In deze civiele zaak stond centraal of appellant stilzwijgend een reguliere pachtovereenkomst was aangegaan met Flint Beheer na het voortzetten van het gebruik van percelen sinds 2019, nadat de oorspronkelijke pachter was gestopt.
De feiten betroffen een pachtovereenkomst uit 1980 tussen Flint Beheer en pachters, waarbij appellant sinds 2008 in maatschap met een pachter het melkveebedrijf exploiteerde. Na het vertrek van de pachter in 2019 zette appellant het gebruik voort en betaalde pachtfacturen, maar Flint Beheer gaf geen expliciete instemming.
Het hof oordeelde dat geen wilsovereenstemming of gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat appellant pachter was geworden. Betalingen via de maatschap en correspondentie met rentmeesters waren onvoldoende om Flint Beheer's instemming aan te nemen. Ook het enkele gebruik en een factuur op naam van appellant in 2022 waren niet doorslaggevend.
Het bewijsaanbod van appellant werd gepasseerd wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof bekrachtigde het vonnis van de pachtkamer dat de vorderingen van appellant afwees en veroordeelde appellant tot betaling van proceskosten.