Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2331

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
21-000645-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling levensgezel met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

In hoger beroep tegen de vrijspraak van de politierechter heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis vernietigd en verdachte veroordeeld voor mishandeling van zijn levensgezel op 5 oktober 2024. Het hof achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en vond voldoende steunbewijs in getuigenverklaringen, medische rapporten en politieprocessen-verbaal.

De mishandeling bestond uit meerdere slagen tegen het hoofd en lichaam en het dichtknijpen van de keel van het slachtoffer, die tevens zwanger was en samen met verdachte een kind had. Het hof verwierp het verweer van de verdediging dat de aangifte niet gedetailleerd was en dat de geluidsopname van het incident mogelijk gemanipuleerd was.

Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken op met een proeftijd van 3 jaar, gecombineerd met een taakstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis. De straf houdt rekening met de ernst van het feit, de aanwezigheid van het kind tijdens het incident, het strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de taakstraf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 weken voorwaardelijke gevangenisstraf en 80 uur taakstraf voor mishandeling van zijn levensgezel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer:21-000645-25
Uitspraakdatum:17 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 31 januari 2025 met parketnummer 18-318291-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 3 april 2026 en wat op de zitting bij de politierechter is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte voor de aan hem ten laste gelegde mishandeling van zijn levensgezel tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd 2 jaren, in combinatie met een taakstraf van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.H. Batavier, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 31 januari 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde mishandeling van zijn levensgezel.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te [plaats] zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door haar meermalen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of haar keel dicht te knijpen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde mishandeling tegen zijn levensgezel wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en dat voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is dat de aangifte ondersteunt.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde. Hiertoe heeft zij ten eerste aangevoerd dat de aangifte niet gedetailleerd is. Ter ondersteuning hiervan heeft de raadsvrouw een – niet ondertekende – schriftelijke verklaring van aangeefster aan het hof overgelegd, waarin staat dat aangeefster dingen heeft gezegd/geschreeuwd om een ernstig beeld over verdachte te schetsen en dat het niet waar is dat hij hun zoon heeft geslagen. Deze verklaring was gericht aan de politierechter, maar is per abuis niet aan het proces-verbaal gehecht.
Daarnaast heeft de verdediging naar voren gebracht dat de door aangeefster gemaakte geluidsopname van het vermeende incident mogelijk geknipt en geplakt zijn. Verdachte heeft gewezen op verschillende toonhoogtes en afstanden die te horen zijn in het fragment.
Oordeel van het hof
De verdediging heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen. Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is.
Beoordeling van de betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen
Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van de onderstaande bewijsmiddelen. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Aangeefster heeft op 5 oktober 2024 bij de politie verklaard, kort gezegd, dat zij in de ochtend van 5 oktober is mishandeld door verdachte, waarbij hij haar meerdere keren zou hebben geslagen en haar keel heeft dichtgeknepen. Het hof acht deze verklaring betrouwbaar en consistent. Het hof zal hieronder nader ingaan op de beoordeling van de verklaringen van aangeefster zoals zij die kort na de mishandeling op 5 en 6 oktober 2024 heeft afgelegd.
De door de verdediging overgelegde schriftelijke verklaring maakt het oordeel van het hof niet anders. Het hof duidt deze latere, door de verdediging ter terechtzitting van de politierechter ingebrachte verklaring van aangeefster meer als een poging om de destijds – blijkens de verklaring van verdachte ter zitting van de politierechter - herstelde relatie te stabiliseren dan dat die verklaring de waarheid behelst. Daarnaast valt het op dat de verklaring geen dagtekening bevat en niet is ondertekend door aangeefster.
In het bijzonder overweegt het hof ten aanzien van de betrouwbaarheid van het bewijs het volgende.
De eerste verklaring van aangeefster van 5 oktober 2024 om 11:27 uur bij de politie wordt ten eerste ondersteund door [getuige] . [getuige] heeft bij de politie op 5 oktober 2024 om 13:00 uur een verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard aangeefster kort na het incident aan de telefoon te hebben gehad, waarbij zij hoorde dat aangeefster aan het huilen was. Na dit telefoongesprek heeft [getuige] aangeefster gezien. [getuige] heeft verklaard dat zij zag dat aangeefster aan het trillen was en dat zij angstig was. Daarnaast heeft zij waargenomen dat het linkeroog van aangeefster dik was, dat zij een paars-kleurig ei ter hoogte van haar slaap had, dat haar onderlip kapot was en dat zij blauw/paarse strepen op haar rug zag.
Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de medische verklaring, een verslaglegging van de ambulancedienst, waarin is neergelegd dat sprake was van luchtwegobstructie en dat aangeefster een bult op haar slaap had en zwelling naast haar linkeroog. Deze verslaglegging van de spoedrit kwam tot stand naar aanleiding van een melding op 5 oktober 2024 om 09:03 uur. Ten slotte heeft [verbalisant 1] in het proces-verbaal van aanhouding gerelateerd dat hij op 5 oktober 2024 om 09:15 uur zag dat aangeefster een dikke lip en een flinke bult boven haar linkeroog had. [verbalisant 2] die aangeefster de volgende dag op 6 oktober 2024 hoorde, heeft van blauwe plekken op de rechterbovenarm, bovenkant van de borstkas en het blauwe oog van aangeefster foto’s gemaakt.
Het hof merkt op dat aangeefster feitelijk en authentiek heeft verklaard. Waar de politie vragen heeft gehad, heeft aangeefster die de volgende dag in haar aanvullende verhoor beantwoord. Het hof stelt vast dat de inhoud van de aangifte overeenkomt met wat [getuige] vertelt over de omstandigheden waaronder het geweld plaatsvond. De waarnemingen van [getuige] ondersteunen hetgeen aangeefster vertelt over haar verwondingen. Dat geldt ook voor de medische verslaglegging en hetgeen verbalisanten hebben gezien. Aangeefster is relatief kort na het incident gehoord door de politie, waarna zij aangifte heeft gedaan. Na het verhoor heeft de verbalisant foto’s gemaakt van de blauwe plekken die aanwezig waren bij aangeefster. Naar het oordeel van het hof passen de verwondingen bij de aangifte zoals die door aangeefster is gedaan.
Het hof acht deze bewijsmiddelen betrouwbaar en bruikbaar voor bewijs.
Bespreking geluidsfragment
Het hof heeft het geluidsfragment van het geweldsincident van 5 oktober 2024 ter zitting in bijzijn van verdachte en de raadsvrouw afgespeeld. Zowel de raadsvrouw, de advocaat-generaal als verdachte zijn in de gelegenheid gesteld tijdens het afspelen van het fragment te reageren op hetgeen hoorbaar was. Verdachte heeft hierop met een aantal opmerkingen gereageerd. Op zitting is uitgelegd dat het hof eventuele vaststellingen en beoordelingen op basis van het geluidsfragment in raadkamer zal doen, nu hetgeen hoorbaar is direct samenvalt met de inhoud van de tenlastelegging.
Het hof overweegt gelet op het verweer omtrent de geluidsopname het volgende. Anders dan de verdachte stelt, is het hof van oordeel dat op het geluidsfragment is te horen dat verdachte meermalen geweld gebruikt en voortdurend boos is op aangeefster. Het hof stelt vast dat de schriftelijke beschrijving van hetgeen hoorbaar is door een verbalisant adequaat is.
Het hof stelt vast dat de geluidsopname en de uitwerking daarvan verdachte in het geheel niet ontlasten.
Het hof gebruikt het geluidsfragment en de beschrijving daarvan door een verbalisant evenwel niet voor het bewijs, omdat op basis van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen ruimschoots wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. In zoverre behoeft het verweer over de inhoud van de geluidsopname strikt genomen geen verdere bespreking.
Het hof zal vanuit oogpunt van procedurele zorgvuldigheid nu verdachte door de politierechter werd vrijgesproken, ingaan op het verweer over de geluidsopname.
Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier aanwezig die erop duiden dat de geluidsopname is gemanipuleerd door aangeefster. Integendeel, de geluidsopname is bij de aangifte kort na het incident aan de politie verstrekt. Het verweer geeft het hof evenmin aanleiding tot het ambtshalve doen van nader onderzoek naar de geluidsopname nu daarvoor tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier en hetgeen hoorbaar is geen aanknopingspunten bestaan. Het hof beschouwt het verweer van de verdediging als niet meer dan ongefundeerde suggesties dat iets mis zou zijn met de opname.
Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof tot een bewezenverklaring komt.

Bewijsmiddelen

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 5 oktober 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Eenheid Noord-Nederland met nummer PL0100-2024272475 van 4 november 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van [aangeefster]:
Ik doe aangifte van mishandeling door mijn vriend, [verdachte] . Ik ben sinds 4 jaar samen met mijn vriend [verdachte] . Samen hebben wij een kindje [naam] . Ik ben inmiddels 25 weken zwanger. Dit kind is ook van [verdachte] . Gisteravond, 4 oktober 2024, waren wij, [verdachte] , [naam] en ik thuis aan de [adres 1] te [plaats] . [verdachte] had die avond ongeveer een halve fles whiskey opgedronken en niks gegeten. Deze ochtend, 5 oktober 2024, hoorde en zag ik dat hij boos was. Hij betichtte mij ervan een slechte vriendin te zijn en niet voor hem te zorgen. Ik haalde ons kind uit bed en legde hem bij ons in het bed neer. Ik zag dat [verdachte] boos bleef en dingen naar mij schreeuwde. Ik zag en voelde dat hij gewelddadig werd. Ik werd op mijn gezicht, benen en mijn rug geslagen. Ik voelde dat hij dit met kracht deed. Ik had hierdoor pijn over mijn hele lichaam. Daarnaast drukte hij mijn keel dicht. Ik lag op mijn rug, hij zat boven op mij en deed zijn rechterhand in zijn geheel over mijn keel heen. Ik voelde dat hij mijn keel dicht drukte met zijn hand. Ik voelde dat ik geen lucht meer kreeg.
Het letsel van mij kan ik als volgt omschrijven: Ik heb een blauwe plek/bult aan de buitenzijde van mijn linkeroog zitten en ik had bloed aan mijn lip. Dit kwam door de mishandeling van vandaag. Daarnaast had ik op mijn rug en been ook plekken zitten waar je kunt zien dat hij mij wat heeft aangedaan.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 5 oktober 2024, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd politiedossier, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van [getuige]:
Ik, [verbalisant 2] , verklaar het volgende:
Op zaterdag 5 oktober 2024 werd door mij in [plaats] gehoord
De getuige:
Achternaam: [getuige]
Voornamen: [getuige]
Verklaring getuige
[aangeefster] (het hof begrijpt: aangeefster [aangeefster] ) belde mij vandaag om ongeveer 8 uur. Ik hoorde dat [aangeefster] aan het huilen was. Ik heb er toen voor gezorgd dat zij naar mij is gebracht. Toen [aangeefster] bij mij was zag ik dat [aangeefster] erg aan het trillen was. Ik zag dat zij erg angstig was. Ik zag dat haar linkeroog behoorlijk dik was. Ik zag een paarskleurig ei ter hoogte van haar slaap. Ik zag ook dat haar onderlip kapot was en ik zag blauw/paarse strepen op haar rug.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van 5 oktober 2024, opgenomen op pagina 58 e.v. van voornoemd politiedossier, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als relaas van [verbalisant 1] en [verbalisant 3]:
Op zaterdag 5 oktober 2024 omstreeks 9.00 uur kregen wij de opdracht om te gaan naar de [adres 2] te [plaats] . Alhier zou meldster een vriendin hebben opgevangen. Meldster gaf aan dat haar vriendin mishandeld is door haar partner. Het slachtoffer zou zijn [aangeefster] en haar partner zou zijn [verdachte] . Ik, [verbalisant 1] zag direct dat [aangeefster] een dikke lip had. Ook zag ik dat [aangeefster] een flinke bult had vlak boven haar linkeroog.
4. Een ander geschrift, te weten een medische verslaglegging van 5 oktober 2024, van [ambulancedienst] [plaats] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Datum/tijd incident: 05-10-2024 09:03:41
Datum/tijd melding: 05-10-2024 09:03:41
Notitie: AMBU MAG MET A2 TP GAAN
Luchtwegobstructie: Ja
Anamnese:
Huiselijk geweld/mishandeling. Heeft zwelling naast linkeroog.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster van 6 oktober 2024, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd politiedossier, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als relaas van [verbalisant 2]
V aangever
P verhoorder
O geconstateerde opmerking
V: Hoelang hebben jullie al een relatie?
A: We zijn iets van 4 jaar soort van samen. Maar echt serieus sinds wij kinderen
hebben gekregen.
A: Ik kwam er vanochtend achter dat ik nog meer blauwe plekken heb op mijn
rechterbovenarm, bovenkant van mijn borstkast. Mijn oog ziet er ook meer blauw uit.
O: Ik, verbalisant, maak foto's van de blauwe plekken en voeg deze toe aan het
verhoor."

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Hij op 5 oktober 2024 te [plaats] zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door haar meermalen tegen het hoofd en
/oftegen het lichaam te slaan en haar keel dicht te knijpen;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straffen

Bij het bepalen van de straffen houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte en het reclasseringsrapport van 16 januari 2025. Het hof heeft hierbij in het bijzonder gelet op het onderstaande.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel. Daarnaast heeft verdachte onderhavige feiten gepleegd in het woonhuis waar hij samen met aangeefster verbleef en waarbij hun 1-jarige kind aanwezig was. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en haar nodeloos pijn of letsel toegebracht. Hij heeft aangeefster in een omgeving die voor haar veilig behoord te voelen, gevoelens van onveiligheid bezorgd en dat alles in het bijzijn van hun nog jonge zoon.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 6 maart 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Het hof weegt dat in strafverzwarende zin mee.
Verder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door hem en zijn raadsvrouw op de zitting bij het hof naar voren zijn gebracht.
Alles afwegende, mede gelet op het bovenstaande, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken, met een proeftijd van 3 jaren, in combinatie met een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden is. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient voor verdachte als een stok achter de deur om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof acht een proeftijd van 3 jaren nodig vanwege de spanningen die zich voor kunnen doen tussen verdachte en aangeefster, inmiddels zijn ex-partner. De dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zullen in mindering worden gebracht op de taakstraf, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaarthet bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Bepaaltdat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeeltde verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. J. Dolfing en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 april 2026.