Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2292

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.362.710/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezag moeder over minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De rechtbank Noord-Nederland heeft het gezag van de moeder over haar minderjarige zoon beëindigd en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemd. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof bevestigt het vonnis.

De minderjarige verblijft sinds zijn geboorte in een pleeggezin en vertoont een kwetsbare ontwikkeling met een verzwaarde zorgbehoefte. De moeder kampt met persoonlijke problematiek en verslaving, hoewel zij positieve veranderingen heeft doorgemaakt. Het hof oordeelt dat de moeder nog niet in staat is om binnen een aanvaardbare termijn de opvoeding en verzorging van haar zoon op zich te nemen.

Het belang van het kind staat voorop, waarbij continuïteit en stabiliteit in de opvoedingssituatie essentieel zijn. Het hof benadrukt dat de moeder ondanks het verlies van gezag een rol blijft spelen in het leven van de minderjarige. De beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige vanwege bedreiging van zijn ontwikkeling en verstreken aanvaardbare termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.710/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 201488)
beschikking van 16 april 2026
over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
,
regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1] en [belanghebbende2](de pleegouders),
die wonen op een bij het hof bekend adres,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
,
die is gevestigd in Amsterdam.

1.SamenvattingDe rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
De moeder heeft een zoon, [de minderjarige] , geboren [in] 2023. Alleen de moeder oefende het gezag uit over [de minderjarige] .
2.2
[de minderjarige] is bij beschikking van 21 november 2023, nog voor zijn geboorte,
onder toezicht gesteld van de GI tot 21 november 2024. Bij dezelfde beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van hem verleend in een voorziening voor pleegzorg vanaf de dag dat hij geboren wordt. Deze maatregelen zijn daarna bij beschikking van 8 november 2024 verlengd tot 21 november 2025.
2.3
[de minderjarige] verblijft vanaf een dag na zijn geboorte, [in] 2023, in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin. Daar wonen ook twee halfzussen van [de minderjarige] . Op 20 december 2024 is het gezag van de moeder over de halfzussen beëindigd.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen.
3.2
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 20 oktober 2025 (de bestreden beschikking).

4.De procedure bij het hof

4.1
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Zij verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om haar gezag te beëindigen alsnog af te wijzen.
4.2
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3
De GI wil dat de beslissing in stand blijft. De pleegmoeder heeft tijdens de zitting laten weten dat ook de pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 16 december 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 13 januari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 22 januari 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de raad.
4.5
De zitting bij het hof was op 24 maart 2026. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de pleegmoeder.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.
5.2
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.
5.3
Een gezagsbeëindiging betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind. Uit artikel 8 EVRM Pro en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het EHRM volgt dat een dergelijke inmenging slechts gerechtvaardigd is, indien het beëindigen van het ouderlijk gezag in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechter dient na te gaan of gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het beoogde resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel).
Hoe oordeelt het hof?
5.4
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een gezagsbeëindiging en dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder over hem wordt beëindigd.
5.5
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt naar het oordeel van het hof dat [de minderjarige] nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hij is een kwetsbare jongen die al voor zijn geboorte ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. Hij laat een extreme gevoeligheid zien voor wat er om hem heen gebeurt en hij heeft moeite met veranderingen en wisselingen. Dit wordt gezien na de omgangsmomenten met de moeder, waarna hij nog steeds moet herstellen. In de afgelopen periode is het contact tussen [de minderjarige] en zijn biologische vader gestart en hij is begonnen op de peuterspeelzaal. In en na deze nieuwe situaties laat [de minderjarige] zien dat hij moeite heeft met nieuwe mensen, dat het lang duurt voor hij toenadering zoekt en dat deze nieuwe situaties veel van hem vragen. [de minderjarige] loopt daarnaast achter in zijn taalontwikkeling en er zijn zorgen over mogelijke trauma’s. [de minderjarige] heeft een verzwaarde zorgbehoefte. Hij heeft meer nodig dan een gemiddeld kind van zijn leeftijd en er bestaat een reële kans dat dit in de toekomst zo zal blijven.
5.6
De moeder heeft een belaste voorgeschiedenis en kampt met persoonlijke problematiek en verslaving. De moeder heeft aangegeven dat zij haar leven in positieve zin heeft veranderd. De moeder gebruikt nu ruim een jaar geen drugs meer en er is een aanvraag gedaan om vanuit begeleid wonen zelfstandig te gaan wonen. Er is regelmaat in de omgang met [de minderjarige] en de samenwerking met de GI is goed. Het hof is van oordeel dat de moeder hier een groot compliment voor verdient en het hof hoopt dat de moeder deze positieve ontwikkelingen doorzet. Dit is in haar belang en zeker in het belang van [de minderjarige] , zodat hij zoveel mogelijk kan profiteren van het contact met de moeder. De positieve ontwikkelingen zijn echter nog pril en het moet nog blijken dat deze bestendig zijn. De GI heeft erop gewezen dat de moeder in het verleden na positieve ontwikkelingen terugvallen heeft gehad. De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat er zorgen zijn over de leerbaarheid van de moeder en haar mogelijkheden om goed aan te sluiten op [de minderjarige] . Het hof acht het, ook gelet op komende ingrijpende veranderingen in het leven van de moeder, zoals de overgang naar onbegeleid wonen, niet aannemelijk dat de moeder tegemoet kan komen aan de verzwaarde opvoedbehoefte van [de minderjarige] . Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder weer in staat moet worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen, is verstreken.
5.7
Het hof overweegt dat bij de beoordeling het belang van [de minderjarige] voorop moet staan. De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat de leeftijdsfase waarin hij nu zit, een cruciale periode is voor zijn hechting. Voor een gezonde hechting is voorspelbaarheid en continuïteit essentieel. Het hof acht het daarom voor [de minderjarige] noodzakelijk dat er rust en duidelijkheid komt voor hem komt, zodat hij zich veilig kan hechten aan zijn pleegouders en dat hij weet dat hij binnen het pleeggezin bij zijn twee halfzussen mag opgroeien. Het doorbreken van het hechtingsproces kan de ontwikkeling van [de minderjarige] schaden. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder aan het hof verteld dat – ook als zij haar gezag behoudt – [de minderjarige] bij het pleeggezin kan blijven wonen en dat zij hier nu berusting in heeft gevonden. Het hof vindt het positief dat de moeder achter het verblijf van [de minderjarige] bij de pleegouders staat, maar dat maakt het oordeel van het hof niet anders. Niet alleen was het standpunt van de moeder op dit punt recent nog geheel anders en is het nog maar de vraag of dit een bestendig standpunt is, maar bovendien is het hof, anders dan de moeder, van oordeel dat een gezagsbeëindiging nodig is om de stabiliteit en continuïteit in [de minderjarige] zijn opvoedingssituatie te waarborgen. Dit is juist gezien de verzwaarde zorgbehoefte van [de minderjarige] en de situatie van de moeder niet op een andere manier, in vrijwillig kader, te verzekeren.
5.8
De moeder heeft ter zitting verteld dat zij bang is dat zij meer naar de achtergrond zal verdwijnen als zij geen gezag meer heeft. Het hof overweegt daarbij dat het belang van [de minderjarige] in dit opzicht het zwaarst weegt en die angst overigens ongegrond lijkt. Zowel de moeder als de GI hebben aan het hof verteld dat hun onderlinge samenwerking goed is. Zij hebben contact en delen foto’s van en berichten over [de minderjarige] met elkaar. Verder zien de moeder, de GI en de pleegouders elkaar tijdens halfjaarlijkse evaluaties. De pleegmoeder heeft ter zitting verteld dat zij wil dat de moeder een rol blijft hebben in het leven van [de minderjarige] en dat zij zich hier voor blijft inzetten, ook na eventuele gezagsbeëindiging. Daarnaast heeft de GI tijdens de mondeling behandeling toegelicht dat de omgangsmomenten sinds de beslissing van de rechtbank tot gezagsbeëindiging in het najaar van 2025, niet zijn afgenomen of verminderd en dat hier ook momenteel geen aanleiding voor is.
Het hof begrijpt dat het voor de moeder moeilijk is om niet meer het gezag te hebben, maar het hof merkt ten overvloede nog op dat het feit dat het gezag van de moeder over [de minderjarige] is beëindigd, niet met zich brengt dat zij voor [de minderjarige] minder belangrijk is of dat zij geen rol meer in het leven van [de minderjarige] speelt. Immers, de moeder zal ook bij beëindiging van het gezag altijd de moeder van [de minderjarige] blijven. Bovendien houdt zij het recht op informatie over de ontwikkeling van [de minderjarige] en op contact met hem voor zover het belang van [de minderjarige] zich hiertegen niet verzet.
5.9
Gelet op het vooraanstaande zal het hof de beslissing van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 oktober 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. A.P. de Jong-de Goede en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 16 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.