De moeder is met haar drie kinderen uit Oekraïne naar Nederland gevlucht. Na zorgen over huiselijk geweld en een schadelijke opvoedstijl, waarbij fysieke straffen werden toegepast, zijn de kinderen uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI).
De moeder ging in hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing en de benoeming van de GI, maar trok het verzoek om een andere GI te benoemen in. Het hof bevestigde de Nederlandse rechtsmacht en het toepasselijke recht.
Hoewel de moeder en stiefvader verbeteringen in hun relatie en houding tonen en openstaan voor hulpverlening, zijn de zorgen over de opvoedsituatie nog niet weggenomen. De gezinsopname wordt als noodzakelijk middel gezien om de opvoedvaardigheden te beoordelen en te bepalen of en onder welke voorwaarden de kinderen naar huis kunnen terugkeren.
Het hof oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend en bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter. De machtiging blijft van kracht tot 16 juli 2026, zodat het onderzoek zorgvuldig kan worden uitgevoerd en het belang van de kinderen wordt gewaarborgd.