgens Stego heeft [appellant] hieraan via de creditcard € 357,50 uitgegeven en op andere wijze € 11.931,34, samen € 12.288,84. [appellant] becijfert dat daaraan minder is uitgegeven en komt uit op circa € 9.300.
2.24
Zoals hiervoor is overwogen, zijn de kosten van een (bedrijfs)lidmaatschap van de golfclub in Emmen als zodanig niet als kosten van sponsoring aan te merken waarvan Stego nog geacht kan worden profijt te hebben. Het door Stego laten betalen van deze kosten heeft het voor [appellant] mogelijk gemaakt dat hij zijn hobby van het golfspel kon beoefenen. Daardoor moet ervan uit worden gegaan dat [appellant] met dat door Stego bekostigde jaarlijkse lidmaatschap zijn eigen belang heeft gediend. Dat kan niet op Stego worden afgewenteld. Dit is alleen anders als voldoende aannemelijk wordt dat [appellant] dat golfspel in relevante mate zakelijk heeft ingezet door zakelijke relaties daarvoor uit te nodigen en daarmee tijdens het spelen van golf de zakelijke belangen van Stego te dienen. [appellant] stelt vervolgens wel dat hij – naar het hof begrijpt in de relevante jaren vele malen – met zakelijke relaties heeft gegolfd, maar hij is in het geheel niet specifiek geweest met welke zakelijke relaties heeft dan heeft gegolfd, al dan niet in wedstrijdvorm. [appellant] heeft het in dat verband gelaten bij algemeenheden. Bij dit alles geldt dat [appellant] niet gemotiveerd heeft weersproken Stego’s stelling dat in de door hem periodiek aan haar uitgebrachte rapportages ieder aanknopingspunt ontbreekt voor een zakelijk contact ter zake. Aan het betoog van [appellant] dat het hier gaat om de kosten van “zakelijke” golf gaat het hof dan ook voorbij.
2.25
Op dezelfde voet weegt het hof de kosten van golfevenementen of -wedstrijden elders. [21] Zonder concrete toelichting van [appellant] , die echter is uitgebleven, valt niet in te zien dat het zakelijk belang van Stego daarbij voorop stond en werd gediend. Een en ander geldt ook voor de kosten die worden opgevoerd als i) kaarten voor wedstrijden van FC Emmen, ii) het lidmaatschap van de Lionsclub Coevorden, iii) een aan een golfleraar betaalde vergoeding, iv) een aan “NOC Emmen” betaald bedrag [22] , v) een aan Hotel Martensplek betaald bedrag of v) aan Brasserie Semslanden betaalde bedragen. Opvallend is dit verband dat [appellant] ook meerdere betalingen, die als begunstigde “Golfparc Sandur – Essen usw.” vermelden, als kosten van activiteiten aanmerkt terwijl die begunstiging op een betaling in de horeca van de golfclub wijst. Een en ander wordt niet anders als [appellant] een enkele maal een werknemer van Stego zo’n activiteit heeft laten bijwonen.
2.26
Met een en ander komt het hof tot slotsom dat het onzakelijke karakter van de uitgaven van deze categorie door Stego in voldoende mate is onderbouwd en door [appellant] in onvoldoende mate is weersproken. Met dit bedrag van € 12.288,84 zal het hof als door [appellant] aan Stego verschuldigd dan ook rekening houden.
iii)
beurs- & reis- en daarmee samenhangende kosten
2.27
[appellant] stelt dat van het gevorderde bedrag delen van € 10.569,92 (creditcard) en € 1.734,86 (overige uitgaven) zien op deze categorie en dat het gaat om zakelijke uitgaven. Stego betoogt dat geen van de gelaakte transacties in deze categorie kan worden geplaatst.
2.28
Stego heeft in haar akte van 29 juli 2025, randnummer 19, zestien beurzen opgesomd waaraan [appellant] volgens de door hem opgestelde maandelijkse overzichten in de periode van januari 2016 tot en met april 2018 te harer behoeve heeft deelgenomen. Voor zover Stego in randnummer 39 e.v. van die akte nog meer of andere beurzen noemt, vallen de kosten daarvan onder de vorderingen die aan de eisvermeerdering ten grondslag liggen. Zoals overwogen, is op dat deel van de vordering al beslist, zodat die opgevoerde beurzen verder onbesproken worden gelaten. Dat [appellant] de zestien door Stego opgevoerde beurzen heeft bezocht, is door [appellant] als zodanig niet betwist.
2.29
[appellant] heeft onder verwijzing naar productie 26 betoogd dat hij in de periode van 2009 tot en met april 2019 namens Stego aan 28 beurzen heeft deelgenomen. Van deze beurzen vallen echter veertien buiten de periode waarop Stego haar vordering tot terugbetaling baseert (Intertraffic in steeds maart van 2010, 2012 en 2014, Elektravak Hardenberg in steeds december van 2009 tot en met 2014, Hannover Messe in steeds april van 2013, 2014 en 2015, en Verkeer en Mobiliteit Houten in november 2013 en november 2014). Deze veertien beurzen kunnen daarom eveneens onbesproken worden gelaten.
2.3
Wat betreft de resterende veertien door [appellant] opgevoerde beurzen geldt allereerst dat uit zijn eigen stellingen volgt dat hij de beurzen Intertraffic en Hannover Messe van 2020 in verband met Covid-beperkingen niet heeft bezocht. Van de resterende twaalf beurzen stemmen er acht overeen met de door Stego opgevoerde beurzen. Aangaande de resterende vier beurzen betwist Stego gemotiveerd dat [appellant] die heeft bezocht (Elektravak Hardenberg in 2015 en 2017, Hannover Messe 2019 en Verkeer en Mobiliteit Houten 2015).
2.31
Gelet op een en ander gaat het hof er vanuit dat [appellant] namens Stego de volgende beurzen heeft bezocht:
  • Exhibition Hardenberg; 12-14 januari 2016
  • Boot Holland in Leeuwarden, 12-17 februari 2016
  • Intertraffic in Amsterdam, 5-8 april 2016
  • Hannover Messe, 25-29 april 2016
  • METS in Amsterdam, 15-17 november 2016
  • Verkeer & Mobiliteit in Houten, 23-24 november 2016
  • Elektrovakbeurs in Hardenberg, 29-30 november 2016
  • Verkeer & Mobiliteit in Houten, eind november/begin december 2016
  • Elektrotechniek in Hardenberg, 29 november - 1 december 2016
  • Boot Holland in Leeuwarden, 10-15 februari 2017
  • Hannover Messe, 24-28 april 2017
  • METS in Amsterdam, 14-16 november 2017
  • Verkeer & Mobiliteit in Houten, 22-23 november 2017
  • Windpower in Amsterdam, 29 november 2017
  • Intertraffic in Amsterdam, 20-23 maart 2018
  • Hannover Messe, 23-27 april 2018.
Hieronder zal zo nodig verder worden ingegaan op voormeld beursbezoek.
2.32
Gezien het voorgaande staat vast dat Stego heeft deelgenomen aan beurzen. Dat maakt al aannemelijk dat in dat verband allerlei kosten zijn gemaakt alsook dat eventuele kosten van het reizen van en naar het bezoeken van klanten als zakelijk hebben te gelden. Voor zover dan voor maaltijden en hotelverblijf wordt betaald op data die in verband kunnen worden gebracht met één van voormelde beursdata, zoals [appellant] stelt, acht het hof niet onaannemelijk dat die kosten een zakelijk karakter hebben. [23] Een dergelijk door [appellant] gesteld verband kan niet worden aangenomen voor andere door hem aangewezen kosten [24] : de data stemmen daartoe – ook bij benadering – niet overeen en het verband met beurs- of reiskosten is voor het overige onvoldoende toegelicht. Dat die kosten in verband stonden met beurzen of dienstreizen behoefde nadere toelichting van [appellant] , die echter is uitgebleven. Per saldo heeft [appellant] van de hier bedoelde kosten een gedeelte van € 3.717,38 [25] in voldoende mate onderbouwd dat sprake is geweest van zakelijke kosten. Van het gevorderde bedrag is daarmee een deel van € 3.717,38 niet als privé-uitgaven aan te merken. Voor het overige gaat het hof bij deze categorie voorbij aan de stellingen van partijen.
iv) elektronica
2.33
Volgens Stego heeft [appellant] aan allerlei apparatuur met toebehoren € 10.265,11 (€ 7.935,50 via creditcard en € 2.329,61 op andere wijze) op haar kosten aangeschaft terwijl het zijn privéuitgaven zijn.
2.34
Onomstreden is allereerst dat op kosten van Stego door [appellant] een iMac [26] is aangeschaft, alsook twee iPads en twee iPhones [27] , alles met toebehoren als kabels, hoesjes [28] e.d. en ook dat de kosten [29] van extra opslag in de iCloud van Apple zakelijk is geboekt. Stego heeft daarover aangevoerd dat er geen zakelijke noodzaak was voor de aanschaf omdat binnen het concern alleen wordt gewerkt met apparaten op basis van Microsoft- en Android-software en dat bij klantbezoeken kon worden gewerkt met de beschikbare laptops. Dit heeft [appellant] niet gemotiveerd weersproken alsook het gegeven dat genoemde Apple-apparatuur niet in de afschrijvingsstaat is opgenomen en ook nimmer door Stego is teruggevonden. [appellant] heeft in dat verband erkend dat hij de iMac bij hem thuis heeft geplaatst en nog steeds in zijn bezit heeft. Stego stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat deze kosten ten onrechte als zakelijk zijn geboekt en als privéuitgaven van [appellant] moeten worden aangemerkt.
2.35
[appellant] heeft verder erkend dat hij in juli 2016 bij de MediaMarkt op kosten van Stego vier Sonos-luidsprekers ad € 2.035,89 [30] heeft gekocht en dat dit een privé-uitgave betreft. Hetzelfde geldt voor de uitgave op 10 mei 2019 bij PowerSound ad € 211,75. [31]
2.36
Stego wijst verder op de aanschaf [32] van een Apple-Watch op 9 september 2015 voor € 1.304 en dat dit een niet-zakelijke aanschaf betreft. Volgens [appellant] zien deze kosten op de aanschaf van een iMac, die (ook) zakelijk is gebruikt. Gelet op de door Stego overgelegde factuur [33] is dat onjuist. Op de voet van wat hiervoor is overwogen, wordt ook deze uitgave als privé aangemerkt.
2.37
[appellant] heeft ook de maandelijkse kosten [34] van een abonnement op de muziekstreamingsdienst Spotify ten laste van Stego gebracht. Het beluisteren van muziek moet tegen de achtergrond van de activiteiten van Stego in de eerste plaats als een privé-activiteit worden gezien. [appellant] heeft onvoldoende uitgelegd dat de mogelijkheid om óók op kantoor van Spotify te gebruiken, maakt dat dergelijke kosten als zakelijke uitgaven hebben te gelden. Het hof volgt hem daarin dan ook niet. Aan het aanbod van [appellant] om de toenmalige werknemer Cazemier als getuige te horen over het op kantoor beluisteren van muziek via Spotify gaat het hof dan ook als niet relevant voorbij.
2.38
Wat betreft de TV-wandbevestiging [35] stelt [appellant] dat hij deze heeft aangeschaft ten behoeve van de beurs Intertraffic in maart 2018. De aanschaf dateert echter van 27 juli 2018 zodat de door [appellant] gegeven verklaring mank gaat. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [appellant] deze aanschaf voor zichzelf heeft gedaan.
2.39
Volgens [appellant] ziet de uitgave van € 380 bij Elektronicaconcern BCC [36] op de aankoop van een vaatwasser voor kantoor ter vervanging van een defect exemplaar aldaar. Uit wat Stego heeft aangevoerd, kan niet worden opgemaakt dat die stelling van [appellant] voor onjuist moet worden gehouden zodat het hof ervan uitgaat dat deze transactie wel een zakelijk karakter had.
2.4
Het voorgaande leidt ertoe dat van deze categorie ad € 10.265,11 een deel van € 380 wel als een zakelijke uitgave moet worden aangemerkt en dat de resterende € 9.885,11 heeft te gelden als privé-uitgaven van [appellant] .
v)
kantoorlunches & diners na overwerk
2.41
[appellant] stelt dat van het gevorderde bedrag delen van € 8.829,85 (creditcard) en € 515,73 (overige uitgaven) zien op deze categorie en dat het gaat om zakelijke uitgaven. Stego betoogt dat geen van deze uitgaven een zakelijk karakter kan worden toegekend.
2.42
Wat betreft de kantoorlunches rechtvaardigt [appellant] het zakelijk karakter met de stelling dat er een regeling bestond dat iedere medewerker per dag € 0,50 inlegde, welk bedrag dan op de kantoorrekening werd gestort en dan op kosten van Stego werd geluncht, zo ook bij McDonalds. Dat zo’n regeling bestond, is niet onderbouwd. Dat zo’n regeling bij de drie medewerkers van Stego voor Stego kostendekkend/kostenneutraal was, is ook niet toegelicht. De door [appellant] in dit verband overgelegde bankafschriften [37] tonen ook geen stortingen, maar twee overboekingen op twee opvolgende dagen van zijn bankrekening naar die van Stego, zonder omschrijving, met bedragen die niet het veelvoud zijn van € 0,50. Wat betreft “de diners na overwerk” (alleen en/of met één of meer werknemers van Stego) geldt dat het zakelijke karakter daarvan van iedere aannemelijke verklaring en onderbouwing verstoken is gebleven. Aan het verweer van [appellant] moet dan ook als onvoldoende onderbouwd voorbij worden gegaan. De aan de voormelde totaalbedragen onderliggende transacties behoeft het hof dan ook niet afzonderlijk te bespreken.
vi)
inkopen bij Sligro
2.43
[appellant] heeft, zo staat vast, via de aan hem ter beschikking gestelde creditcard in de jaren 2015/2016 tot en met 2019/2020 bij Groothandel Sligro aankopen gedaan. Stego heeft deze inkopen becijferd op € 12.179,25 en volgens haar hadden deze geen zakelijk karakter. Volgens [appellant] gaat het om een lager bedrag (€ 6.524,56) en hebben deze inkopen slechts voor een beperkt deel een privékarakter.
2.44
Voor zover [appellant] aanvoert dat de inkopen bij Sligro zijn gedaan ten behoeve van kantoorlunches, valt het zakelijk karakter daarvan al niet in te zien op de voet van wat hiervoor is overwogen. Voor zover de inkopen in verband stonden met beurzen of dienstreizen, zoals [appellant] ook stelt, behoefde dat verdere uitleg, die echter is uitgebleven.
2.45
Uit de nader gegeven toelichting van [appellant] blijkt dat hij niet het door Stego opgevoerde aantal aankopen bij Sligro betwist maar dat hij – in algemene termen stellend – aanvoert dat het aandeel van de zakelijk aangekochte artikelen groter is dan Stego stelt. Daarin kan hij niet worden gevolgd. Uit de door Stego in de procedure bij de rechtbank overgelegde facturen [38] van Sligro kan worden opgemaakt dat met grote regelmaat bij Sligro een grote verscheidenheid aan artikelen werd aangekocht, zoals wasmiddel, grote hoeveelheden vlees, borrelhappen, pasta, salades, groenten, aardappelen, sauzen, visgerechten, gebak, snoep, koek, nootjes, frituurvet, deodorant, tandpasta, shampoo, douchecrème, scheermesjes en -schuim, plastic bestek en plastic borden, koekenpannen, schuursponsjes, servetten, sigaretten, frisdranken en veel alcoholische dranken. Het aandeel dat als kantoor- en/of schoonmaakartikelen zou kunnen worden aangemerkt (bijvoorbeeld theezakjes, koffiebonen, toiletpapier, vier keuken- en zes theedoeken en een raamwisser) op die facturen is, zo stelt het hof vast, op die facturen bescheiden te noemen en niet ongeveer 50%, zoals [appellant] lijkt te stellen.
2.46
Het hof geeft in dat verband een vijf voorbeelden.
- Zo stelt [appellant] dat de factuur van Sligro van 5 augustus 2016 [39] ad € 62,76 ook ziet op een zak koffiebonen voor de koffiemachine bij Stego. Die factuur ziet echter in hoofdzaak op twee flessen sterke drank en voor € 12 op vier pakken theezakjes.
- De factuur van Sligro van 22 juli 2016 ad € 146,72 [40] zou volgens [appellant] voor € 50,60 zien op privéuitgaven en voor de rest op ‘schoonmaak- en kantinespullen voor eigen kantoor waaronder frisdrank’, maar de omschrijving van de factuur toont de aanschaf van zalm- en tonijnfilet, komkommer, tomaten, cider, sigaretten, kaas, salades, boter, brood, rucola, één kg lams-rack en 24 flessen water. Dit heeft niets te maken met schoonmaak- of kantoorspullen.
- De factuur van Sligro van 14 juli 2017 ad € 282,28 [41] ziet volgens [appellant] op ‘de inkoop van spullen voor een BBQ op kantoor als feestje voor de vakantie’ zodat deze inkoop een geheel zakelijk karakter heeft. Die bevat inderdaad diverse items die bij een BBQ zouden kunnen passen, zoals alcoholische dranken, salades en nootjes e.d., maar voor een BBQ essentieel onderdeel zoals vlees of vis voor op de BBQ ontbreekt echter in die factuur. Het hof gaat er dan ook, mede gezien de gekochte hoeveelheden, vanuit dat het gaat om reguliere boodschappen voor [appellant] zelf.
- De factuur van Sligro van 8 juni 2018 ad € 336,02 [42] zou volgens [appellant] voor € 107,87 zien op privéuitgaven en voor de rest op ‘schoonmaak- en kantinespullen voor eigen kantoor waaronder frisdrank’. Hoewel op deze factuur twee pakken koffiebonen ad € 25 ex btw staan vermeld, ziet de rest op drank en levensmiddelen en niet op schoonmaak- of kantoorspullen.
- De factuur van Sligro van 13 juni 2019 ad € 172,19 [43] zou volgens [appellant] voor € 108,57 zien op privéuitgaven en voor de rest op ‘schoonmaak- en kantinespullen voor eigen kantoor waaronder frisdrank’. Die factuur ziet echter op dertien flessen (sterk) alcoholische drank, één friteuse, een zak witte bolletjes en 500 gram varkensvlees. Ook dat heeft niets te maken met schoonmaak- of kantoorspullen.
2.47
Een en ander in samenhang bezien kan worden vastgesteld dat het aandeel zakelijk (ofwel ten behoeve van de bedrijfsvoering van Stego) aangeschafte artikelen bepaald bescheiden te noemen is. Het hof schat dit aandeel op € 500. Het resterende bedrag van € 11.679,25 moet daarmee naar het oordeel van het hof als privé-uitgaven worden aangemerkt.
vii)
inkopen bij bouwmarkten
2.48
Stego stelt dat van het gevorderde bedrag delen van € 691,62 (creditcard) en € 12.208,83 (overige uitgaven), samen € 12.900,45, zien op deze categorie en dat het steeds gaat om privé-uitgaven. [appellant] betoogt dat geen van deze uitgaven in deze categorie thuishoort.
2.49
[appellant] heeft echter erkend dat hij in privé diverse (bouw)materialen op naam van Stego bij de Technische Unie heeft ingekocht, in welk verband hij heeft gesteld [44] in september en oktober 2020 bedragen van € 5.751,15 en € 2.510,54, samen € 8.261,69, vanuit een bouwdepot heeft overgemaakt op de bankrekening van Stego. [appellant] heeft in dat verband vier [45] van de hier door Stego opgevoerde transacties aangewezen. Die vier transacties tellen maar op tot € 5.938,97, terwijl de door hem aangewezen transacties dateren van november 2018 en februari 2019. De door [appellant] gegeven uitleg is daarmee bepaald niet sluitend.
2.5
Twee andere door Stego betaalde bedragen [46] van 4 en 17 september 2020 van € 417,35 en € 3.397,64 passen bij de periode van de door [appellant] (terug)betaalde bedragen. Uit de door Stego overgelegde facturen [47] blijkt dat die facturen onder meer zien op WC’s, wastafelkranen, een douchemengkraan, een waterontharder, een en ander met toebehoren. Het zet het nu door [appellant] gevoerde verweer dat die facturen zien op ‘een zakelijke inkoop en zijn doorbelast’ in een schril licht. Het hof gaat er dan ook vanuit dat die aanschaf past bij de door [appellant] in privésfeer uitgevoerde bouw en dat het om privé-uitgaven gaat.
2.51
Over de door Stego gestelde uitgave [48] bij bouwmarkt Gamma van € 13,38 heeft [appellant] niets verklaard. Over de uitgave [49] bij Gamma van € 37,73 stelt [appellant] dat het zou gaan om ‘horecamunten voor FC Emmen’. Het hof gaat ervanuit dat het gaat om privé-uitgaven. Hetzelfde geldt voor de uitgave [50] bij Gamma Hoofddorp voor € 186,54 op zaterdag 25 april 2020. [appellant] heeft onvoldoende toegelicht dat die uitgave zou zien op de aanschaf ‘van materiaal t.b.v. reparatie toilet kantoor’. Ook de uitgave [51] bij Praxis van € 41,96 wordt door [appellant] met niet meer verklaard dan het ‘t.b.v. onderhoud pand’ zou zijn. Ook aan die verklaring gaat het hof voorbij.
2.52
Stego verwijt [appellant] verder dat hij op 24 juli 2017 en 10 augustus 2017 € 143,93 en € 352,49 heeft uitgegeven bij fa. Wildkamp [52] terwijl dat privé-uitgaven waren voor zijn eigen tuin. Volgens [appellant] zien deze uitgaven op kosten van onderhoud van de tuin bij het kantoorpand of op de aanschaf van een brievenbus voor kantoor, maar dat is gemotiveerd door Stego betwist. [appellant] heeft ook niet uitgelegd waarom hij zo’n bedrag aan materiaal voor tuinonderhoud heeft aangeschaft terwijl hij zich er ook beroept dat de tuin van Stego’s kantoor werd onderhouden door een derde (zie ovw. 2.76). De stelling van [appellant] dat die uitgaven ook zouden kunnen zien op een brievenbus voor kantoor is zodanig speculatief verwoord dat het hof er aan voorbij gaat. Het hof houdt het er dan ook op dat het gaat om privé-uitgaven van [appellant] .
2.53
Aangaande de uitgave [53] op 6 december 2016 van € 560 bij “Giezen Wooninrichters” heeft [appellant] aangevoerd dat het gaat om kosten van onderhoud aan de pvc-vloer in en van reparatie van de zonwering aan het kantoorpand, welke kosten volgens hem voor rekening van Stego als huurder kwamen. De betreffende factuur ontbreekt bij de stukken. Wel blijkt uit de door [appellant] overgelegde activa/afschrijvingsstaat [54] van Stego van een andere overboeking aan Giezen waarbij de kosten van het plaatsen van de screens in rekening zijn gebracht en later de kosten van een reparatie van de motor van de screens van kantoor in rekening zijn gebracht. Uit die staat blijkt verder dat Giezen in 2008 vloerbedekking heeft aangebracht in het kantoorpand van Stego. Met een en ander is niet onaannemelijk dat deze uitgave een zakelijk karakter heeft gehad, zodat het hof deze transactie als zakelijk aanmerkt.
2.54
Het hof beschouwt de door Stego aangewezen uitgave [55] op 12 augustus 2020 bij Boels Verhuur van € 46,98 ook als zakelijk. [appellant] heeft daarover aangevoerd dat die transactie ziet op de huur van een pompwagen om stellingen in het magazijn te kunnen verplaatsen. De enkele stelling van Stego dat het overige uitgavenpatroon van [appellant] aannemelijk maakt dat ook deze uitgave in de privésfeer zou liggen, is onvoldoende om dat aan te nemen.
2.55
Tot slot gaat het in deze categorie om uitgaven, gedaan bij Ikea [56] , op 16 oktober 2016, 18 januari 2019 en 15 februari 2019. Volgens [appellant] in zijn antwoordakte gaat het om achtereenvolgens de kosten ten behoeve van de inrichting van het magazijn en de kosten van aanschaf van een opbergsysteem voor het archief van € 44,99 en om aan aanvulling daarop van € 223,90. Uit de kassabon [57] van de transactie van 16 oktober 2016 van € 194,23 blijkt dat onder meer is gekocht 20 zakken snoepjes, 18 wijnglazen, kleerhangers, servetten, een werkbankje, een bestekbak, een ovenwant en een pannenlap. Uit de kassabon [58] van de transactie van 15 februari 2019 blijkt dat de gekochte artikelen zien op plankinzetten, losse bakken, een plaid, een kledingroede en een basiskast. Daarmee kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn stelling dat deze uitgaven te maken hadden met het magazijn en/of het archief of iets dergelijks. Het hof ziet een en ander als privé-uitgaven.
2.56
Een en ander leidt ertoe dat van deze transacties twee door het hof wel als zakelijk worden aangemerkt, samen € 606,98. Het in deze categorie resterende bedrag van € 12.293,47 (€ 12.900,45 -/- € 606,98) wordt aangemerkt als privé-uitgaven.
viii)
lunches & diners
2.57
Volgens Stego heeft [appellant] in de periode van 2015 tot en met 2020 zeer veelvuldig kosten van privélunches en -diners op haar afgewenteld, in totaal € 42.561,76 (€ 31.693,97 via creditcard en € 10.867,79 op andere wijze).
2.58
Ook bij deze categorie uitgaven mag van [appellant] worden verwacht dat hij voldoende concreet en specifiek is in zijn verweer dat het steeds is gegaan om zakelijke uitgaven. Volgens [appellant] heeft hij maar voor € 4.639,33 privé gegeten, is een aanzienlijk deel wel zakelijk van aard geweest en hoort het resterende bedrag – zo begrijpt het hof hem – niet in deze categorie thuis, maar in categorie v) dan wel in de restcategorie xi).
2.59
[appellant] heeft bij veel van de hier door Stego aangewezen maaltijden gesteld dat het maaltijden waren samen met één of meer werknemers en dat die bedragen daarom thuishoren in categorie v). Het hof volgt hem daarin niet. Als hij al gevolgd zou kunnen worden in zijn stelling dat die lunches en diners zijn gehouden met één of meer werknemers van Stego, geldt onverkort wat hiervoor in ovw. 2.42 is overwogen.
2.6
[appellant] heeft niet gemotiveerd weersproken dat hij de lunches en diners met (potentiële) klanten / zakelijke relaties niet vermeldde in zijn periodieke rapportages aan de Holding. [appellant] is daarbij nauwelijks concreet en specifiek geweest met welke (potentiële) klant / zakelijke relatie hij dan zakelijk heeft gegeten. Opvallend daarbij is dat het leeuwendeel van de kosten van de lunches en diners die ten laste van Stego zijn gekomen, zijn gemaakt in de horeca van de plaatselijke golfclub (Golfparc Sandur) en andere horecagelegenheden in en nabij Emmen. Verder valt op dat ook uitgaven in de horeca bij andere golfbanen [59] door hem als zakelijk zijn betiteld, waarbij bezoeken [60] op andere momenten aan diezelfde golfbanen door hem als privé zijn aangemerkt.
2.61
Het staat echter wel vast dat [appellant] zakelijke contacten onderhield met de (potentiële) klanten van Stego waarbij Stego niet gemotiveerd heeft bestreden dat [appellant] die klanten ook wel bezocht – zij het in haar visie veel te weinig. [appellant] is – naar het hof aanneemt – daarom bij andere horecagelegenheden dan die in Emmen en bij golfbanen meer expliciet [61] welke klant/zakelijke relatie van Stego is bezocht, waarbij het overigens wel te denken geeft dat [appellant] bij de oudere transacties meer specifiek is dan bij de recente transacties.
2.62
Een en ander in samenhang bezien kan worden vastgesteld dat het aandeel zakelijk (ofwel ten behoeve van de bedrijfsvoering van Stego) gehouden lunches en diners bescheiden te noemen is. Mede gelet op wat in ovw. 2.10 en 2.11 is overwogen en de omstandigheid dat [appellant] al bij meerdere categorieën aantoonbaar niet juiste stellingen heeft ingenomen, schat het hof alles afwegende het aandeel ‘zakelijk’ in deze categorie op € 2.000. Het resterende bedrag wordt door het hof als privé-uitgaven aangemerkt.
ix)
relatiegeschenken (ongeacht soort)
2.63
[appellant] stelt dat van het gevorderde bedrag delen van € 1.366,25 (creditcard) en € 3.839,97 (overige uitgaven), samen € 5.206,22, zien op deze categorie en dat het gaat om zakelijke uitgaven. Stego betoogt dat geen van de hier bedoelde transacties een zakelijk karakter kan worden toegekend.
2.64
In de stukken heeft [appellant] allereerst gesteld dat het hier gaat om de aanschaf van golfballen, bedrukt met het logo van Stego. Uit productie 15 bij zijn conclusie van dupliek kan worden opgemaakt dat het volgens hem gaat om – vanuit het marketingbudget bekostigde – bedragen van € 200,38 [62] , € 1.059,38 [63] , € 1.429,96 [64] , € 374,98 [65] en € 938,06 [66] . De bedrukte golfballen werden door hem uitgedeeld bij golfwedstrijden, waarbij van de laatst aangeschafte, met logo van Stego bedrukte golfballen een fors deel is meegenomen door de Holding bij de ontruiming van Stego’s kantoor, aldus [appellant] . Uit de stukken en uit wat in deze uitspraak is overwogen, volgt echter dat de beoefenen van de golfsport in de eerste plaats een privéaangelegenheid was van [appellant] . Hij heeft onvoldoende uitgelegd dat de aanschaf van dergelijke ballen toch een zakelijke strekking had en aan welke (potentiële) zakelijke relaties hij die ballen wanneer heeft uitgedeeld. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een te ver verwijderd verband om die kosten als zakelijk aan te merken.
2.65
[appellant] heeft verder aangevoerd dat veel bedragen [67] in deze categorie zien op flessen alcoholische drank die hij als relatiegeschenk inkocht bij Slijterij Van den Bos voor heugelijke momenten, zoals een verjaardag, een geboorte van een kind of een opening van een kantoor. Andere door [appellant] onder deze categorie geschaarde uitgaven zien op uitgaven [68] bij een restaurant, parfumerie, kookwinkel, boekhandel, ticketshop of een andere slijterij. [appellant] is echter niet in geslaagd duidelijk te maken aan wie een relatiegeschenk heeft gegeven, anders dan ‘dat het voor een klant was’; [appellant] heeft niet één naam genoemd en volstaan met de stelling dat ‘het natuurlijk logisch is dat hij dit niet meer van de afgelopen jaren paraat heeft’. Het hof volgt hem daarin niet. Allereerst is onaannemelijk dat [appellant] als degene die steeds het gestelde relatiegeschenk heeft aangeschaft én heeft weggegeven, in geen enkel geval meer weet voor wie hij dat heeft gedaan. Daarbij komt dat het merendeel van de hierbedoelde artikelen in één lijn liggen met wat [appellant] veelvuldig op kosten van Stego bij Sligro heeft aangeschaft, waarover het hof al heeft geoordeeld dat dat nagenoeg volledig als privéuitgaven moet worden aangemerkt.
2.66
Uit het voorgaande volgt dat het hof voorbijgaat aan het verweer van [appellant] en dat, zoals Stego aanvoert, de in ovw. 2.63 bedoelde bedragen niet als zakelijk maar als privé-uitgaven van [appellant] moeten worden aangemerkt.
x)
contante opnamen
2.67
Stego verwijt [appellant] dat hij € 11.546 (inclusief kosten) heeft opgenomen van haar bankrekening, in dit geval € 8.666 via de creditcard en € 2.880 op reguliere wijze, en dat die contante opnamen door ieder gebrek aan verantwoording en onderbouwing als privé-uitgaven van [appellant] moeten worden aangemerkt. Stego heeft in dat verband er op gewezen dat de meeste contante opnamen op zater- en zondagen werd gedaan, wat volgens haar het privékarakter daarvan onderstreept.
2.68
Stego heeft de omvang van het opgenomen bedrag via de credit card onderbouwd door concreet te verwijzen naar transacties, inclusief daarvoor aan haar berekende kosten. [69] Gelet daarop kan [appellant] al niet worden gevolgd in zijn verder niet toegelichte stelling dat het hier gaat om een lager bedrag van € 4.350.
2.69
[appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij voor de contante uitgaven via de creditcard wel declaraties bij Stego heeft ingediend. In de door hem bij zijn aktes van 29 juli 2025 en 23 september 2025 gegeven toelichting op de individuele transacties heeft [appellant] in meeste gevallen volstaan met de stelling ‘kan ik niet zo bedenken, moeten we declaratie bon uit admin opvragen’ dan wel met woorden van gelijke strekking. Stego heeft daartegen ingebracht dat juist het ontbreken van iedere vastlegging en toelichting omtrent deze opnamen en het zelfverrijkend gedrag van [appellant] in veel andere gevallen, maakt dat er vanuit moet worden gegaan dat het ook hier is gegaan om privéopnamen. Daartegen heeft [appellant] onvoldoende ingebracht, zodat het hof Stego volgt in haar standpunt.
2.7
Wat betreft het door Stego gestelde bedrag van € 2.880 maakt het hof uit de gegeven toelichting op dat het gaat om afzonderlijk naar de bankrekening van [appellant] overgemaakte bedragen van in totaal € 2.680 [70] en op één via een restaurant opgenomen bedrag van € 200. [71] [appellant] heeft bij conclusie van antwoord erkend [72] dat die laatste opname een privékarakter had. Op de overboekingen naar zijn bankrekening heeft [appellant] (in productie 28 bij zijn akte van 23 september 2025) niet anders gereageerd dan ‘niet op bankafschrift of geen bon van’. Hij heeft daarmee niet voldoende gemotiveerd weersproken dat hij die bedragen afzonderlijk aan zichzelf heeft overgemaakt en dus niet toegelicht wat daarvoor de zakelijke rechtvaardiging was.
2.71
Uit het voorgaande volgt dat het hof voorbijgaat aan het verweer van [appellant] en dat, zoals Stego stelt, ook de in ovw. 2.67 bedoelde bedragen niet als zakelijk maar als privé-uitgaven van [appellant] moeten worden aangemerkt.
xi)
overige transacties
2.72
Stego heeft tot slot de resterende transacties, die zij als privé-uitgaven aanmerkt en voor zover niet ondergebracht in een andere categorie, betiteld als “overige transacties”. Volgens haar gaat het in totaal om € 22.360,71 dat is besteed via haar creditcard en om € 58.115,35 aan overige uitgaven, in totaal € 80.476,06. Het gaat om transacties die evident privé-uitgaven zijn dan wel om transacties waarvan de achtergrond en daarmee het zakelijk karakter onduidelijk en niet in te zien is, aldus Stego.
2.73
[appellant] heeft fors deel van de in deze categorie ondergebrachte transacties erkend als privé-uitgaven. In zijn conclusie van antwoord is hij daarover specifiek geweest (€ 11.551,64) [73] waarna hij bij conclusie van dupliek [74] een groter aantal transacties als privé heeft erkend en daarmee een hoger bedrag als verschuldigd heeft erkend (€ 16.037,76). Het gaat hierbij onder meer uitgaven ten behoeve en tijdens vakanties, ski-huur, autohuur, golf-lessen, theater- en evenementenbezoek en artikelen gekocht bij een fietsshop, een juwelier, een drogisterij en kledingzaken. Ook heeft [appellant] erkend dat de twee uitgaven bij Barco Lichttotaal [75] een privékarakter hadden. Dat hij die twee laatste bedragen al heeft terugbetaald, maakt dat niet anders.
2.74
Zoals hiervoor in ovw. 2.14 en 2.16 is vastgesteld, komt [appellant] in hoger beroep op andere erkende bedragen uit (€ 22.737,20 respectievelijk € 20.433,41). Waarom [appellant] steeds van standpunt wisselt en transacties (van deze categorie dan wel van andere categorieën) wel en/of niet (meer) als zakelijke uitgaven dan wel als privé-uitgaven aanmerkt, heeft hij niet uitgelegd.
2.75
In zijn memorie van grieven heeft [appellant] , behalve ten aanzien van tuin- en schoonmaakwerkzaamheden, aangaande deze categorie in de toelichting op zijn derde grief gesteld dat hij niet alles kan bespreken en dat alles zakelijk is, waarna hij verwijst naar de door hem bij deze memorie overgelegde productie 2. Niet valt in te zien dat [appellant] ‘niet alles kan bespreken’, terwijl zijn stelling dat alles van deze categorie zakelijk is, zich niet verhoudt met zijn uitdrukkelijke erkenning bij de rechtbank én in hoger beroep dat meerdere transacties van deze categorie privé-uitgaven zijn geweest. De enkele verwijzing naar productie 2 volstaat dan ook niet als een voldoende deugdelijk verweer tegen de gespecificeerde en onderbouwde opsomming in deze categorie door Stego. In die productie 2 is de reactie beperkt tot korte zinnen zonder verdere toelichting, waarbij, zoals Stego in haar antwoordakte van 23 september 2025 uiteenzet, [appellant] ook een groot aantal transacties van deze categorie niet in zijn akte van 29 juli 2025 heeft betrokken. [76] Gelet op een en ander en gezien de in de ovw. 2.10 en 2.11 neergelegde uitgangspunten gaat het hof er dan ook vanuit dat de hier door Stego bedoelde transacties, voor zover al niet door [appellant] in de procedure bij de rechtbank als zodanig zijn erkend, (ook) als privé-uitgaven moeten worden aangemerkt. Die transacties laat het hof dan ook verder onbesproken. Dit geldt niet voor de hierna te bespreken uitgaven voor tuin- en schoonmaakwerkzaamheden en voor enkele andere uitgaven waarvan [appellant] het privékarakter gemotiveerd bij de rechtbank heeft betwist. Die zien op de kosten van bedrijfs-/sponsorkleding, stomerijkosten, tankkosten en vlaggen. Over die specifieke transacties geldt het volgende.
2.76
Partijen strijden over de vraag of de uitgave van € 1.923,50 op 3 juni 2019 aan Ton van Vliet Service & Onderhoud [77] ziet op werkzaamheden voor de tuin rondom het kantoorpand van Stego en of die uitgave zakelijk is geweest. Dat kan het hof onbesproken laten omdat dat bedrag geen deel uitmaakt van de te verhalen uitgaven die ten grondslag liggen aan de oorspronkelijke vordering van Stego en die zijn gecategoriseerd in de akte van 29 juli 2025. Daarmee gaat het hof als niet dienend ook voorbij aan het aanbod van [appellant] om Van Vliet als getuige te doen horen.
2.77
Volgens [appellant] zien de uitgaven [78] aan [bedrijfsnaam1] – de onderneming van zijn echtgenote – op vergoeding van het schoonmaakwerk van het kantoorpand dat is verricht door zijn schoonmoeder. Het gaat om de betalingen van € 2.783 (5 januari 2015), € 363 (15 januari 2016), € 1.010 (20 mei 2016), € 2.323,20 (4 augustus 2017), € 155,71 (4 augustus 2017), € 2.323,20 (2 augustus 2018), € 3.409,01 (8 augustus 2018) en € 2.323,20 (1 augustus 2019)
Bij de stukken bevinden zich alleen de facturen die zien op de betalingen van 2 en 8 augustus 2018 en 1 augustus 2019. [79] Voor de andere betalingen ontbreken de facturen bij de stukken. Andere documenten waaruit een betalingsverplichting van Stego tegenover [bedrijfsnaam1] kan worden afgeleid, zoals overeenkomsten en/of correspondentie, ontbreken eveneens. Dit gemis valt op omdat verwacht mocht worden dat [appellant] via zijn echtgenote uit de administratie van deze onderneming relevante documenten had overgelegd.
[appellant] heeft in dat verband alleen vier facturen [80] van [bedrijfsnaam1] overgelegd. Die facturen zijn gericht aan (kennelijk) de schoonmoeder van [appellant] en waarbij steeds aan (en niet door) de schoonmoeder een ‘bijdrage schoonmaak’ in rekening wordt gebracht, onder vermelding van de maand en de data daarvan waarop een en ander zou zien. Die facturen wijzen daarmee op een betalingsverplichting van de schoonmoeder van [appellant] aan [bedrijfsnaam1] . Daarnaast wijst niets in die facturen op een verband met het kantoorpand van Stego. Dat een en ander anders is, heeft [appellant] onvoldoende uitgelegd.
Verder geldt dat de factuur van 8 augustus 2019 niet ziet op ‘verricht schoonmaakwerk’ maar op ‘Schakelaars bewerking volgens afspraak’ en ‘geleverde materialen’. Enige uitleg over deze factuur en de daarop ten laste van Stego gedane betaling door [appellant] is uitgebleven.
Daarnaast bevindt zich bij de stukken een aan [bedrijfsnaam1] gerichte factuur [81] van Stego van 28 februari 2019 voor ‘materialen aan privé’, die naar stelling van [appellant] vervolgens door zijn dochter aan Stego zou zijn betaald.
In dit verband is verder relevant dat [appellant] niet gemotiveerd heeft weersproken dat hij voor een andere dochter van hem op kosten van Stego een zakelijk abonnement bij de NS heeft afgesloten [82] , terwijl zij niet werkzaam was voor Stego.
Uit een en ander volgt dat [appellant] op diverse manieren de belangen van hem en diverse familieleden heeft vermengd met die van Stego. Iedere toereikende vastlegging in de administratie van Stego van een en ander schiet tekort. Gelet op het structureel en op diverse wijzen gebruiken van de middelen van Stego voor privédoeleinden, gaat het hof dan ook voorbij aan de nauwelijks onderbouwde stelling van [appellant] dat de betalingen aan [bedrijfsnaam1] zagen op schoonmaakwerk van Stego’s kantoor en daarmee een zakelijke achtergrond hadden.
Voor zover [appellant] in dit verband heeft aangeboden om “schoonmaakbedrijf Alja te Emmen” te horen, is de relevantie daarvan niet uitgelegd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
2.78
Het staat vast dat Stego – daarmee [appellant] en ook werknemers van Stego – hebben deelgenomen aan beurzen. De keuze om ten behoeve van die beurzen kleding aan te schaffen om die te bedrukken met het logo van Stego wordt weliswaar nu door Stego bekritiseerd, maar dat betekent naar het oordeel van het hof nog niet dat [appellant] de kosten [83] daarvan (€ 608,65) alsnog als privéuitgaven voor eigen rekening moet nemen. Dit is anders ten aanzien van aankopen ten laste van Stego in een herenkledingwinkel als Tommy Hilfiger voor € 224,91 [84] en € 379,60 [85] en de aanschaf van kleding bij Schomaker Mannenmode voor € 733,75 [86] . [appellant] heeft onvoldoende uitgelegd dat de toen aangekochte (merk)kleding als beurskleding moet worden aangemerkt en daarmee een zakelijk karakter kan worden toegekend.
2.79
[appellant] heeft voorts betoogd dat na beursbezoek bedoelde bedrijfskleding werd gestoomd. In de opstelling van de door Stego gestelde onzakelijke uitgaven komt in dat verband één uitgave van € 59,85 voor, gedaan op 1 mei 2018. [87] Die datum ligt kort na het deelnemen aan de Hannover Messe eind april 2018 zodat het hof er vanuit gaat dat het hier gaat om zakelijke kosten. Voor zover [appellant] stelt dat andere transacties ook als stomerijkosten zouden moeten worden aangemerkt, geldt dat hij dat onvoldoende heeft onderbouwd.
2.8
Stego heeft niet bestreden dat bij het door haar in Emmen gebrachte kantoorpand vlaggenmasten stonden en dat daarvan gebruik werd gemaakt. Tegen die achtergrond is het niet onaannemelijk dat [appellant] ten behoeve van die vlaggenmasten vervangende vlaggen en vervangende onderdelen heeft gekocht voor € 100,75 [88] , zoals [appellant] aanvoert. Niet valt in te zien dat die uitgaven ten laste van Stego alsnog voor rekening van [appellant] zouden moeten komen.
2.81
Het staat vast dat Stego aan [appellant] een leaseauto ter beschikking had gesteld met bijbehorende tankpas. Door die tankpas te gebruiken, werden de brandstofkosten via de leasemaatschappij bij Stego in rekening gebracht. Volgens Stego was er daarmee geen reden of noodzaak om de kosten van tankbeurten [89] te betalen via haar creditcard. Volgens Stego gaat het daarmee om ten onrechte te harer laste gebrachte tankbeurten in privé.
[appellant] heeft daartegen ingebracht dat de ter beschikking gestelde tankpas soms niet werkte of dat deze bij bepaalde tankstations niet werd geaccepteerd en dat hij om die reden met de creditcard betaalde. Die door [appellant] gegeven uitleg is te billijken voor zover het tankbeurten betreft buiten de onmiddellijke omgeving van Emmen. [appellant] mocht immers ook in privé van de leaseauto gebruik maken waardoor tankbeurten die via de tankpas betaald werden (ook) voor rekening van Stego kwamen. De uitleg van [appellant] is echter niet toereikend voor zover het gaat om tankbeurten in Emmen en onmiddellijke omgeving. Niet valt in te zien immers dat [appellant] herhaalde malen zou tanken bij een tankstation dat niet de tankpas accepteert, terwijl iedere aanwijzing ontbreekt dat de tankpas juist bij die stations zou hebben geweigerd. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat [appellant] daardoor kosten die niet voor rekening van Stego behoorden te komen, toch op haar heeft afgewenteld.
Uit een en ander volgt dat van de door Stego gestelde tankbeurten een aantal [90] als zakelijk moet worden aangemerkt. Het daarmee samenhangende bedrag van € 387,11 moet daarmee voor rekening van Stego blijven.
2.82
Uit het voorgaande volgt dat van de categorie ‘overige transacties’ een gedeelte van € 1.055,61 (€ 608,65 + € 59,85 + € 387,11) als zakelijke kosten niet voor vergoeding door [appellant] in aanmerking komen. Voor het overige moet het hier door Stego gestelde bedrag als hiervoor is overwogen als privé-uitgaven van [appellant] worden aangemerkt.
Schade – slotsom
2.83
Uit al het voorgaande volgt dat [appellant] veelvuldig ten koste van Stego privé-uitgaven heeft gedaan. Dit zijn evident transacties die niet thuishoren in een normale bedrijfsvoering van een onderneming als die van Stego. Door met voornoemde transacties voorrang te geven aan zijn eigen belang boven het belang van Stego en de met haar verbonden onderneming, heeft [appellant] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk vervuld en treft hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt. [appellant] is dan ook gehouden de schade die Stego daardoor heeft geleden aan haar te vergoeden.
2.84
Gelet daarop en gezien wat is overwogen en beslist over de ten koste van Stego gedane uitgaven is daarmee van de door Stego gevorderde schadevergoeding het volgende toewijsbaar:
oorspronkelijke vordering € 195.296,24
  • af: sponsoractiviteiten (ovw. 2.22) € 14.942,57
  • af: beurskosten c.s. (ovw. 2.33) € 3.717,38
  • af: elektronica (ovw. 2.40) € 380,00
  • af: inkopen bij Sligro (ovw. 2.47) € 500,00
  • af: inkopen bij bouwmarkten (ovw. 2.56) € 606,98
  • af: lunches & diners (ovw. 2.62) € 2.000,00
  • af: overige transacties (ovw. 2.82) € 1.055,61
  • af: al terugbetaald (ovw. 2.2)
totaal: € 163.832,10
Wat meer is gevorderd, is naar het oordeel van het hof daarmee niet toewijsbaar.
Overige aspecten van de schade
2.85
In het arrest van 22 april 2025 is al beslist over de door [appellant] gestelde vermindering van de schadevergoeding in verband met b.t.w. en/of schadevergoeding (ovw. 6.38 en 6.39) en over de door Stego gevorderde vergoeding van vermogensverlies (ovw. 6.40 en 6.41) en van onderzoekskosten (ovw. 6.42). In dat arrest is verder verworpen het beroep van [appellant] op eigen schuld van Stego (ovw. 6.43 en 6.44) en zijn beroep op matiging van een schadevergoeding (ovw. 6.45). Het hof heeft geen reden om daar alsnog anders over te beslissen.
2.86
In het voorgaande heeft het hof zelfstandig de omvang van de door [appellant] aan Stego verschuldigde schadevergoeding vastgesteld. Daarmee heeft Stego geen belang meer bij bespreking van haar grief in haar hoger beroep tegen de door de rechtbank toegepaste billijkheidscorrectie op het toen toewijsbaar beoordeelde schadebedrag.
De bewijsaanbiedingen
2.87
[appellant] en Stego hebben in hoger beroep bewijs aangeboden. Voor zover deze aanbiedingen in het tussenarrest of in het voorgaande al niet besproken zijn, kunnen zij niet tot een andere uitkomst leiden en worden zij daarom gepasseerd.
De wettelijke rente en de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten
2.88
Geen van partijen heeft een specifiek bezwaar gericht tegen wat de rechtbank heeft overwogen en beslist over de wettelijke rente, daaronder begrepen de ingangsdatum daarvan en het uitsluiten van die rente over de betalingen in 2020 aangaande Barco Lichttotaal en de Technische Unie. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 2.177,26. Die beslissingen dienen het hof dan ook tot uitgangspunt.
De conclusie
2.89
Het hoger beroep van [appellant] faalt. Het hoger beroep van Stego slaagt gedeeltelijk; het hof zal een hoger bedrag aan schadevergoeding toewijzen, waartoe het vonnis van 15 maart 2023 gedeeltelijk zal worden vernietigd.
Omdat [appellant] in zijn hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof hem veroordelen in de proceskosten daarvan. Onder al die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover, die is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [91] Omdat partijen in het hoger beroep van Stego deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de kosten van dat hoger beroep tussen hen compenseren als hierna weer te geven.
2.9
Op wat partijen nog meer of anders hebben aangevoerd, behoeft, gelet op het voorgaande, niet te worden ingegaan.

3.De beslissing

Het hof:
3.1
bekrachtigt voor zover aan hoger beroep onderworpen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 15 maart 2023, behoudens de beslissingen 5.1 en 5.9, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;
3.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van een bedrag van € 163.832,10, te vermeerderen
met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve transactiedata van alle achterliggende betalingen, zoals die blijken uit de
bijbehorende facturen, tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat er geen wettelijke rente is verschuldigd over betalingen in het jaar 2020 aan Barco Lichttotaal B.V. en de Technische Unie;
3.3
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stego vastgesteld op € 5.689 voor griffierecht en op € 7.178,50 voor salaris advocaat (3,5 punt × € 2.051 per punt);
3.4
bepaalt dat voormelde proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
3.5
bepaalt in het door Stego ingestelde hoger beroep dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
3.6
verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.7
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, R.E. Weening en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
7 april 2026.

Voetnoten

1.Gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2025:2561.
2.Vgl. HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, en HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733.
3.Vgl. HR 8 mei 2015 (rov. 3.7.2.), ECLI:NL:HR:2015:1224.
4.Vgl. HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3582.
5.Dat bedrag van € 13.079,17 ziet op de transacties 24 en 25 (overige uitgaven 2015/2016), 35 en 39-42 (overige uitgaven 2016/2017) 35-37, 42 en 44 (overige uitgaven 2017/2018), 21 en 26 (overige uitgaven 2018/2019) en 22-24 en 26 (overige uitgaven 2019/2020).
6.Zie transacties 26 (overige uitgaven 2015/2016), 41 (overige uitgaven 2016/2017), 41 en 43 (overige uitgaven 2017/2018), 25 (overige uitgaven 2018/2019) en 21 (overige uitgaven 2019/2020).
7.Zoals transacties 6 (overige uitgaven 2015/2016), 42 (overige uitgaven 2016/2017), 42 en 44 (overige uitgaven 2017/2018), 26 (overige uitgaven 2018/2019) en 26 (overige uitgaven 2019/2020).
8.Transactie 68 (creditcard 2016/2017).
9.Transactie 2 (overige uitgaven 2016/2017).
10.Randnummer 59 in de conclusie van antwoord.
11.Deel uitmakend van Productie 17.1 bij de conclusie van repliek.
12.Transactie 46 (overige uitgaven 2016/2017).
13.Transactie 18 (creditcard 2017/2018).
14.Transactie 52 (overige uitgaven 2017/2018).
15.Transactie 34 (creditcard 2019/2020).
16.Transactie 3 (overige uitgaven 2017/2018).
17.Transacties 34-36 (overige uitgaven 2017/2018).
18.Transacties 36 en 37 (overige uitgaven 2017/2018).
19.Transacties 21 en 23 (overige uitgaven 2018/2019).
20.Transacties 23 en 24 (overige uitgaven 2019/2020).
21.Zoals transacties 15 en 87 (creditcard 2015/2016), 8 (overige uitgaven 2015/2016).
22.Transactie 120 (creditcard 2018/2019).
23.Transacties 22 (€ 199,75) en 23 (€ 19,05) (creditcard 2015/2016), 32 (€ 46,30) (creditcard 2016/2017), 40 (€ 209,25), 41 (€ 74,20), 48-58 (samen € 2.567,46) (creditcard 2017/2018) 55 (€ 601,37) (overige uitgaven 2017/2018).
24.Transacties 38 (€ 103,50), 46 (€ 330,96), 57 (€ 89,99), 68 (€ 297,80), 80 (€ 89,50), 90 (€ 469,80), 101 (€ 319) en 102 (€ 60) (creditcard 2015/2016); 36 (€ 134,99), 39 (€ 400), 87 (€ 34) en 110 (€ 27,14) (creditcard 2016/2017), 10 (€ 184,94), 22 (€ 210), 36 (€ 75,85), 37 (€ 250,74), 39 (€ 432,59), 45 (€ 289,80), 47 (€ 217,50), 65 (€ 124), 66 (€ 120,01), 79 (€ 422,27), 112 (€ 293,90), 118 (€ 175) en 119 (€ 135) (creditcard 2017/2018), 48 (€ 39,99) (overige uitgaven 2017/2018), 118 (€ 419,70) (creditcard 2018/2019), 4 (€ 1.028,50) (overige uitgaven 2018/2019).
25.De hiervoor in noot 23 genoemde bedragen opgeteld.
26.Transactie 19 (creditcard 2016/2017).
27.Transacties 98 en 99 (creditcard 2017/2018), 12 (overige uitgaven 2018/2019).
28.Transacties 36 (creditcard 2017/2018), 129 (creditcard 2018/2019), 14, 79 en 86 (creditcard 2019/2020).
29.Transacties 4, 15, 23, 33, 43, 67, 74, 83, 96 en 106 (creditcard 2017/2018), 4, 11, 21, 33, 50, 61, 70, 84, 91 en 124 (creditcard 2018/2019), 3, 10, 16, 24, 29, 36, 38, 48, 54, 68, 81 en 88 (creditcard 2019/2020).
30.Transactie 8 (creditcard 2015/2016).
31.Transactie 5 (overige uitgaven 2018/2019).
32.Transactie 100 (creditcard 2015/2016).
33.Deel uitmakend van productie 16.1 bij de conclusie van repliek
34.Transacties 8, 23, 30, 38, 43, 62, 71, 83, 96, 106 en 114 (creditcard 2016/2017), 9, 12, 16, 24, 34, 59, 68, 77, 86, 97, 111 en 120 (creditcard 2017/2018), 7, 14, 25, 37, 52, 63, 72, 87, 94, 103, 115 en 126 (creditcard 2018/2019), 2, 9, 15, 23, 35, 37, 47, 53, 67, 80 en 87 (creditcard 2019/2020).
35.Transactie 48 (overige uitgaven 2017/2018).
36.Transactie 82 (creditcard 2018/2019).
37.Productie 3 bij zijn memorie van grieven; overboekingen van 28 juli van € 237,40 en 29 juli van € 181,45.
38.Deel uitmakend van productie 16.1 van de conclusie van repliek.
39.Transactie 1 (creditcard 2015/2016).
40.Transactie 7 (creditcard 2015/2016).
41.Transactie 13 (creditcard 2016/2017).
42.Transactie 13 (creditcard 2017/2018).
43.Transactie 18 (creditcard 2018/2019).
44.Randnummer 19 conclusie van dupliek en productie 19 bij die conclusie.
45.Transacties 7, 8, 10 en 11 (overige uitgaven 2018/2019).
46.Transacties 19 en 20 (overige uitgaven 2019/2020).
47.Deel uitmakend van productie 17.5 bij conclusie van repliek.
48.Transactie 44 (overige uitgaven 2015/2016).
49.Transactie 77 (overige uitgaven 2017/2018).
50.Transactie 31 (creditcard uitgaven 2019/2020).
51.Transactie 123 (creditcard uitgaven 2018/2019).
52.Transacties 71 en 72 (overige uitgaven 2016/2017).
53.Transactie 69 (overige uitgaven 2016/2017).
54.Productie 16 bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.
55.Transactie 7 (overige uitgaven 2019/2020).
56.Transactie 109 (creditcard 2016/2017) en transacties 74 en 77 (creditcard uitgaven 2018/2019).
57.Deel uitmakend van productie 16.3 bij conclusie van repliek.
58.Deel uitmakend van productie 16.4 bij conclusie van repliek.
59.Transacties 5, 15, 94, 96, 97 (creditcard 2015/2016), 3, 4 (overige uitgaven 2015/2016), 25 (creditcard 2016/2017), 30 (overige uitgaven 2017/2018), 111 (creditcard 2018/2019), 93 (creditcard 2019/2020).
60.O.a. transactie 30 (creditcard 2015/2016) en vele uitgaven aan de horeca van Golfparc Sandur.
61.Transacties 5, 29, 55, 67, 77, 81, 93, 94, 96 en 97 (creditcard 2015/2016), 9, 11, 31, 32, 93, 99 en 102 (creditcard 2016/2017), 39 en 40 (overige uitgaven 2016/2017), 90 en 92 (creditcard 2017/2018), 3 en 97 (2018/2019), 4, 72, 78 en 94 (creditcard 2019/2020).
62.Transactie 21 (overige uitgaven 2015/2016).
63.Transactie 22 (overige uitgaven 2015/2016).
64.Transactie 46 (overige uitgaven 2017/2018).
65.Transactie 81 (credit card 2018/2019).
66.Transactie 33 (overige uitgaven 2019/2020).
67.Transacties 24, 54 en 56, (creditcard 2015/2016), 23 (overige uitgaven 2015/2016), 37 en 38 (overige uitgaven 2016/2017), 2, 27 (creditcard 2017/2018), 110 (creditcard 2018/2019), 62, 63 en 64 (creditcard 2019/2020).
68.Transacties 85 (creditcard 2015/2016), 1 (overige uitgaven 2015/2016), 108 (creditcard 2016/2017), 8 (overige uitgaven 2016/2017), 27, 87 (creditcard 2017/2018), 4 (overige uitgaven), 128 (creditcard 2018/2019), 1 (creditcard 2019/2020).
69.Transacties 75, 76 en 89 (creditcard 2015/2016), 39, 44, 45, 72 en 107 (creditcard 2016/2017), 17, 25, 35, 78 en 121 (creditcard 2017/2018), 26, 27, 38, 64, 73, 104, 116, 117 en 127 (creditcard 2018/2019), 27 en 28 (creditcard 2019/2020).
70.Transacties 35, 37, 38, 39, 40, 41 en 42 (overige uitgaven 2015/2016), 76, 77 en 78 (overige uitgaven 2016/2017).
71.Transactie 36 (overige uitgaven 2016/2017).
72.Randnummer 29 en productie 7 conclusie van antwoord.
73.Zie vorige noot.
74.Randnummer 2 en productie 15 CvD.
75.Transacties 16 en 17 (overige uitgaven 2019/2020).
76.Transacties 47, 48, 62, 63, 64 en 65 (creditcard 2015/2016), 29, 31, 32, 36, 45, 46, 51 en 52 (overige uitgaven 2015/2016), 26, 40, 52, 54, 73 en 86 (creditcard 2016/2017), 65, 70, 73 en 74 (overige uitgaven 2016/2017), 80 (creditcard 2017/2018), 47, 63, 70, 71, 72, 79, 80, 82, 83, 84, 86 en 87 (overige uitgaven 2017/2018), 6, 31, 32, 33, 34, 35 en 37 (overige uitgaven 2018/2019), 41 en 85 (creditcard 2019/2020), 11, en 15 (overige uitgaven 2019/2020).
77.Productie 28 bij memorie van antwoord van Stego
78.Transacties 30, 31 en 32 (overige uitgaven 2015/2016), 45 en 74 (overige uitgaven 2016/2017), 49 en 50 (overige uitgaven 2017/2018) en 28 (overige uitgaven 2018/2019).
79.Deel uitmakend van productie 17.3 bij conclusie van repliek.
80.Productie 18 bij conclusie van dupliek.
81.Productie 21 bij conclusie van dupliek.
82.Productie 23 bij memorie van antwoord.
83.Transacties 35 (€ 138,85) (overige uitgaven 2017/2018) en 90 (€ 469,80) (creditcard 2015/2016).
84.Transactie 122 (creditcard 2017/2018).
85.Transactie 28 (creditcard 2018/2019).
86.Transactie 40 (creditcard 2017/2018).
87.Transactie 70 (overige uitgaven 2017/2018)
88.Transactie 31 (overige uitgaven 2019/2020)
89.Transacties 44, 64 en 65 (creditcard 2015/2016), 4, 24, 52 en 54 (creditcard 2016/2017), 61, 62, 88, 89, 101, 108, 109, 110 en 114 (creditcard 2017/2018), 42 en 93 (creditcard 2018/2019).
90.Transacties 64 (€ 32,77) en 65 (€ 52,30) (creditcard 2015/2016), 4 (€ 38,29) (creditcard 2016/2017), 61 (€ 69,66), 62 (€ 56,96), 88 (€ 49,05), 89 (€ 29,42) en 114 (€ 58,66) (creditcard 2017/2018), samen € 387,11.
91.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.