Uitspraak
gevestigd te Delft,
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel in het principaal beroep
De gemeente Wateringen had het voornemen om het op haar grondgebied gelegen gedeelte van de percelen ook te onteigenen.
Op 13 februari 2002 hebben [verweerders] hiermee ingestemd.
gaven geen gehoor aan dit verlangen. Zij meenden dat er geen sprake was van een rechtsgeldige koopovereenkomst met De Alternatieve. Deze laatste liet daarop beslag leggen op het Wateringse gedeelte van de twee percelen, en startte in april 2003 tegen [verweerders] een procedure bij de rechtbank Den Haag waarin zij nakoming van de koopovereenkomst vorderde.
De Alternatieve kwam aan haar geld door stortingen van [eiser 2] rechtstreeks of via vennootschappen waar hij belangen in had. Ik heb nooit anders begrepen – bijvoorbeeld toen ik geïnstrueerd werd voor zittingen of onderhandelingen – dan dat het de bedoeling was dat [verweerders] niet moesten weten hoe de vork in de steel zat. Toen mr. Gompen [HR: destijds de raadsman van [verweerders]] mij in februari/maart 2002 vroeg of [eiser 2] aandeelhouder was in De Alternatieve heb ik ‘neen’ geantwoord (…).”
(rov. 24)
Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro.
Het hof heeft immers in de rov. 23-26 geoordeeld dat [eiser 2] onrechtmatig heeft gehandeld (kort samengevat):
- en door ondanks zijn zojuist bedoelde wetenschap aan te dringen op nakoming van de overeenkomst en De Alternatieve ertoe te brengen die nakoming in rechte te proberen af te dwingen, en aldus zijn eigen belang te dienen.
Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het gerechtshof Amsterdam heeft immers geoordeeld dat De Alternatieve [verweerders] opzettelijk heeft misleid bij de totstandkoming van de overeenkomst. Op dat punt had het gerechtshof Den Haag geen oordeel in andersluidende zin gegeven. Hiervan uitgaande, behoefde de enkele omstandigheid dat dit laatste gerechtshof het beroep van [verweerders] op vernietiging van de overeenkomst wegens bedrog op een ander punt ten onrechte had verworpen (naar volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7854, NJ 2009/398 en het verwijzingsarrest van het gerechtshof Amsterdam), het hof niet te weerhouden van zijn oordeel dat De Alternatieve misbruik van procesrecht heeft gemaakt en daarom onrechtmatig (volgens de strikte maatstaf uit het arrest Duka/Achmea) heeft gehandeld door in rechte nakoming na te streven van de door haar opzettelijke misleiding tot stand gekomen overeenkomst.
4.Beslissing
15 september 2017.