De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor een minderjarige tot 16 juli 2026. De ouders gingen in hoger beroep tegen deze beslissing, met name tegen de benoeming van de gecertificeerde instelling (GI) en de machtiging zelf.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De ouders trokken hun verzoek in om een andere GI te benoemen, waardoor het hof hierover niet meer hoeft te beslissen. De machtiging tot uithuisplaatsing blijft van kracht omdat de minderjarige nog niet veilig thuis kan wonen.
De uithuisplaatsing is noodzakelijk vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie, waaronder huiselijk geweld en fysieke straffen, die een grote impact hebben op de minderjarige. Hoewel de ouders hun relatie hebben verbeterd en openstaan voor hulpverlening, is de situatie nog fragiel en erkennen zij de ernst van de zorgen onvoldoende.
Het hof benadrukt dat een gezinsopname een geschikt middel is om de opvoedvaardigheden te onderzoeken en te bepalen of en onder welke voorwaarden de kinderen naar huis kunnen terugkeren. Totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, blijft de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk en wordt deze bekrachtigd.