ECLI:NL:GHARL:2026:2165

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
200.359.156/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid, WahvArt. 6 EVRMArt. 12, derde lid, WahvArt. 20c, derde lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor doorrijden bij rood verkeerslicht ondanks betwisting waarneming

De betrokkene kreeg een sanctie van €280 opgelegd wegens het doorrijden bij een rood verkeerslicht op 6 november 2023 in Terneuzen. De betrokkene betwistte dat het licht rood was en stelde dat het oranje was. Zijn gemachtigde verzocht om het horen van de ambtenaar die de overtreding vaststelde, verwijzend naar het Keskin-arrest, maar dit verzoek werd door de kantonrechter afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat het horen van de ambtenaar noodzakelijk was om de betrouwbaarheid van de waarneming te toetsen. Het hof oordeelde echter dat er geen uitdrukkelijk en adequaat onderbouwd verzoek was gedaan om de ambtenaar te horen. De kantonrechter had het verzoek terecht afgewezen omdat de betwisting onvoldoende concreet was en geen feitelijke of juridische vragen opriep die niet schriftelijk konden worden beantwoord.

Het hof benadrukte dat in Wahv-zaken het recht om een belastende getuige te ondervragen niet per definitie mondeling hoeft te zijn, mede vanwege de doelmatigheid van de wet en de beperkte zwaarte van de sancties. Het schriftelijk bevragen van de ambtenaar is in de regel voldoende om te voldoen aan het recht op een eerlijk proces. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De sanctie voor het negeren van het rode verkeerslicht wordt bevestigd ondanks betwisting van de betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.359.156/01
CJIB-nummer
: 262179021
Uitspraak d.d.
: 13 april 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 juli 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is N. de Bock, kantoorhoudende te Roermond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 november 2023 om 21.10 uur op de Guido Gezellestraat in Terneuzen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene onder verwijzing naar het Keskin-arrest (ECLI:EU:C2019:1071) uitdrukkelijk het verzoek tot horen van de ambtenaar heeft gedaan. Dit verzoek is door de kantonrechter ongemotiveerd gepasseerd. De betrokkene heeft vanaf het eerste moment verklaard dat het licht ten tijde van het passeren oranje (het hof begrijpt: geel) was, en niet rood. De betrouwbaarheid en juistheid van de waarneming is daarmee van meet af aan betwist. Het horen van de ambtenaar was noodzakelijk omdat uitsluitend de ambtenaar kan verklaren over zijn waarnemingspositie, hoe hij heeft vastgesteld dat het licht rood was, over de tijdsduur tussen het oranje- en roodlichtsignaal en omdat gelet op de verklaring van de betrokkene een reëel scenario bestaat dat de waarneming niet juist is. Door het verzoek ongemotiveerd te passeren heeft de kantonrechter gehandeld in strijd met artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Nu de kantonrechter niet de gelegenheid heeft geboden de verklaring doeltreffend te betwisten, is de bewijsconstructie gebrekkig en kan het oordeel niet in stand blijven.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat deze ongeveer 2,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.
Plaatsaanduiding verkeerslicht: portaal boven kruispunt. Betrokkene stak kruispunt recht over. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: in mijn beleving was het oranje.”
5. Het hof heeft in het arrest van 14 april 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:3210) geoordeeld over de verplichtingen die uit het Keskin-arrest voortvloeien voor de toepassing van de Wahv. Het hof heeft daar als volgt overwogen:

"12. Aangezien in Mulderzaken sprake is van een criminal charge, geldt als uitgangspunt in deze zaken dat een betrokkene adequaat in de gelegenheid moet worden gesteld om belastend bewijs, waaronder (getuige)verklaringen van opsporingsambtenaren, te betwisten en in twijfel te trekken. Onder omstandigheden kunnen beroepsgronden van de betrokkene de rechter aanleiding geven om een ambtenaar op te roepen om op de openbare zitting te verschijnen als getuige. De Wahv geeft de rechter daarvoor ook de processuele mogelijkheid (artikel 12, derde lid, en artikel 20c, derde lid, Wahv).

13. Specifiek in Mulderzaken is van belang dat de Wahv blijkens de parlementaire geschiedenis is ingevoerd om lichte verkeersovertredingen doelmatig te kunnen afdoen, waarbij opgelegde sancties op effectieve wijze kunnen worden geïnd, terwijl niettemin voor de gesanctioneerde een adequate rechtsbescherming beschikbaar blijft. Het verminderen van de werklast voor de politie, het openbaar ministerie en de rechterlijke macht was hierbij een belangrijke drijfveer (Kamerstukken II, 1987/88, 20329, nr. 3). Wanneer in Wahv-zaken onverkort voor een betrokkene het recht zou bestaan om in iedere individuele zaak een belastende getuige mondeling te kunnen ondervragen op een fysieke hoorzitting, zou een zware belasting voor het handhavingsapparaat en voor de rechterlijke macht ontstaan, waarmee het systeem van vereenvoudigde afdoening zoals de wetgever dat voor ogen heeft gehad op onaanvaardbare wijze zou worden doorkruist. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen het belang van een efficiënte en effectieve handhaving van de verkeerswetgeving, alsmede de relatief geringe ernst van Mulderfeiten en de relatief beperkte zwaarte van de sancties die daarvoor kunnen worden opgelegd (uitsluitend geldboetes met een maximum van € 450,-) dat het recht om een belastende getuige te ondervragen niet per definitie mondeling en in het bijzijn van de betrokkene hoeft plaats te vinden. Het hof vindt voor die conclusie steun in de hiervoor aangehaalde uitspraken van het EHRM, waarin beperkingen op het recht op een mondelinge behandeling van een zaak en het meewegen van efficiencybelangen acceptabel zijn geacht.

14. Gezien het voorgaande zal in Wahv-zaken waarin door de betrokkene vragen zijn opgeworpen of waarin deze op basis van het dossier zijn gerezen, in veel gevallen kunnen worden volstaan met het schriftelijk voorleggen daarvan aan de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. De inperking van het recht om een belastende getuige (mondeling) te ondervragen, zal met die handelwijze in de regel genoegzaam worden gecompenseerd, zodat de procedure als geheel voldoet aan de eis dat sprake moet zijn van een eerlijk proces. Het hof merkt in dat verband op dat het reeds staande praktijk is dat de officier van justitie in de fase van het administratief beroep de ambtenaar om een nadere toelichting vraagt wanneer de beroepsgronden van de betrokkene hem daar aanleiding toe geven. Als dat in een concreet geval niet plaatsvindt, terwijl de rechter van oordeel is dat wel feitelijke of juridische vragen zijn gerezen die het nader bevragen van de ambtenaar noodzakelijk maken, kan de behandeling van de zaak worden aangehouden teneinde de officier van justitie die vragen te laten stellen aan de ambtenaar. Blijft een (adequate) beantwoording uit, dan kan de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hij geraden acht. Die gevolgen zouden kunnen bestaan uit het alsnog oproepen van de ambtenaar om ter zitting te worden gehoord. Een andere uitkomst zou kunnen zijn dat de rechter tot de slotsom komt dat zodanige twijfel bestaat of de gedraging is verricht, of dat het opleggen van een sanctie niet billijk is, dat de sanctiebeschikking niet in stand kan blijven.

15. Anders dan in strafzaken in zijn algemeenheid geldt, mag in procedures als de onderhavige van de betrokkene worden verwacht dat hij onderbouwt waarom het horen van een bepaalde belastende getuige in zijn ogen noodzakelijk is. Ontbreekt een adequate onderbouwing en geeft het betoog van de betrokkene ook overigens geen aanleiding tot feitelijke of juridische vragen die op basis van het dossier niet kunnen worden beantwoord, dan kan de rechter ook beslissen dat het (nader) bevragen van de ambtenaar niet noodzakelijk is. Dat geldt ook in gevallen waarin redelijkerwijs niet valt te verwachten dat de ambtenaar iets meer of anders kan verklaren dan hij reeds (schriftelijk) heeft gedaan. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de belastende verklaring feitelijk niet meer inhoudt dan een weergave van hetgeen de ambtenaar aan de hand van (meet)apparatuur heeft vastgesteld. Overigens wijst het hof erop dat in gevallen waarin sprake is van een op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging er doorgaans geen sprake is van een ‘verklaring van een ambtenaar’, zodat degene aan wie de oplegging van de sanctie kan worden toegerekend niet valt aan te merken als een getuige à charge."

6. De gemachtigde stelt dat hij onder verwijzing naar het Keskin-arrest uitdrukkelijk heeft verzocht om de ambtenaar te horen.
7. In beroep bij de kantonrechter heeft de gemachtigde slechts aangevoerd dat de betrokkene persisteert bij de gronden uit het administratief beroepschrift, in het bijzonder dat de betrokkene de gedraging ontkent, alsmede dat in de fase van administratief beroep reeds is betoogd dat de verklaring van de ambtenaar en de verklaring van de betrokkene lijnrecht tegenover elkaar staan en dat in dat verband de officier van justitie is gewezen op de verplichting, voortvloeiende uit het Keskin-arrest om de ambtenaar een aanvullend proces-verbaal te laten opstellen, zoals uitleg is gegeven aan het Keskin-arrest door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De officier heeft dit verzuimd, aldus de gemachtigde in beroep bij de kantonrechter.
In administratief beroep heeft de gemachtigde niet meer aangevoerd dan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Het licht straalde oranje uit. De verklaringen van de verbalisant en de betrokkene staan lijnrecht tegenover elkaar. Een aanvullend proces-verbaal van de verbalisant is nodig.
8. Het hof stelt vast dat in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen uitdrukkelijk verzoek besloten ligt om de ambtenaar te horen. Voor zover de gemachtigde, in beroep bij de kantonrechter, door de verwijzing naar het Keskin-arrest en de jurisprudentie van het hof daarover, heeft beoogd een verzoek in te dienen om de ambtenaar te horen dan wel hem nadere schriftelijke vragen te stellen overweegt het hof dat de kantonrechter dit verzoek, bij gebreke van een adequate onderbouwing van de noodzaak daartoe -de twijfel aan de waarneming door de ambtenaar is niet onderbouwd- alleen maar had kunnen afwijzen.
9. Door de gemachtigde zijn in hoger beroep nog wel in zijn algemeenheid omstandigheden genoemd waar de ambtenaar over zou kunnen verklaren, maar ook dat is niet voldoende om te kunnen zeggen dat de gemachtigde in hoger beroep wel adequaat heeft onderbouwd dat het stellen van vragen zijns inziens, dat wil zeggen bezien vanuit het perspectief van de verdediging, noodzakelijk is. Immers, ook deze omstandigheden maken niet zonder meer dat feitelijke of juridische vragen zijn gerezen die het bevragen van de ambtenaar noodzakelijk maken.
10. Het hof merkt overigens nog op dat het aangewezen is om de noodzaak tot het stellen van vragen in een zo vroeg mogelijk stadium adequaat te onderbouwen, aangezien met het verstrijken van de tijd de kans kleiner wordt dat de ambtenaar meer of anders kan verklaren dan hij of zij reeds heeft gedaan. Dit doet afbreuk aan het effectief kunnen bevragen van de ambtenaar en kan, indien dit de verdediging kan worden toegerekend, meebrengen dat de procedure als geheel wel eerlijk is in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM, ook als geen vragen kunnen worden gesteld of beantwoord.
11, Het voorgaande brengt mee dat het verweer van de gemachtigde niet leidt tot het oordeel dat de verklaring van de ambtenaar niet mag worden gebruikt als bewijs voor de vaststelling van de gedraging. In de enkele betwisting van de verklaring ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid daarvan, zodat wordt vastgesteld dat de gedraging is verricht.
12. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.