Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2297

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
200.342.413/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:98 BWArt. 6:106 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake onrechtmatige daad door stalking en juridische procedures

Na het verbreken van hun relatie ontstond een langdurig conflict tussen appellante en geïntimeerde, waarbij appellante stalking en onrechtmatig handelen door geïntimeerde stelde. Het hof stelde vast dat geïntimeerde diverse gedragingen heeft verricht die onrechtmatig zijn jegens appellante, waaronder het sturen van e-mails, een anonieme brief en het benaderen van haar omgeving met lasterlijke beschuldigingen.

Daarnaast werden verschillende juridische procedures gevoerd, waarbij het hof oordeelde dat niet alle procedures onrechtmatig waren, maar dat het instellen van een evident ongegronde vordering door CVG, een vennootschap van geïntimeerde, wel onrechtmatig was. Het hof bevestigde een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe en veroordeelde geïntimeerde tot vergoeding van een deel van de advocaatkosten.

Het hof wees de zaak toe voor nadere specificatie van advocaatkosten gerelateerd aan bepaalde onrechtmatige gedragingen en de kosten van een voorlopig getuigenverhoor. Kosten voor beveiliging en onderzoek werden afgewezen wegens onvoldoende causaliteit en specificatie. Het hof verwierp ook het verweer van geïntimeerde omtrent btw-verrekening en wettelijke rente, en hield verdere beslissingen aan.

Uitkomst: Het hof bevestigt onrechtmatig handelen door geïntimeerde, wijst immateriële schadevergoeding en advocaatkosten toe, en verwijst de zaak voor nadere specificatie van bepaalde kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.342.413/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 540326
arrest van 7 april 2026
in de zaak van
[appellante] (hierna:
[appellante] ),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. L.Z. Bosman te Amsterdam,
en
[geïntimeerde] (hierna:
[geïntimeerde] ),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. J.J. Dijkman te Haarlem.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Partijen hebben beiden hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad op 28 juni 2023 (het tussenvonnis) en 6 maart 2024 (het eindvonnis) heeft gewezen. [appellante] heeft op 31 mei 2024 een dagvaarding in hoger beroep aan [geïntimeerde] laten uitbrengen. Na het aanbrengen van de zaak bij het hof heeft [appellante] op 24 september 2024 een memorie van grieven (met producties) genomen. [geïntimeerde] heeft daarop geantwoord met zijn memorie van antwoord ( met producties) van 14 januari 2025 en in die memorie incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft daarop gereageerd met haar memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties) van 22 april 2025.
1.2
Het hof heeft daarna een mondelinge behandeling bepaald, die heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 november 2025. Voorafgaand aan de zitting heeft [appellante] de producties 147-150 en [geïntimeerde] de producties 48-50 aan het hof toegezonden. Na bezwaar van mr. Bosman heeft het hof de productie 50 van [geïntimeerde] geweigerd wegens strijd met een goede procesorde. De productie was feitelijk een inhoudelijke akte waarin [geïntimeerde] zelf uitgebreid ingaat op e-mailwisselingen tussen partijen. Voor het nemen van een dergelijke akte na de memorie van antwoord/memorie van grieven in incidenteel appel is geen toestemming verleend. Aan het eind van de zitting hebben partijen het hof verzocht een arrest te wijzen.
1.3
Van de zitting is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Mr. Bosman heeft in een brief van 10 december 2025 aan het hof een tweetal opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal, te weten over het ontbreken van een reactie van mr. Bosman op de stelling van de zijde van [geïntimeerde] dat in deze procedure geen ruimte meer bestaat voor het vorderen van een volledige proceskostenveroordeling als die niet al in de betreffende procedure is gevraagd, en over de uitleg van de op de zitting aanwezige informant aan de zijde van [appellante] over het niet kunnen verrekenen van btw. De opmerkingen zijn als zodanig terecht, zodat het proces-verbaal met inachtneming van die opmerkingen gelezen moet worden. Of ze relevant zijn voor de beoordeling zal hierna blijken.

2.De kern van de zaak

2.1
Na het verbreken van hun relatie zijn partijen in een langdurig en diepgaand conflict terechtgekomen, onder meer vanwege het verwijt van [appellante] dat sprake is van stalking (in feitelijke en juridische zin) door [geïntimeerde] . Dat heeft zich volgens [appellante] gemanifesteerd door verschillende feitelijke gedragingen van [geïntimeerde] en door verschillende juridische procedures tussen hen, en tussen derden en [appellante] . Er is sprake geweest van over en weer gedane aangiften bij de politie, die hebben geleid tot strafrechtelijke vervolging van [geïntimeerde] . Volgens [appellante] is het handelen van [geïntimeerde] ingegeven door zijn motief om haar te schaden en is het handelen van [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig.
2.2 [appellante] heeft daarom gevorderd dat op de door haar aangevoerde gronden wordt uitgesproken (voor recht wordt verklaard) dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, en daarnaast een bedrag van € 413.741,42, vermeerderd met wettelijke rente, als vergoeding van haar immateriële schade, van kosten van beveiliging, en van de kosten van haar advocaten en adviseurs. Het gaat volgens [appellante] om € 15.000 als vergoeding voor immateriële schade, € 10.499,40 als vergoeding voor beveiligingskosten,
€ 33.435,69 als vergoeding voor kosten ter vaststelling van schade, en
€ 358.562,54 als vergoeding van alle juridische kosten die [appellante] heeft gemaakt (inclusief onderzoekskosten), verminderd met € 3,756,21 aan al betaalde proceskosten.
[appellante] heeft tot zekerheid van het verhaal van haar vorderingen conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken van [geïntimeerde] .
2.3
[geïntimeerde] heeft zich tegen de vorderingen van [appellante] verweerd en tegenvorderingen ingesteld die strekken tot opheffing en doorhaling van de door [appellante] gelegde beslagen en een verklaring voor recht dat [appellante] de beslagen onrechtmatig heeft gelegd en de schade moet vergoeden die [geïntimeerde] daardoor heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.4
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] voor een deel (tot een hoofdsom van
€ 30.445,15 aan juridische kosten en vermeerderd met kosten voor een deskundigenrapport en beslagkosten, met wettelijke rente) toegewezen en verder afgewezen. De tegenvorderingen van [geïntimeerde] zijn afgewezen. [geïntimeerde] is in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld.
2.5
Partijen willen met hun hoger beroep bereiken dat het hof hun vorderingen alsnog volledig toewijst en dat de vorderingen van de andere partij worden afgewezen.
2.6
Het hof zal oordelen dat de beslissingen van de rechtbank grotendeels in stand blijven en dat ten aanzien van een deel van de door [appellante] gevorderde vergoeding van kosten nadere informatie aan het hof moet worden gegeven. Dat wordt hierna uitgelegd, nadat het hof eerst de daarvoor relevante feiten zelf opnieuw heeft vastgesteld. [appellante] heeft enige bezwaren geuit tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Het hof heeft met die bezwaren, voor zover die van belang zijn voor de beslissingen, rekening gehouden in de zelfstandige feitenvaststelling door het hof. Er bestaat verder geen belang meer bij een beoordeling van de bezwaren gegeven de zelfstandige feitenvaststelling

3.De feiten

3.1
[appellante] en [geïntimeerde] hebben vanaf 2013 tot begin 2017 een affectieve relatie
met elkaar gehad. Voorafgaand en tijdens deze relatie heeft [geïntimeerde] [appellante]
geholpen en vertegenwoordigd bij zakelijke, fiscale en juridische kwesties.
3.2
[appellante] heeft in de periode van 2008 tot 2014 geld geleend van de heer [naam1] ( [naam1] ). Tussen [appellante] , [geïntimeerde] en [naam1] is in februari 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten, die er toe heeft geleid dat de lening van [appellante] bij [naam1] gedeeltelijk is afgelost met gelden die [appellante] van [geïntimeerde] heeft geleend. [naam1] heeft daarvoor kwijting verleend en de vordering voor het niet afgeloste deel aan [geïntimeerde] gecedeerd. De transactie heeft, na verwikkelingen tussen betrokkenen over de geldigheid van de overeenkomst, geleid tot de hierna in 3.16 onder d. te noemen procedure (procedure ‘ [naam1] ’).
3.3
[appellante] heeft op 2 februari 2014 twee akten van verpanding ondertekend. In die akten wordt verwezen naar een geldlening van 2 februari 2014, tot zekerheid waarvan zij aan [geïntimeerde] pandrechten op roerende zaken en op vorderingen heeft gegeven.
3.4
[appellante] heeft in een appbericht van 5 april 2017 aan [geïntimeerde] bericht:
‘Jij bent niet in staat om mij nog te vertegenwoordigen. Dus bij deze wil ik ook niet meer dat
je dat doet op geen enkel vlak'.
3.5
[geïntimeerde] heeft daarna verschillende relaties van [appellante] benaderd om vorderingen op [appellante] van hen over te nemen of namens hen vorderingen tegen [appellante] in te stellen. Dat betreft eerdergenoemde [naam1] (met een e-mail van 4 mei 2017), de voormalig verhuurder van [appellante] (met een e-mail van 11 mei 2017), de leverancier van een houten vloer in de yoga-studio van [appellante] (met een e-mail van 16 mei 2017), het loodgietersbedrijf Odin en schildersbedrijf ARW.
3.6
[geïntimeerde] heeft op 1 mei 2017 ETS, de accountant van [appellante] , aangeschreven en in de brief van die datum [appellante] beschuldigd van diefstal en fraude, met een verzoek om ingediende aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting aan te vullen, bij gebreke waarvan hij de fiscus zal informeren over fiscale onjuistheden. [geïntimeerde] heeft ook de fraudedesk van de belastingdienst benaderd. Op 5 mei 2017 heeft [geïntimeerde] aan de advocaten van [appellante] gemeld dat hij verzekeringsfraude heeft gemeld bij de tussenpersoon van de verzekeringsmaatschappij. Op 14 juni 2017 heeft [geïntimeerde] aan Yoga-Plus, een zakenrelatie van [appellante] , geschreven dat zij rekening moet houden met een financieel onderzoek vanwege vakantiekosten die [appellante] ten onrechte heeft afgeboekt op de winst. [geïntimeerde] heeft in die periode ook de voormalig verhuurder van [appellante] benaderd met de beschuldiging dat [appellante] hem zou hebben ‘bedonderd’; soortgelijke beschuldigingen uitte hij bij Holland Parket, die hij aanspoorde om juridische stappen tegen [appellante] te ondernemen.
3.7
[geïntimeerde] heeft op 17 mei 2017 aangifte gedaan bij de politie vanwege valsheid in geschrifte door [appellante] en op 8 juni 2017 wegens smaad, laster en belediging.
3.8
[geïntimeerde] is op 17 en 24 mei 2017 langs de woning van [appellante] gelopen. Op 27 mei 2017 is [geïntimeerde] een aantal keren langs de kapsalon (Trendlounge) in [plaats] gelopen, waar [appellante] zich op dat moment bevond.
3.9
[appellante] heeft op 24 mei 2017 een e-mail ontvangen waarin werd gesuggereerd dat zij een ‘call girl’ is geweest. [geïntimeerde] heeft daarover op 29 mei 2017 een vriendin van [appellante] benaderd en daaraan in Whatsappberichten aan de vriendin en de hierna te noemen [naam2] en e-mails (met een kopie aan de moeder van [appellante] ) aan de advocaten van [appellante] gerefereerd.
3.1
Op 20 mei 2017 heeft [naam2] een schriftelijke verklaring afgelegd. Deze verklaring luidt voor zover van belang als volgt.
"Ik ben op 10 mei 2017, zo rond 08:45 uur, opgebeld door de mij bekende [geïntimeerde] .
Ik ken [geïntimeerde] uit het verleden (...). [geïntimeerde] sprak meteen negatief over [appellante] en noemde haar steeds minachtend 'die Yoga-juf’. In het telefoongesprek zei [geïntimeerde] mij dat hij 'bestolen en bedrogen' was door [appellante] en dat zij van hem had 'geprofiteerd'. (..) [geïntimeerde] zei ook letterlijk: ‘Zij heeft mij opgelicht’ Hij wilde haar ‘aanpakken‘, was daar al mee begonnen ( ..) [geïntimeerde] heeft meermalen in verschillende bewoordingen verklaard dat hij [appellante] wil aanpakken (…). Het was zonneklaar voor mij dat [geïntimeerde] - sinds de relatie met [appellante] is beëindigd - sterke 'wraakgevoelens' heeft jegens [appellante] en er op uit is haar het leven zo zuur mogelijk te maken. [geïntimeerde] meldde mij dat hij een groot aantal rechtszaken tegen haar begint en dat de eerste dagvaardingen al uit zijn gegaan. Hij vertelde trots dat hij een deurwaarder had opgebeld met het verzoek of deze hem 'een plezier' wilde doen door de dagvaarding nog dezelfde dag bij [appellante] te laten betekenen. De deurwaarder had hem later die dag bevestigd dat dit gelukt was en [geïntimeerde] was daar zeer vergenoegd over. En ook: 'De eerste dagvaarding heeft ze liggen…en er gaan er nog vele volgen.(...)’.
3.11
[geïntimeerde] heeft de ex-echtgenoot ( [naam3] ) van [appellante] benaderd, met een e-mail van 2 juni 2017 aan diens advocaat. Toen bleek dat [naam3] geen behoefte had aan contact heeft [geïntimeerde] aan de advocaat geschreven:
'kunt u uw cliënt berichten dat zijn ex vrouw enige jaren geleden zo aardig is geweest mij 1 exemplaar van de videotape van hun huwelijk te geven. De gasten, inclusief 'bepaalde speciale ' gasten, zijn indertijd gefilmd. Ik verwijs ook, wellicht overbodig, ter opfrissing van zijn geheugen naar de correspondentie tussen de ex echtelieden, toen uw cliënt niet voortvarend mee wenste te werken aan de naamsverandering van hun dochter. Dat is uiteraard ook in mijn bezit. Ik denk gezien de inhoud van deze video dit feit leidt tot een voortschrijdend inzicht bij uw cliënt. (...)’
over'.
3.12
De dochter van [appellante] heeft op 3 juni 2017 Snapchat-berichten ontvangen van het
account van de dochter van [geïntimeerde] . In de berichten was een foto van het boek 'De
Jacht op Crimineel Geld' toegevoegd en in tekstberichten stond onder andere: 'mooi boek
over je vader!! Leuk hoofdstuk!!!’ en 'geschoxkeerd? Dat wist je niet #ikweetalles zoek maar
op [naam3] fiscalist van de vrienden van [naam4] ps je moeder heeft ze ook
gesproken ' en je moet geen screenshots nemen maar het boek lezen’.
3.13
De makelaar van [appellante] ( [naam6] ) heeft omstreeks 12 juni 2017 een brief ontvangen
waarin staat: ‘know your customer principle: [appellante] : dat is de dame die met haar
man [naam3] in 2004 gearresteerd werd. Hun dochter heette [naam5] en nu [naam11]
'.
3.14
[geïntimeerde] heeft op 8 augustus 2017 een aantal seksattributen naar de woning van [appellante] gestuurd.
3.15
[appellante] heeft drie kortgedingprocedures tegen [geïntimeerde] gevoerd:
a. Het kort geding ‘Pandrechten’ waarin de voorzieningenrechter bij vonnis van
26 juni 2017 heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] geen pandrechten meer mag inroepen
totdat in rechte vast staat dat deze geldig zijn.
b. Het kort geding ‘Contactverbod I’ en kort geding ‘Contactverbod II’ waarin [appellante] een
contact- en gebiedsverbod voor [geïntimeerde] heeft gevorderd. Op 12 juni 2017 vond
de mondelinge behandeling in het kort geding Contactverbod I plaats. Vervolgens is De
Laat het kort geding Contactverbod II gestart, waarin zij de gedragingen van Van
Boekhold vanaf 12 juni 2017 naar voren heeft gebracht. Op 20 juni 2017 heeft de
mondelinge behandeling in het kort geding Contactverbod II plaatsgevonden en heeft de
voorzieningenrechter diezelfde dag - kort gezegd - een contactverbod opgelegd aan Van
Boekhold, totdat in het kort geding Contactverbod I een beslissing is genomen. In het
kort geding Contactverbod I heeft de voorzieningenrechter het gevorderde contact- en
gebiedsverbod bij vonnis van 26 juni 2017 afgewezen omdat de overlast qua duur,
frequentie en ernst vooralsnog onvoldoende was om het verbod te rechtvaardigen.
3.16
[geïntimeerde] is de volgende procedures tegen [appellante] gestart:
c. In de procedure ‘Onverschuldigde Betaling’ heeft [geïntimeerde] in de dagvaarding van 12 mei 2017 een bedrag van € 14.500,- van [appellante] gevorderd op grond van onverschuldigde betaling. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. [geïntimeerde] is in de proceskosten van [appellante] veroordeeld, die zijn bepaald op basis van het liquidatietarief (en dus niet in de volledige proceskosten).
d. De procedures ‘ [naam1] ’ en ‘Hoger beroep [naam1] ’: [geïntimeerde] heeft bij dagvaarding van 3 november 2017 van [appellante] een bedrag van € 257.585,30 gevorderd,
welke vordering hij van de heer [naam1] heeft overgenomen. De rechtbank
Amsterdam heeft - samengevat - de vordering bij tussenvonnis van 19 juni 2019
afgewezen. [geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld en op 15 november 2019 een
verzoek tot voorlopig getuigenverhoor ingediend. Op 18 mei 2020 heeft hij dit verzoek
weer ingetrokken. Het gerechtshof Amsterdam heeft de beslissing van de rechtbank in
het arrest van 26 april 2022 bekrachtigd. Zowel rechtbank als gerechtshof hebben [geïntimeerde] in de volledige proceskosten van [appellante] veroordeeld, omdat hij misbruik van procesrecht heeft gemaakt tegenover [appellante] .
3.17
Tussen [appellante] en CVG International B.V. (CVG), waarvan [geïntimeerde] enig aandeelhouder en bestuurder is, of de feitelijk bepaler van het beleid is, hebben twee procedures plaatsgevonden:
e. CVG heeft in de procedure ‘Werkzaamheden CVG’ op 19 mei 2017 een dagvaarding
uitgebracht. CVG heeft met een beroep op een door [appellante] ondertekende opdrachtovereenkomst tussen CVG en [appellante] de betaling voor enkele werkzaamheden gevorderd. [appellante] heeft een beperkt authenticiteitsonderzoek laten verrichten op de digitale versie van de opdrachtovereenkomst, in welk onderzoek is geconcludeerd: 'bij de analyse van de pixels, de structuur en de omkadering van de schrijflijnen en document-technische
verhoudingen zijn echter wel enkele kenmerken waargenomen die er op duiden dat de
betwiste handtekening is gemonteerd middels 'knip- en plakwerk
.’ Er is geen
onderzoek uitgevoerd op de originele overeenkomst. [geïntimeerde] heeft [appellante]
in e-mail medegedeeld dat hij de originele overeenkomst per post heeft toegestuurd, maar [appellante] stelt dat die niet is aangekomen. De kantonrechter heeft op 20 december 2017 geoordeeld dat de schriftelijke opdrachtovereenkomst waarop CVG zich beriep geen bewijswaarde heeft, dat uit e-mails is gebleken dat de werkzaamheden als vriendendienst zijn verricht en op die gronden de vordering afgewezen. CVG is in de geliquideerde proceskosten van [appellante] veroordeeld.
f. In de procedure ‘Vervangende Schadevergoeding’ heeft CVG bij dagvaarding van
7 mei 2019 vervangende schadevergoeding van [appellante] gevorderd voor enkele spullen,
waaronder een vloerkleed, theelepels en theeglazen. De kantonrechter heeft de
vorderingen bij vonnis van 24 december 2019 afgewezen. CVG is in de proceskosten conform het liquidatietarief veroordeeld. De kantonrechter heeft geen reden gezien
voor toekenning van een volledige proceskostenveroordeling ten laste van CVG.
3.18
Odin en ARW (zie 3.5) hebben beiden op 12 juni 2017 een dagvaarding laten uitbrengen tegen [appellante] . [geïntimeerde] heeft Odin en ARW geholpen in die procedures. CVG heeft in de persoon van [naam7] in de procedure van Odin tegen [appellante] als gemachtigde van Odin opgetreden. De kantonrechter heeft de vordering van Odin toegewezen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen: 'hoewel het optreden van CVG (...) en [geïntimeerde] , (welke laatste nota bene eerst als belangenbehartiger is opgetreden in het geschil tussen Odin 's Loodgietersbedrijf en [appellante] in relatie tot deze procedure bedenkelijk en als ongepast kan worden gekwalificeerd, kan dat niet aan Odin 's Loodgietersbedrijf worden tegengeworpen. Van misbruik van recht door Odin 's Loodgietersbedrijf is dan ook geen sprake’. [appellante] is in de proceskosten van Odin veroordeeld.
3.19
In de procedure van ARW tegen [appellante] heeft CVG in de persoon van [geïntimeerde] als gemachtigde voor ARW opgetreden. De kantonrechter heeft de vordering van ARW afgewezen, en haar in de proceskosten veroordeeld.
3.2
[geïntimeerde] is ten slotte enkele procedures gestart tegen personen in de omgeving
van [appellante] . Het gaat om de volgende:
i. [geïntimeerde] heeft op 12 mei 2017 (in de procedure ‘ [naam8] ’) de moeder van [appellante] (mevrouw [naam8] ) gedagvaard voor een vordering van € 450,- op grond van onverschuldigde betaling. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen en geoordeeld dat [geïntimeerde] geen misbruik van procesrecht heeft gemaakt. [geïntimeerde] is in de proceskosten veroordeeld, vastgesteld aan de hand van het liquidatietarief.
j. [geïntimeerde] heeft tuchtklachten tegen advocaten van [appellante] ingediend bij de Deken van de Orde van Advocaten. Op 12 juni 2017 heeft [geïntimeerde] verzocht de klachten door te sturen aan de Raad van Discipline. De klachten zijn ongegrond verklaard.
k. Op 12 juni 2017 heeft [geïntimeerde] een tuchtklacht tegen de heer [naam6] (hierna:
[naam6] ), de makelaar van [appellante] , ingediend bij de Raad van Toezicht. De Raad van
Toezicht heeft [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. De Raad van Toezicht heeft in de beslissing overwogen dat ‘
klager door het indienen van een klacht bij de Raad van Toezicht misbruik heeft gemaakt van het tuchtrecht van de NVM. De Raad van Toezicht komt tot dit oordeel omdat klager zijn klacht baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat die feiten en omstandigheden op geen enkele wijze kunnen leiden tot gegrondheid van de ingediende klacht. De Raad van Toezicht acht aannemelijk, gezien de voorgeschiedenis, dat de klacht voornamelijk is ingediend
om [appellante] te treffen, kennelijk vanwege de verstoorde relatie met beklaagde, met het doel het conflict met [appellante] verder te doen escaleren. Daar is het tuchtrecht van de NVM niet voor bedoeld. Vorenstaande leidt tot het oordeel dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk zal worden verklaard.’
3.21
[appellante] heeft bij de politie aangifte gedaan van stalking en belaging door [geïntimeerde] . Dat heeft geleid tot een vervolging. Bij vonnis van 4 december 2020 heeft de politierechter wettig en overtuigend bewezen geacht dat [geïntimeerde] [appellante] in de periode van 1 april 2017 tot en met 30 september 2017 heeft belaagd, door e-mails (met onder andere vorderingen van openstaande rekeningen) te sturen naar haar en naar haar advocaat en door berichten aan instanties (onder andere de belastingdienst en de SNS-bank en makelaar) te sturen met de mededeling dat [appellante] gefraudeerd zou hebben en ze opgelicht zou hebben, en contact met vrienden en familie van [appellante] te zoeken om ze te vertellen dat [appellante] vroeger een call girl [1] is geweest en schulden heeft, met het oogmerk [appellante] te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
3.22
Volgens de politierechter bleek niet uit het dossier dat [geïntimeerde] 200 e-mails aan [appellante] heeft verstuurd. [appellante] heeft als benadeelde partij bij de politierechter
€ 10.449,40 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade gevraagd. De politierechter heeft € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 3.067,60 aan proceskosten. [geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
3.23
De strafkamer van dit hof heeft bij arrest van 28 maart 2025 het vonnis van de politierechter van 4 december 2020 in de strafzaak tegen [geïntimeerde] vernietigd en [geïntimeerde] vrijgesproken van de hem tenlastegelegde stalking/belaging (artikel 285b Wetboek van Strafrecht). [appellante] is alsnog niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding die eerder was toegewezen.
3.24
[appellante] heeft conservatoir beslag gelegd op diverse onroerende zaken op naam van [geïntimeerde] . Tegen storting van een bedrag in depot zijn de beslagen inmiddels door [appellante] opgeheven.
3.25
[geïntimeerde] heeft tijdens de procedure bij de rechtbank in deze zaak nog een drietal procedures tegen [appellante] aanhangig gemaakt. Een van die procedures betrof een vordering tot herroeping van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 april 2022 in de zaak ‘Hoger beroep [naam1] ’. Het hof Amsterdam heeft in het arrest van 22 juli 2025 [geïntimeerde] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en geoordeeld dat [geïntimeerde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt, omdat hij de procedure met geen ander doel heeft ingesteld dan om [appellante] te schaden en die procedure achterwege had moeten laten. Het hof heeft op die grond [geïntimeerde] in de werkelijke proceskosten van [appellante] veroordeeld.

4.De beoordeling in het principaal en het incidenteel hoger beroep

Vooraf: twee processuele punten
4.1
Het hof heeft vastgesteld dat een door [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord genoemde productie 47 niet bij die memorie is gevoegd, hoewel het de plicht van een partij (en de taak van diens advocaat) is om er voor te zorgen dat een stuk waarop in een memorie een beroep wordt gedaan aan de memorie wordt gehecht. Volgens [appellante] heeft zij om toezending daarvan gevraagd, maar de productie niet ontvangen. [geïntimeerde] heeft dat niet weersproken. Namens [geïntimeerde] is niet aan het hof gevraagd om die productie alsnog in het geding te mogen brengen en het hof ziet geen aanleiding om ambtshalve [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen dat alsnog te doen. Dit betekent dat het hof productie 47 buiten beschouwing laat.
4.2 [appellante] heeft een verklaring voor recht gevorderd die kort gezegd inhoudt dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank heeft die vordering niet toegewezen. [appellante] heeft daartegen niet kenbaar gegriefd; het feit dat zij in haar memorie van grieven heeft gevorderd haar vorderingen alsnog toe te wijzen is daarvoor niet voldoende, omdat daarmee onder de gegeven omstandigheden onvoldoende kenbaar is voor [geïntimeerde] dat [appellante] tegen die (impliciete) afwijzing opkomt. Het hof zal er daarom vanuit gaan dat die afzonderlijke vordering niet meer ter beoordeling voorligt.
Inhoudelijk; het juridisch kader voor de beoordeling van de vorderingen
4.2
De vorderingen van [appellante] zijn gestoeld op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . Voor toewijzing van de vorderingen op die grondslag is vereist dat wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6:162 BW Pro. Indien de aan [geïntimeerde] verweten handelingen en gedragingen jegens [appellante] onrechtmatig zijn, aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend en [appellante] daardoor schade heeft geleden, dient [geïntimeerde] die schade te vergoeden, voorzover die aan hem is toe te rekenen.
4.3
Onder omstandigheden heeft [appellante] recht op vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro. Daarvoor is vereist dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat en die kosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Dat wil zeggen dat [appellante] in redelijkheid de kosten heeft gemaakt en dat deze naar hun aard en omvang redelijk zijn. Die kosten kunnen ook voor vergoeding in aanmerking komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden. Wel moet er causaal verband (zowel sine qua non-verband als zogenoemd toerekeningsverband) bestaan tussen de gebeurtenis en (het maken van) de kosten, welk verband in beginsel door de benadeelde moet worden aangetoond. Een en ander geldt ook voor kosten van deskundige bijstand, met dien verstande dat voor toerekeningsverband moet komen vast te staan dat het redelijk was in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen en dat de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn. [2]
4.4
De artikelen 237-241 Rv bevatten een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert aan art. 6:96 lid 2 BW Pro en aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden. [3] Bij overlapping van de in 6:96 lid 2 sub b en c BW genoemde kosten met proceskosten in een geding (bijvoorbeeld bij de kosten van voorbereiding van de dagvaarding en andere gedingstukken en bij de kosten van de instructie van de zaak) dan vallen bij samenloop die kosten uitsluitend onder de bepalingen betreffende de proceskosten, hetgeen tot niet-volledige vergoeding kan leiden, in verband met de eigen aard van de regels ten aanzien van een veroordeling in de proceskosten.
4.5 Het enkele feit dat men een ander ten onrechte in rechte heeft betrokken en dientengevolge in het ongelijk is gesteld, kan wel grond voor een veroordeling in de proceskosten van die ander zijn, maar geen grond voor een veroordeling daarnaast tot betaling van aanvullende bedragen aan proceskosten dan uit toepassing van de artikelen 237-241 Rv volgt, ook niet onder de noemer buitengerechtelijke kosten. [4] Voor volledige vergoeding van proceskosten is slechts plaats als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Daarvan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past, gelet op het recht op toegang tot de rechter, terughoudendheid. [5] Deze maatstaf geldt ook voor misbruik door een verweerder. [6] De strikte maatstaf voor afwijking van de wettelijke regeling inzake proceskostenvergoeding geldt in de verhouding tussen de procespartijen. Verhaal van kosten van rechtsbijstand op grond van een door een derde die niet in die procedure betrokken was gepleegde onrechtmatige daad is onderworpen aan de algemene regels inzake aansprakelijkheid en schadevergoeding. [7]
4.6
Een vergoeding bestaande in smartengeld is toewijsbaar indien is voldaan aan de vereisten van artikel 6:106 BW Pro, bijvoorbeeld indien [appellante] in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.
4.7
[geïntimeerde] is slechts aansprakelijk voor door [appellante] geleden schade die in zodanig verband staat met zijn (eventuele) onrechtmatig handelen dat die hem als gevolg als daarvan kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW Pro).
De verdere opzet van dit arrest
4.8
Het hof ziet aanleiding eerst te beoordelen of voldoende is aangetoond dat [geïntimeerde] de door [appellante] gestelde feitelijke gedragingen heeft verricht of dat hij daarbij zo nauw betrokken is geweest dat die als zijn eigen gedragingen moeten worden aangemerkt. Daarna zal het hof ingaan op de vraag of die handelingen onrechtmatig zijn jegens [appellante] en zo ja, of dat moet leiden tot de gevorderde schadevergoeding.
De aan [geïntimeerde] verweten gedragingen
4.9
De rechtbank heeft over een aantal door [appellante] gestelde gedragingen van [geïntimeerde] geoordeeld dat feitelijk niet vast staat dat hij die heeft verricht of daarbij is betrokken. [appellante] komt met een aantal grieven daar tegenop. Ook [geïntimeerde] heeft enkele bezwaren tegen het oordeel van de rechtbank over zijn betrokkenheid. Het hof zal die puntsgewijs bespreken
Reis boeken op een valse naam
4.1
Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] onder een valse naam een reis geboekt naar Kreta in dezelfde periode dat zij daar ook verbleef. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij dit onder die naam heeft gedaan. De onderbouwing van [appellante] van deze stelling met het beroep op een door [geïntimeerde] gebruikt e-mailaccount dat is gebruikt voor de boeking (het account wijst op de plaats [plaatsnaam] in Suriname waar [geïntimeerde] zakelijke belangen zou hebben) en met de e-mail van de medewerker van Yoga-Plus is niet voldoende overtuigend om dit met voldoende zekerheid aan te nemen. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij het e-mailadres gebruikt; een nadere onderbouwing hiervan door [appellante] ontbreekt. En de e-mail van de medewerker van Yoga-Plus is te weinig concreet om de boeking aan [geïntimeerde] te koppelen. Om het als feit aan te kunnen nemen is bewijslevering nodig. [appellante] , op wie de bewijslast rust, heeft echter geen specifiek en concreet bewijsaanbod gedaan om haar stelling omtrent de boeking te bewijzen en het hof ziet geen aanleiding haar op dit punt ambtshalve bewijs op te dragen. Daarmee komt deze stelling van [appellante] niet vast te staan, zodat het hof er van uit moet gaan dat [geïntimeerde] deze boeking niet heeft verricht of daarin anderszins betrokken is geweest. [8]
Berichten aan de dochter van [appellante] en anonieme brief aan de makelaar [naam6]
4.11
De dochter van [appellante] heeft begin juni 2017 een Snapchatbericht op haar telefoon ontvangen dat is verzonden vanaf/met de telefoon van de dochter van [geïntimeerde] . Dat bericht had betrekking op de haar vader, de ex-echtgenoot van [appellante] en bevatte een verwijzing naar diens vermeende contacten in het criminele circuit (met [naam4] ) en het boek “De jacht op crimineel geld”. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] dit bericht verstuurd, althans is hij de instigator hiervan. [geïntimeerde] heeft dit betwist: zijn dochter heeft dit bericht volgens hem eigener beweging verstuurd.
4.12
In de anonieme brief aan makelaar [naam6] van 12 juni 2017 wordt naar hetzelfde boek verwezen en gehint op een strafrechtelijke veroordeling van de ex-echtgenoot van [appellante] en diens contacten in hetzelfde criminele circuit. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij deze brief heeft verstuurd.
4.13
Het hof acht de betwisting van [geïntimeerde] ten aanzien van deze feiten onvoldoende. Het verweer impliceert dat berichten met vrijwel dezelfde specifieke inhoud door verschillende personen zijn verstuurd. Dat is theoretisch mogelijk, maar dat vergt dan wel een daarop toegesneden onderbouwing, die ontbreekt. De stelling van [geïntimeerde] dat de in de brief aan de makelaar genoemde feiten breder dan alleen bij hem bekend waren is daarvoor niet voldoende. Dat de brief aan de makelaar door de dochter van [geïntimeerde] is gestuurd heeft [geïntimeerde] niet gesteld; en vanzelfsprekend ook niet dat degene die de brief heeft verstuurd achter het bericht van zijn dochter aan de dochter van [appellante] zit, nu [geïntimeerde] juist stelt dat zijn dochter dit heeft gedaan.
4.14
Het hof gaat er daarom vanuit dat [geïntimeerde] het bericht aan de dochter van [appellante] heeft gestuurd met de telefoon van zijn dochter of haar daartoe heeft aangezet en dat hij degene is geweest die de brief aan de makelaar heeft gestuurd.
Benaderen van Quote en de Telegraaf
4.15
De rechtbank heeft in het tussenvonnis op goede gronden overwogen dat niet vast staat dat [geïntimeerde] een interview aan Quote heeft gegeven en daarin belastende uitlatingen over [appellante] heeft gedaan, of dat hij de Telegraaf heeft benaderd met negatieve uitlatingen over [appellante] . Het hof neemt die beoordeling over en maakt die tot de zijne. [appellante] heeft in hoger beroep onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een andere oordeel leiden. Daar komt bij dat de in het interview in Quote voorkomende mededeling ‘dat erg bekende Nederlanders onjuiste facturen in hun B.V. hebben’ in de context van het artikel, dat een beschrijving van het conflict van partijen tot inhoud heeft, als zodanig niet onrechtmatig is. Het slechts gedeeltelijk overgelegde artikel in de Telegraaf van mei 2022 [9] behelst verder niet meer dan een feitelijke beschrijving van het geschil zoals dat blijkt uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam in de procedure “ [naam1] ” door de journalist. Het hof gaat er dus niet vanuit dat feitelijk vast staat dat [geïntimeerde] de genoemde media heeft benaderd en daarin voor [appellante] belastende, onrechtmatige uitlatingen heeft gedaan. Ook hier ontbreekt overigens een bewijsaanbod van [appellante] dat voldoet aan de daaraan te stellen eisen [10] .
Hacken van [naam1]
4.16
Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] geprobeerd de computer van de heer [naam1] te laten hacken om daarmee informatie te verkrijgen die voor hem van belang kon zijn in de “procedure [naam1] ”. [geïntimeerde] heeft dat betwist. Het hof is van oordeel dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] de heer [naam7] , die volgens [appellante] de poging tot het hacken zou hebben gedaan, daartoe opdracht heeft gegeven. Objectieve informatie die de stellingen van [appellante] kan onderbouwen ontbreekt. Daarmee staat niet vast dat [geïntimeerde] met deze gedraging onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] [11] .
E-mails van [geïntimeerde]
4.17
Terwijl [geïntimeerde] in de procedure bij de rechtbank heeft erkend dat circa 117 e-mails aan [appellante] of haar advocaat zijn gericht, stelt hij zich in hoger beroep op het standpunt dat dit niet meer dan 44 zijn geweest, gericht aan [appellante] in de cc. Het hof verwerpt dat standpunt, dat zich niet verdraagt met zijn eerdere erkenning, gezien het overzicht van e-mails dat [appellante] heeft gegeven in haar producties 3, 99 en 136. Daarin heeft [appellante] heel precies beschreven om welke e-mails het gaat. [geïntimeerde] kon in dat licht niet volstaan met de enkele ontkenning dat wat daarin staat niet klopt. In zoverre verwerpt het hof het bezwaar van [geïntimeerde] . [12] Zoals overwogen heeft het hof geen kennis genomen van de kennelijk als zodanig bedoelde productie 47 van [geïntimeerde] omdat hij die niet in het geding heeft gebracht.
4.18
De rechtbank heeft in het tussenvonnis [13] niet alleen een oordeel gegeven over het aantal e-mails dat door [geïntimeerde] is verstuurd, maar ook geoordeeld dat aan de advocaat van [appellante] verzonden e-mails moeten worden gezien als aan [appellante] gericht. Het hof neemt dat oordeel over, omdat het door [geïntimeerde] in hoger beroep niet voldoende is bestreden. Wat betreft de onrechtmatigheid van deze e-mails verwijst het hof naar wat hierna in 4.27 zal worden overwogen.
Tussenconclusie 1
4.19
Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde] in de periode vanaf ongeveer april 2017 tot en met september 2017 de volgende gedragingen heeft verricht of daar zo nauw bij betrokken is geweest dat die als zijn gedragingen kunnen worden aangemerkt:
a. a) het (laten) sturen van een bericht aan de dochter van [appellante]
b) het sturen van een anonieme brief aan makelaar [naam6]
c) het verzenden van tenminste 117 e-mails aan [appellante] , rechtstreeks of in de cc.
4.2
Daar komen de gedragingen bij die in de procedure bij de rechtbank zijn vastgesteld, en welke vaststellingen als zodanig – dus dat [geïntimeerde] ze heeft verricht, zoals in rov. 4.6 bedoeld – in hoger beroep niet zijn aangevochten:
d) het benaderen van enkele relaties van [appellante] om vorderingen op haar in te stellen of over te nemen
e) het doen van meldingen van fraude bij ETS, de fraudedesk van de belastingdienst, de verzekeraar en Yoga-Plus
f) het doen van aangifte wegens smaad/smaadschrift/laster en belediging
g) het confronteren van [appellante] bij haar woning of in haar omgeving, waaronder bij de kapper
h) bij derden suggereren dat [appellante] een ‘call girl’ is geweest
i. i) het versturen van seksattributen naar de woning van [appellante]
j) het dreigen met het verstrekken van informatie over vennootschappen van [naam2] (zie 3.6) aan de curator
k) het zoeken van contact met de ex-echtgenoot ( [naam3] ) van [appellante]
Zijn deze gedragingen jegens [appellante] onrechtmatig?
4.21
De rechtbank heeft over de hiervoor genoemde gedragingen onder a, b, f, j en k geoordeeld dat deze gedragingen jegens [appellante] niet onrechtmatig zijn. Ten aanzien van het verwijt onder g) heeft de rechtbank geoordeeld dat dit ook geldt voor het feit dat [geïntimeerde] in mei 2017 twee keer langs de woning van [appellante] is gelopen. Het hof bespreekt hierna de bezwaren die [appellante] in hoger beroep tegen deze oordelen heeft aangevoerd.
4.22
Zoals hiervoor is geoordeeld acht het hof voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] de anonieme brief aan makelaar [naam6] heeft gestuurd en dat hij – ten minste - de instigator is van het versturen van het Snapchatbericht aan de dochter van [appellante] . De inhoud van de brief aan [naam6] is onmiskenbaar bedoeld om [appellante] in een kwaad daglicht te stellen en de verhouding van [appellante] en haar makelaar negatief te beïnvloeden. Voor wat betreft het Snapchatbericht geldt dat het hof, met de rechtbank, aanneemt dat dit bericht ingrijpend was voor [appellante] en haar dochter, die tot op dat moment niet bekend was met het strafrechtelijke verleden van haar vader; omstandigheden waarvan [geïntimeerde] op de hoogte was. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat dit wel degelijk (ook) tegenover [appellante] onrechtmatig is, omdat het bericht de strekking had (naast haar dochter, ook) haar in de uitoefening van haar gezinsleven te schaden. Enige serieus te nemen rechtvaardiging voor het verzenden van brief of Snapchatbericht heeft [geïntimeerde] niet gegeven. Daarmee is het handelen van [geïntimeerde] in dezen jegens [appellante] onrechtmatig. [14]
4.23
Wat door [appellante] in hoger beroep over de andere gedragingen (g (woning), f, j en k) is aangevoerd is in essentie hetzelfde als wat de rechtbank had beoordeeld. Nieuwe relevante feiten of omstandigheden en gezichtspunten heeft zij niet gesteld. Dat geeft het hof geen aanleiding tot een ander oordeel dan eerder de rechtbank. [15]
4.24
Het zoeken van de confrontatie met [appellante] terwijl zij een bezoek bracht aan de kapper in [plaats] (g) was volgens de rechtbank wel onrechtmatig jegens [appellante] . Dat gold ook voor de gedragingen onder c, d, e, h, en i. Het hof bespreekt hierna de bezwaren die [geïntimeerde] hiertegen heeft aangevoerd.
4.25
Anders dan [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat het feit dat hij [appellante] heeft getroffen bij de kapper onrechtmatig is. Dat dit niet meer was dan een toevallige ontmoeting acht het hof in het licht van de in dit verband overgelegde verklaring van de medewerkster van de kapsalon en de e-mail van [geïntimeerde] na het gebeuren onvoldoende aannemelijk gemaakt. [16] Wat door [geïntimeerde] in hoger beroep is aangevoerd geeft het hof dan ook geen aanleiding tot een ander oordeel.
4.26
[geïntimeerde] heeft in zijn hoger beroep aangevoerd dat voor de meldingen aan ETS, de belastingdienst, de verzekeraar (via de tussenpersoon) en Yoga-Plus (het verwijt sub e) een rechtvaardigingsgrond bestond. Volgens [geïntimeerde] bestond die hierin dat hij met een aansprakelijkstelling van [appellante] de schuld kreeg van onregelmatigheden in de administratie en fiscale aangifte van [appellante] , die hij wilde pareren door de meldingen. Anders [geïntimeerde] ziet het hof hierin geen rechtvaardiging voor de meldingen van mogelijke fraude van [appellante] , nu [geïntimeerde] niet heeft onderbouwd dat daarvan sprake was. Dat hij een misstand aan de kaak heeft gesteld, zoals hij heeft aangevoerd, blijkt niet. [17]
4.27
[geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat de rechtbank de hoeveelheid e-mails die hij in een korte periode heeft gestuurd (verwijt sub c) ten onrechte als onrechtmatig heeft aangemerkt. Volgens hem ging het uiteindelijk slechts om circa 44 e-mails, waarvan 20 e-mails in het kader van de afwikkeling van de relatie (die volgens [geïntimeerde] niet als onrechtmatig zijn te kwalificeren). Dat standpunt heeft het hof hiervoor (4.17/4.18) verworpen. Het versturen van tenminste 117 e-mails in een periode van zes weken (ongeveer 19 per dag, gemiddeld) wordt, mede in het licht van de overige gedragingen, als onrechtmatig bestempeld, mede gezien de inhoud van de e-mails. In de enige grief die [geïntimeerde] over de e-mails heeft aangevoerd heeft hij niet gemotiveerd aangegeven op grond waarvan dit oordeel onjuist is; het hof neemt het oordeel van de rechtbank dan ook over. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen valt ook niet in te zien waarom [geïntimeerde] zich niet heeft beperkt tot een enkele e-mail om onjuistheden aan te kaarten.
4.28
Wat betreft het [appellante] een callgirl noemen en het verzenden van seksattributen naar haar adres (verwijt sub h en i) heeft [geïntimeerde] geen feiten en omstandigheden gesteld waarmee hij aanstuurt op een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven. Het hof ziet in wat in hoger beroep door hem is aangevoerd geen grond om aan te nemen dat hij deze gedragingen niet heeft verricht. Het hof neemt over wat de rechtbank daarover heeft geoordeeld.
4.29
De klachten van [geïntimeerde] over het door de rechtbank als onrechtmatig beoordelen van het benaderen van de leverancier van parket en een voormalig verhuurder van [appellante] (verwijt sub d) zijn vergeefs: de beschuldigingen aan het adres van [appellante] dat zij deze zou hebben ‘bedonderd’ missen een onderbouwing en zijn mede daarom lasterlijk. Overigens heeft de rechtbank daarvoor geen schadevergoeding heeft toegekend en [appellante] heeft daartegen niet heeft gegriefd. De klachten missen in zoverre materiële relevantie.
Tussenconclusie (2)
4.3
Het hof heeft over een aantal gedragingen geoordeeld dat die op zich, zelfstandig, als onrechtmatig kunnen worden gekwalificeerd. Dat geldt te meer als die gedragingen in onderling verband en samenhang worden beschouwd, gelet op de aard, frequentie, inhoud en omvang daarvan, in een betrekkelijke korte periode van april 2017- september 2017. Die vormen (dus ook) in gezamenlijkheid een aantasting van de eer en goede naam van [appellante] en een aantasting in de persoon. De stelling van [appellante] dat de feitelijke gedragingen in een veel langere periode (ruim vijf jaar) hebben plaatsgevonden vindt onvoldoende steun in de feiten en wordt daarom door het hof niet gevolgd.
4.31
Daarnaast zijn feitelijke gedragingen (4.18/4.21, g (woning), f, j en k) vastgesteld die op zich niet onrechtmatig zijn indien die geïsoleerd en buiten de context van de andere worden bekeken. Dat gaat dus feitelijk om het twee maal langs de woning lopen van [appellante] , de poging om met de ex-echtgenoot van [appellante] in contact te komen en de mededeling aan [naam2] over het verstrekken van informatie aan de curator in het faillissement van vennootschappen van [naam2] . Die gedragingen worden niet zomaar onrechtmatig doordat andere gedragingen dat wel zijn. [18] Dat laat onverlet dat deze gedragingen wel bijdragen aan het oordeel dat deze gedragingen onderdeel zijn (gemaakt) van een samenstel van gedragingen, welk samenstel als geheel een onrechtmatig daad jegens [appellante] oplevert. Met dat samenstel van gedragingen is kennelijk beoogd [appellante] te beschadigen en in een kwaad daglicht te stellen bij personen in haar directe omgeving. [geïntimeerde] heeft ten minste op de koop toe genomen om [appellante] te isoleren van personen in haar directe omgeving, haar op kosten te jagen en haar anderszins in problemen te brengen. Zijn gedragingen vormen aldus een onrechtmatige inbreuk op en inmenging in het privéleven van [appellante] . [geïntimeerde] had zich van deze gedragingen moeten onthouden.
Dat betekent overigens niet dat dit zonder meer aanleiding geeft tot een (hogere) schadevergoeding in verband met dat samenstel van gedragingen.
De procedures
4.32
[appellante] heeft haar vorderingen niet alleen gebaseerd op feitelijke gedragingen (zij noemt dat stalking/belaging in klassieke zin) maar ook op het feit dat [geïntimeerde] direct of indirect betrokken is geweest bij verschillende procedures, in verschillende hoedanigheden, met [appellante] of derden als partij. Zij heeft dat juridische stalking genoemd. Zij vordert ook op die grond vergoeding van de advocaatkosten en de kosten van een onderzoek van De Vries.
4.33
Het hof zal net als eerder de rechtbank de procedures rubriceren, grotendeels aan de hand van de volgorde die [appellante] in haar memorie van grieven in de toelichting op grief 12 heeft gekozen. Het hof betrekt bij de kortgedingprocedure Pandrechten ook wat [appellante] in grief 3 heeft gesteld, die handelt over een volgens [appellante] door [geïntimeerde] gegeven verklaring over het afstand doen van pandrechten.
Kort gedingprocedures Contactverbod I en II
4.34
[appellante] komt ten onrechte op tegen het oordeel van de rechtbank dat met deze procedures geen sprake is van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] of van het misbruik maken van procesrecht. Ook in hoger beroep heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] als gedaagde een verweer heeft gevoerd dat evident ongegrond was, temeer nu in de kort gedingprocedures over het gevorderde contactverbod dat verweer uiteindelijk heeft geleid tot een afwijzing van de vorderingen van [appellante] , met compensatie van proceskosten. De stelling van [appellante] dat zij door het handelen van [geïntimeerde] wel genoodzaakt was om de procedures te beginnen en dat die aanleiding (alsnog) een vergoeding voor volledige proceskostenveroordeling van [geïntimeerde] rechtvaardigt kan niet gevolgd worden omdat die stelling miskent dat de maatstaf is of [geïntimeerde] zich gelet op de evidente ongegrondheid van zijn verweer daarvan had moeten onthouden.
Kort gedingprocedure Pandrechten/verklaring 3 februari 2014
4.35
[appellante] heeft in grief 3 aangevoerd dat [geïntimeerde] in een verklaring van 3 februari 2014 afstand van de pandrechten had gedaan, althans verklaard dat hij die niet zou gebruiken. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat hij afstand van de pandrechten heeft gedaan.
4.36
De verklaring van 3 februari 2014 houdt voorzover van belang in dat [geïntimeerde] ‘in weerwil van de (…) geldlening en (…) pandakte (…) van 2 februari (…) geen vordering uit hoofde van deze contracten heeft en mitsdien geen rechten kan en zal ontlenen aan de hem verstrekte zekerheden anders dan op haar uitdrukkelijke schriftelijke verzoek’. Dat is geen onvoorwaardelijke afstandsverklaring. Anders dan [appellante] leest het hof die afstand ook niet in de als productie 125 overgelegde e-mail van 22 januari 2017 aan advocaat mr. Kemps, met cc. aan [appellante] . Daarin schrijft [geïntimeerde] dat hij pandrechten van [appellante] heeft bedongen en dat die een extra-verdedigingslinie vormen indien een crediteur aanspraak wil maken op roerende zaken van [appellante] , omdat [geïntimeerde] als pandhouder voorgaat. Dat [geïntimeerde] daarmee te kennen heeft gegeven geen pandrechten meer te hebben volgt daaruit niet zonder meer. Ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat [geïntimeerde] de verklaring per mail aan [appellante] heeft gezonden, staat bij deze stand van zaken niet vast dat [geïntimeerde] afstand heeft gedaan van zijn aanvankelijk verkregen pandrechten. Het ligt op de weg van [appellante] om de gestelde afstand te bewijzen. Zij heeft echter geen daarop toegespitst bewijsaanbod gedaan zodat aan die bewijslevering niet wordt toegekomen.
4.37
[geïntimeerde] heeft bovendien gesteld dat hij aanvankelijk een beroep op de verpanding van zaken en vorderingen van [appellante] heeft gedaan, maar dat dit niet tot uitwinning van zaken of tot betaling van vorderingen aan hem heeft geleid. Hij heeft gesteld dat hij de betreffende debiteuren van [appellante] , na het beroep op de pandrechten, heeft medegedeeld dat zij alsnog bevrijdend aan [appellante] konden betalen. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] daarom geen schade geleden als gevolg van zijn aanvankelijke beroep op de pandrechten. [appellante] heeft dat niet voldoende gemotiveerd weersproken.
4.38
Dat [geïntimeerde] daarom onrechtmatig heeft gehandeld door een beroep op de verpanding te doen is daarmee onvoldoende aangetoond.
4.39
In het verlengde daarvan kan niet zonder meer worden geoordeeld dat [geïntimeerde] in het kort geding dat ging over de uitoefening van door [geïntimeerde] bedongen pandrechten op zaken en vorderingen een evident ongegrond verweer heeft gevoerd. [appellante] heeft alleen het vonnis in die procedure in het geding gebracht en op basis van alleen dat vonnis laat zich niet vaststellen dat [geïntimeerde] een verweer heeft gevoerd dat evident ongegrond was. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen toegewezen op grond van wisselende standpunten van [geïntimeerde] en in lijn met zijn toezegging dat hij voorlopig niet tot uitwinning van pandrechten zou overgaan. [geïntimeerde] is kort gezegd verboden de pandrechten in te roepen of uit te winnen tot de geldigheid ervan in rechte is vastgesteld. De voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde] in de geliquideerde proceskosten van [appellante] veroordeeld; het hof ziet onvoldoende grond om [geïntimeerde] alsnog te veroordelen in de volledige proceskosten van [appellante] in die procedure.
4.4
Gelet op het voorgaande kan ook niet worden geoordeeld dat de aangifte van [geïntimeerde] van 17 mei 2017 onrechtmatig is. Dat de door [geïntimeerde] op 8 juni 2017 gedane aangifte van smaad en laster onrechtmatig is, is door [appellante] evenmin voldoende onderbouwd. [19]
Procedure [geïntimeerde] / [appellante] (Onverschuldigde Betaling)
4.41
[appellante] heeft in hoger beroep geen (relevante) andere feiten en omstandigheden gesteld dan al door de rechtbank zijn beoordeeld en die tot het oordeel hebben geleid dat de vorderingen van [geïntimeerde] weliswaar zijn afgewezen, maar dat dit niet betekent dat [geïntimeerde] een evident ongegronde vordering heeft ingesteld. Over de motivering van het oordeel van de rechtbank heeft [appellante] niet specifiek geklaagd. Het hof neemt het oordeel en de motivering van de rechtbank over.
Procedures ARW/Odin
4.42
In deze procedures zijn [geïntimeerde] of CVG niet opgetreden als procespartij. Het verwijt dat wordt gemaakt betreft het optreden als (indirect) gemachtigde in de procedure van Odin en ARW tegen [appellante] , nadat hij hen eerst had benaderd om een procedure tegen [appellante] te beginnen. En dat terwijl hij eerst als belangenbehartiger van [appellante] was opgetreden bij de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan met deze partijen.
4.43
Het handelen van [geïntimeerde] moet in beginsel worden getoetst aan de reguliere onrechtmatige daadmaatstaf en niet aan de striktere maatstaf, waarbij kort gezegd wordt beoordeeld of een evident kansloze vordering is ingesteld. Dat is het kader waarbinnen de rechtbank de stellingen over dit onderdeel van de vorderingen van [appellante] heeft beoordeeld en heeft verworpen. [appellante] heeft daarover geklaagd; volgens haar gaat het er niet om of de vorderingen van ARW en Odin al dan niet kans van slagen hadden, maar om het handelen van [geïntimeerde] .
4.44
De kantonrechter heeft in de procedure van Odin tegen [appellante] geoordeeld dat de rol van [geïntimeerde] bedenkelijk is. Dat is ook naar het oordeel van het hof het geval. Maar daarmee is nog niet gezegd dat dit optreden ook onrechtmatig is. Dat zou het geval kunnen zijn indien de uitkomst van de procedures van ARW en Odin in het nadeel van [appellante] is uitgevallen door de rolverwisseling van [geïntimeerde] , doordat hij bijvoorbeeld informatie die hij van [appellante] heeft gekregen tegen haar heeft gebruikt. Daarvoor heeft [appellante] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd en uit de vonnissen van de kantonrechter in die procedures valt dat niet, en zeker niet zonder meer, af te leiden.
De procedure CVG/ [appellante] (Vervangende Schadevergoeding)
4.45
[appellante] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, zoals zij heeft gesteld, sprake is van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] doordat namens CVG een evident ongegronde vordering is ingesteld omdat die is gebaseerd op feiten waarvan [geïntimeerde] wist, dan wel moest weten, dat deze onjuist zijn. Dat die vordering een gering belang vertegenwoordigt en dat die is afgewezen is daarvoor niet voldoende. [appellante] heeft verwezen naar correspondentie waaruit zou blijken dat [geïntimeerde] in privé eigenaar is van de zaken waarvoor schadevergoeding is gevorderd, maar zij heeft niet toegelicht waar en hoe dat uit die correspondentie blijkt. Het is niet aan het hof om de als productie 129 overgelegde stukken (een e-mail van 1 september 2016 aan advocaat Koets, met een deel van een akte en zo te zien een lijst met zaken) na te pluizen om te bezien of en in hoeverre die stukken kunnen dienen als onderbouwing van de stellingen van [appellante] . [geïntimeerde] heeft over die lijsten aangevoerd dat de zaken waarover de procedure ging niet op de lijsten staan; het had mede gezien die betwisting op de weg van [appellante] gelegen om hierover helderheid te geven. Nu zij dat heeft nagelaten heeft zij haar stellingen onvoldoende onderbouwd.
De tuchtklachten van [geïntimeerde] tegen advocaten en makelaar
4.46
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellante] voor deze procedures geen recht heeft op een vergoeding. Het entameren van deze procedures is jegens [appellante] niet onrechtmatig omdat zij niet heeft onderbouwd dat zij als gevolg van die procedures zelf schade heeft geleden. Het feit dat zij zich geroepen heeft gevoeld de met die procedures gemoeide kosten voor haar rekening te nemen is daartoe onvoldoende. Zij heeft niet voldoende onderbouwd dat het (desondanks) redelijk is dat die kosten aan [geïntimeerde] moeten worden toegerekend en door hem moeten worden vergoed. De tuchtrechter heeft in de beslissing in de tuchtzaak tegen [naam6] weliswaar geoordeeld dat [geïntimeerde] misbruik heeft gemaakt van het tuchtrecht, maar dat is daarvoor geen grond. Dat oordeel is mogelijk relevant in de verhouding van [naam6] en [geïntimeerde] maar niet in de rechtsverhouding van [geïntimeerde] en [appellante] .
De procedure CVG/ [naam8]
4.47
In de door CVG tegen de moeder van [appellante] gevoerde procedure zijn de vorderingen afgewezen met veroordeling van CVG in de proceskosten. Voor een hogere vergoeding ten laste van [geïntimeerde] is onvoldoende grond. Hoewel invoelbaar is dat het instellen van deze procedure jegens haar moeder voor [appellante] aanleiding gaf om de proceskosten voor haar rekening te nemen betekent dat niet dat zij als gevolg van die procedure schade heeft geleden waarvan het redelijk is dat [geïntimeerde] die moet vergoeden. Het is ook niet onrechtmatig dat [geïntimeerde] deze procedure is begonnen.
Politierechter
4.48
[geïntimeerde] is door het hof vrijgesproken van de stalking/belaging van [appellante] waarvoor hij eerder door de politierechter was veroordeeld. Zonder nadere toelichting ziet het hof niet in dat [geïntimeerde] de kosten die [appellante] kennelijk heeft gemaakt door hem vergoed moeten worden als gevolg van een door hem gepleegde onrechtmatige daad.
4.49
De bezwaren van [appellante] over de oordelen van de rechtbank over deze procedures zijn vergeefs. [20]
Procedure CVG/ [appellante] (opdracht)
4.5
[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat in deze procedure geen sprake is van onrechtmatig handelen en dat het oordeel van de rechtbank dat dit wel het geval is, onjuist is.
4.51
De procedure betreft een door CVG geclaimde vergoeding voor werkzaamheden in 2013 in opdracht van [appellante] verricht in verband met het beëindigen van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De stellingen van [appellante] dat sprake was van een ongegronde vordering die om die reden onrechtmatig is in overwegende mate gestoeld op het gegeven dat [geïntimeerde] /CVG ter ondersteuning van die vordering een beroep heeft gedaan op een schriftelijke opdrachtovereenkomst met daarop een handtekening die niet van [appellante] is en dus, zo begrijpt het hof, door [geïntimeerde] vervalst. Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat in de procedure niet is vastgesteld dat dit zo is: de kantonrechter heeft geoordeeld dat aan de opdrachtbevestiging geen bewijswaarde toekomt, omdat het origineel niet is onderzocht en [appellante] de ondertekening stellig ontkent. Dat het origineel niet is onderzocht komt echter voor risico van CVG in verband met het feit dat dit origineel niet bij de gemachtigde van [appellante] is terechtgekomen nadat die om toezending had verzocht. Uit het vonnis valt verder genoegzaam af te leiden dat de kantonrechter van oordeel is dat [geïntimeerde] de in rekening gebrachte werkzaamheden als vriendendienst heeft verricht. Dat betekent dat CVG op instigatie van [geïntimeerde] een evident ongegronde vordering instelde en dat [geïntimeerde] dusdoende jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld. [21]
Tussenconclusie (3)
4.52
Het hof laat de oordelen over de verschillende procedures voorzover in de grieven aangevallen in stand. Dat oordeel wordt niet anders als het hof deze procedures in samenhang beziet en daarbij ook de feitelijke gedragingen betrekt.
Wat betekenen deze oordelen voor de vorderingen?
4.53
[appellante] heeft schadevergoeding gevorderd die uiteenvalt in drie onderdelen, te weten immateriële schadevergoeding, advocaat- en onderzoekskosten en beveiligingskosten.
Immateriële schadevergoeding
4.54
Het is voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante] door de onrechtmatige gedragingen is aangetast in haar persoon en in haar eer en goede naam is geschaad [22] . Daarvoor valt steun te vinden in de verklaring van de psycholoog die [appellante] heeft in verband met de gevolgen van de gedragingen van [geïntimeerde] heeft bezocht. Zij heeft daarom recht op een schadevergoeding. De rechtbank heeft geoordeeld dat € 1.500 een passende schadevergoeding is. Die is alleen niet toegewezen omdat de politierechter in de strafzaak tegen [geïntimeerde] dat al had gedaan. Nu die veroordeling niet meer geldt door de uitspraak van het hof in hoger beroep in de strafzaak kan die eerdere veroordeling niet meer de reden voor afwijzing zijn. Ook het hof acht een vergoeding van € 1.500,- passend, gelet op de aard, de frequentie en intensiteit van en omvang van de gedragingen [23] .
Advocaatkosten
4.55
[geïntimeerde] heeft in de procedure het verweer gevoerd dat [appellante] wat betreft deze kosten geen schade heeft geleden, omdat die kosten door Talpa Services B.V. zijn vergoed zonder dat [appellante] de daarmee gemoeide bedragen hoeft terug te betalen; in zoverre is sprake van een schenking en niet van een geldlening zoals [appellante] heeft gesteld. [geïntimeerde] heeft ook aangevoerd dat [appellante] van een deel van de schade afstand heeft gedaan. Het hof ziet in de devolutieve werking van het hoger beroep aanleiding die verweren eerst te beoordelen.
4.56
[appellante] heeft gezien de verklaring van de heer [naam9] – dat de advocaatkosten bij wijze van lening worden voorgeschoten door Talpa Services B.V en dat dit uitdrukkelijk geen schenking, maar een lening betreft, die door [appellante] moet worden terugbetaald en dat een pandrecht tot zekerheid daarvan is verstrekt – en het feit dat zij inmiddels ruim
€ 158.000,- heeft terugbetaald zoals blijkt uit overgelegde bankafschriften, voldoende aangetoond dat sprake is van een lening (en van schade). Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] is terecht door de rechtbank gepasseerd, omdat door hem voor het mogen leveren van tegenbewijs onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld. Ook het hof ziet om die reden geen grond om [geïntimeerde] tot dat tegenbewijs toe te laten. De onderbouwing van het verweer van [geïntimeerde] dat de advocaatkosten niet voorgeschoten/geleend maar geschonken zijn is daarvoor onvoldoende, gelet op de onderbouwing door [appellante] .
4.57
Het verweer van [geïntimeerde] dat [appellante] afstand heeft gedaan van haar recht op vergoeding van schade die zij zou hebben geleden tot 2 mei 2018 is op goede gronden door de rechtbank verworpen in het eindvonnis. Het hof neemt dat oordeel over en maakt het tot het zijne.
Verder over de advocaatkosten
4.58
Uit het eindvonnis blijkt dat de rechtbank heel precies en uitgebreid de declaraties van de advocaten van [appellante] heeft nagelopen om te beoordelen of en zo ja in welke mate de kosten van die advocaten voor vergoeding in aanmerking komen. Dat heeft geleid tot een veroordeling van [geïntimeerde] om € 30.445,15 (met wettelijke rente) te voldoen; [geïntimeerde] heeft zowel tegen de berekening en de motivering daarvan als tegen de veroordeling als zodanig geen grieven heeft gericht; zijn grieven zijn beperkt tot de toegewezen wettelijke rente en btw over dit bedrag. Die zal het hof hierna behandelen.
4.59
[appellante] heeft in algemene zin bezwaar gemaakt tegen de wijze van schadeberekening door de rechtbank. Dit bezwaar strekt ertoe te betogen dat alle advocaatkosten die zijn opgenomen in de akte eiswijziging (€ 413.741,42) door [geïntimeerde] vergoed moeten worden. Volgens [appellante] heeft de rechtbank, door iedere gedraging afzonderlijk te beoordelen en na te laten het geheel aan gedragingen van [geïntimeerde] (dus als samenstel) als onrechtmatig te kwalificeren, ten onrechte niet alle kosten die [appellante] heeft gemaakt als gevolg van dat geheel door [geïntimeerde] voor vergoeding in aanmerking had moeten laten komen. [24] Dat bezwaar wordt verworpen omdat het miskent dat alleen voor zover dat redelijk is de advocaatkosten aan van [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend, waarbij de kosten bovendien de dubbele redelijkheidstoets moeten kunnen doorstaan. [appellante] heeft de kosten in verband met de gedragingen als genoemd in 4.18/4.21, - g (woning), f, j en k) nog niet gespecifieerd en toegelicht welke kosten zijn gemaakt, hoe die aan de gestelde gedragingen zijn te koppelen en dat deze de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en als schade als gevolg van het handelen aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend. Het hof stelt haar in de gelegenheid zich daarover bij akte alsnog uit te laten.
4.6
De stelling van [appellante] dat indien de kosten niet precies kunnen worden toegerekend aan [geïntimeerde] de kosten moeten worden geschat met behulp van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid gaat er aan voorbij dat dat leerstuk er niet is om een oplossing te bieden voor onduidelijkheid over de omvang van de schade, maar voor de situatie dat niet duidelijk is of vaststaande schade een gevolg is van de ene of de andere gebeurtenis of door een combinatie van beiden (onduidelijkheid over het condicio sine qua non verband). Daar gaat het hier niet om.
4.61
[appellante] heeft op onderdelen een aantal meer specifieke klachten over de schadeberekening door de rechtbank geformuleerd.
4.62
Voor zover [appellante] zich beklaagt over het niet toekennen van een vergoeding van kosten die betrekking hebben op de procedure tegen [naam8] en de tuchtrechtprocedures tegen haar advocaten en makelaar [naam6] heeft het hof hiervoor al geoordeeld dat van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] geen sprake is. Voor een vergoeding van advocaatkosten voor die kwesties ontbreekt daarom een grond. De klacht van [appellante] dat geen vergoeding is toegekend voor kosten die gemoeid zijn met door haar jegens [geïntimeerde] gedane aangiften bij de politie op 17 mei en 9 juni 2017 stuit af op het feit dat ook daarvoor niet is komen vast te staan dat sprake is van een grondslag daarvoor. De confrontatie bij de kapsalon was als zodanig onrechtmatig, maar tegen de afwijzing door de rechtbank van een kostenvergoeding heeft [appellante] geen grief gericht. Dat brengt mee dat in verband daarmee niet alsnog een vergoeding van kosten kan worden toegekend.
4.63
De klachten betreffen verder het niet toekennen van een vergoeding voor een aantal e-mails, het niet vergoeden van kosten van meerdere advocaten (mr. De Vries, mr. Dalmolen en mr. De Jager), het niet vergoeden van kosten die betrekking hebben op derden, het niet vergoeden van werkzaamheden die [appellante] zelf had kunnen verrichten (zoals het ophalen van het dossier), het niet vergoeden van de kosten van een telefoongesprek tussen advocaten en het niet vergoeden van kosten in verband met het sturen van een brief en het voeren van een bespreking.
4.64
[appellante] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat het hof alsnog tot een toewijzing van deze kosten komt. [appellante] heeft nagelaten de kosten in verband te brengen met de gedragingen die als onrechtmatig zijn te kwalificeren en bijvoorbeeld aan de hand van de facturen en overzichten aan te geven om welke kosten en werkzaamheden het gaat. Dat had van haar in dit stadium van de procedure verwacht mogen worden; het hof ziet althans in dit stadium van de procedure geen aanleiding om haar nogmaals, net zoals de rechtbank eerder wel deed, de gelegenheid te bieden die kosten nader te specificeren.
4.65
[appellante] krijgt wel de gelegenheid om in een akte toe te lichten welke advocaatkosten zij heeft gemaakt in verband met het bericht aan de dochter van [appellante] en het sturen van een brief aan de makelaar [naam6] . Die gedragingen zijn door het hof, anders dan eerder de rechtbank, als onrechtmatig aangemerkt en daarover heeft zij zich nog niet kunnen uitlaten. [appellante] dient tevens toe te lichten dat het redelijk was om in verband met deze gedragingen een advocaat in te schakelen en dat de in verband daarmee gemaakte kosten redelijk zijn en de toerekening aan [geïntimeerde] nader toe te lichten.
Kosten voorlopig getuigenverhoor procedure [naam1]
4.66
Het hof Amsterdam heeft in hoger beroep [geïntimeerde] in de volledige proceskosten veroordeeld. Volgens [appellante] omvat die veroordeling niet de door haar gemaakte advocaatkosten voor het door [geïntimeerde] gedane verzoek voor een voorlopig getuigenverhoor, dat later is ingetrokken.
4.67
Uit de het arrest van het hof Amsterdam volgt dat dat hof een vergoeding van de kosten van het voorlopig getuigenverhoor toewijsbaar heeft geacht. Het hof heeft immers in dat arrest overwogen:
“gelet op de voorgeschiedenis heeft [appellante] het door [geïntimeerde] ingediende verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor begrijpelijkerwijs geïnterpreteerd als een nieuwe poging om de procedure te vertragen en haar op kosten te jagen. Niet is gebleken dat het voorlopig getuigenverhoor zou hebben geleid tot versmalling van het debat. Integendeel, het horen van [naam1] blijkt, blijkens het in dit arrest overwogene, niet terzake dienend. Bovendien is onbestreden gesteld dat het verzoek pas kort voor de mondelinge behandeling is ingetrokken zodat niet kan worden gezegd dat de werkzaamheden met betrekking tot het verweerschrift ten onrechte zijn gemaakt. Ook deze kosten doorstaan de dubbele redelijkheidstoets. Het beroep op schending van de schadebeperkingsplicht faalt
daarmee eveneens”. Uit wat daarover door [appellante] is gesteld blijkt dat het oordeel over de toewijsbaarheid van een vergoeding van deze kosten niet daadwerkelijk in de beslissing over de proceskostenveroordeling is verwerkt, omdat die kosten niet zijn opgenomen in de declaratie die door [appellante] aan dat hof is verstrekt.
Uit wat daarover door [appellante] is gesteld blijkt echter dat het oordeel over de toewijsbaarheid van de kosten niet daadwerkelijk in de beslissing over de proceskostenveroordeling is verwerkt, omdat die kosten niet zijn opgenomen in de declaratie die aan het hof is verstrekt. Dat is door [geïntimeerde] niet gemotiveerd bestreden. Dat betekent dat de kosten die [appellante] in verband met het getuigenverhoor heeft gemaakt alsnog moeten worden vergoed. Daarbij gaat het alleen om de kosten die betrekking hebben op het opstellen van verweerschrift tegen het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. [appellante] mag zich bij akte nader over die kosten uitlaten.
Beveiligingskosten
4.68
[appellante] vordert onder deze noemer de kosten van de aanleg van wilgentenen in oktober 2018, een beveiligingspoort in december 2018 en camera’s in 2020. Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat deze kosten (€ 10.499,40) niet door hem vergoed hoeven worden omdat het causaal verband tussen het plaatsen van deze zaken en de kosten die daarmee gemoeid zijn en onrechtmatige gedragingen niet voldoende aannemelijk is gemaakt. Dat deze kosten aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend (in de zin van artikel 6:98 BW Pro) is ook niet voldoende gebleken. [25]
Kosten [naam10]
4.69
[appellante] heeft [naam10] ingeschakeld om onderzoek te doen naar een aantal feitelijke gedragingen, waarvan op het moment van inschakelen nog niet vaststond dat [geïntimeerde] die had verricht. De totale kosten van [naam10] zijn volgens [appellante]
€ 69.268,12. De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van deze kosten (voor wat betreft de als onrechtmatig beoordeelde gedragingen) afgewezen omdat [appellante] onvoldoende heeft gespecifieerd welke kosten noodzakelijk zijn geweest naast de kosten van de advocaat en de kosten zich niet laten verifiëren aan de hand van agenda, e-mails of andere bescheiden.
4.7
Het hof is van oordeel dat het op zich redelijk is dat [appellante] een onderzoek naar de feiten heeft laten verrichten om te achterhalen of [geïntimeerde] achter de gedragingen zat en dat zij daarvoor [naam10] heeft ingeschakeld. De kosten van dat onderzoek komen echter niet voor vergoeding in aanmerking, omdat [appellante] ook in hoger beroep geen specificatie heeft gegeven van de kosten en de redelijkheid daarvan ook niet heeft onderbouwd. Dat had in dit stadium van de procedure wel van haar gevergd mogen worden, juist nu de rechtbank om die reden de vergoeding van die kosten heeft afgewezen. Gelet daarop kon [appellante] niet volstaan met de enkele stelling dat de werkzaamheden van De Vries noodzakelijk waren en dat de doorbelaste tijd redelijk is. De vordering wordt op dit punt niet toegewezen. [26]
Kosten deskundigenrapport/buitengerechtelijke kosten/beslagkosten
4.71
Het hof verenigt zich op de door de rechtbank aangevoerde gronden met het oordeel dat de kosten van het rapport dat [appellante] ter onderbouwing van de advocaatkosten heeft opgemaakt niet volledig vergoed hoeven worden. [appellante] heeft in de toelichting op de grief daarover niet voldoende argumenten en feiten aangedragen die reden zijn voor een ander oordeel over de redelijkheid daarvan.
4.72
De rechtbank heeft de door [appellante] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten afgewezen, omdat kort gezegd niet aannemelijk is gemaakt dat de werkzaamheden waarvoor een vergoeding is gevorderd meer omvatten dan een enkele aanmaning en dat een specificatie dat dit anders niet is gegeven. [appellante] heeft in hoger beroep geen nadere onderbouwing of specificatie van de volgens haar voor vergoeding in aanmerking komende kosten gegeven, zodat het hof het oordeel van de rechtbank in stand laat. [27]
4.73
De vordering tot vergoeding van beslagkosten is door de rechtbank toegewezen, met dien verstande dat de vergoeding van advocaatkosten is vastgesteld aan de hand van het liquidatietarief op basis van het toegewezen bedrag. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van tariefgroep III ( vorderingen van € 20.000 - € 40.000). Het hof ziet aanleiding om een oordeel over de grief van [appellante] tegen deze benadering aan te houden tot na aktewisseling van partijen op grond van dit arrest.
De overige grieven in het hoger beroep van [geïntimeerde]
Onrechtmatig beslag?
4.74
[geïntimeerde] heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] niet onrechtmatig heeft gehandeld door ten laste van [geïntimeerde] conservatoir beslag te leggen. Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden die door [geïntimeerde] vergoed moet worden. Daarmee is van een geheel onnodig beslag wegens het niet bestaan van een vordering geen sprake. Het feit dat de vorderingen van [appellante] niet volledig worden toegewezen maakt het beslag ook niet zonder meer onrechtmatig. Daarvan kan sprake zijn indien [appellante] misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het beslag te leggen. Het is aan [geïntimeerde] om daarvoor feiten en omstandigheden te stellen, maar daarvoor schieten zijn stellingen tekort. Dat [geïntimeerde] verhaal bood voor de vorderingen en dat hij steeds aan de veroordelingen voldeed is daarvoor niet voldoende. [28]
Btw?
4.75
Volgens [geïntimeerde] hoeft de btw-component in de facturen waarvan [appellante] betaling heeft gevorderd niet door hem vergoed te worden, omdat [appellante] die btw kan verrekenen en zij in zoverre geen schade lijdt. Het hof verwerpt die stelling bij gebrek aan een toereikende onderbouwing dat [appellante] de aan haar in rekening gebrachte btw als ondernemer in vooraftrek kan brengen of via een btw-aangifte kan terugvorderen van de belastingdienst.
Wettelijke rente?
4.76
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de ingangsdatum van de wettelijke rente over de toegewezen bedragen niet de datum van de facturen is die [appellante] van haar advocaten heeft ontvangen maar verder in de tijd ligt, namelijk met ingang van de datum van de dagvaarding in eerste aanleg. Dat standpunt wordt niet door het hof onderschreven. Zoals [appellante] terecht heeft aangevoerd volgt uit artikel 6:119 BW Pro dat wettelijke rente verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van een geldsom in verzuim is. Bij een schadevergoedingsverbintenis op grond van onrechtmatige daad treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in (artikel 6:83 onderdeel Pro b BW). De wettelijke rente loopt dan vanaf het moment dat de verbintenis opeisbaar is. De verbintenis in kwestie is opeisbaar vanaf het moment dat [appellante] de schade heeft geleden. Dat valt samen met het moment dat de kosten zijn gemaakt. Daarmee is er geen grond om de wettelijke rente niet te laten ingaan met ingang van de vervaldatum van de facturen.
4.77
Wat betreft de immateriële schadevergoeding die het hof nu in het vooruitzicht heeft gesteld ziet het hof aanleiding om de wettelijke rente daarover wel te laten ingaan met ingang van de datum van de dagvaarding in eerste aanleg, zoals is gevorderd.
Voorlopige slotsom
4.78
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor een akte aan de zijde van [appellante] zodat zij zich nader kan uitlaten zoals beschreven in 4.59, 4.65en 4.67. Het hof zal de zaak daartoe naar een rolzitting verwijzen voor uitlating door [appellante] , waarop [geïntimeerde] daarna mag reageren. [29]
4.79
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

5.1
verwijst de zaak naar de rolzitting van 12 mei 2026 voor uitlating als bedoeld in 4.59, 4.65 en 4.67;
5.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, M. Willemse en M.A.M. Essed, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
7 april 2026.

Voetnoten

1.Waarbij het hof opmerkt dat [appellante] deze stelling consequent heeft bestreden
2.HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423,HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586 en HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590
3.HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600
4.HR 27 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2404
5.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828
6.HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360
7.HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366
8.Grief 5 van [appellante] faalt
9.Productie 37 [appellante]
10.Grief 10 van [appellante] faalt
11.Grief 11 van [appellante] faalt
12.Grief 1 incidenteel appel faalt
13.In rov. 4.4. – 4.6
14.Grief 7 en 8 van [appellante] slagen
15.Grief 4, 6 en 9 van [appellante] falen
16.Grief 1 van [geïntimeerde] faalt
17.Grief 1 van [geïntimeerde] faalt in zoverre
18.Grief 2 van [appellante] slaagt niet
19.Grief 4 van [appellante] faalt
20.Grief 12 van [appellante] faalt
21.Grief 1 van [geïntimeerde] faalt in zoverre
22.Artikel 6:106 sub b BW Pro
23.Grief 16 van [appellante] slaagt deels
24.Grief 2 van [appellante] faalt in zoverre
25.Grief 15 van [appellante] faalt
26.Grief 17 van [appellante] faalt
27.Grief 18 van [appellante] faalt in zoverre.
28.Grief 2 van [geïntimeerde] faalt
29.Dat betekent dat het eindoordeel over grief 13 van [appellante] moet worden aangehouden