Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2333

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
21-001894-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging en aanpassing vonnis huiselijk geweld met contact- en locatieverbod

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 april 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 14 april 2025. De zaak betreft meerdere overtredingen van een gedragsaanwijzing jegens de ex-vrouw van verdachte, bedreiging met een misdrijf tegen het leven, en het bezit van verboden vuurwapens.

Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter, behalve ten aanzien van de strafoplegging, het beslag op luchtbuksen en de vordering van de benadeelde partij. De straf is aangepast naar een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 weken met een proeftijd van 3 jaar, gecombineerd met een taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis bij niet-naleving. Tevens is een contact- en locatieverbod opgelegd voor de duur van 3 jaar, dadelijk uitvoerbaar.

De inbeslaggenomen luchtbuksen zijn onttrokken aan het verkeer vanwege het gevaar dat zij vormen. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €837,23, bestaande uit materiële en immateriële schade, is volledig toegewezen met wettelijke rente. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het strafblad van verdachte, de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gevoelens van onveiligheid bij de benadeelde partij.

Het contact- en locatieverbod is bedoeld om rust en veiligheid te waarborgen. Verdachte heeft ondanks het verbod contact gezocht met de benadeelde partij, wat als grensoverschrijdend is beoordeeld. Het hof heeft het vonnis vernietigd voor zover het de straf, het beslag en de vordering betreft en doet in die onderdelen opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 weken gevangenisstraf waarvan 8 weken voorwaardelijk, taakstraf van 40 uur, contact- en locatieverbod en onttrekking van luchtbuksen aan het verkeer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001894-25
Uitspraakdatum: 3 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 april 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-005650-25 en 18-364738-24, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 3 april 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter ten aanzien van de beslissing omtrent de straf en het beslag;
  • veroordeling van de verdachte voor de aan hem ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht;
  • oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van 5 jaren, met toepassing van vervangende hechtenis voor elke keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan van 1 week, met een maximum van 6 maanden, dadelijk uitvoerbaar te verklaren;
  • volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • onttrekking aan het verkeer van alle inbeslaggenomen luchtbuksen;
  • en het opheffen van het (reeds geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. R.P. Eefting, is aangevoerd.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek op de terechtzitting uitspraak gedaan.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 14 april 2025, waartegen het hoger beroep is gericht:
  • verdachte veroordeeld voor alle aan hem ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan 8 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest;
  • aan verdachte de maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking opgelegd inhoudende een contactverbod ten aanzien van aangeefster [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1980 en inhoudende een locatieverbod voor de straat [straat 1] te [plaats 1] en deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaard;
  • de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven luchtbuksen verbeurdverklaard.
Het hof is van oordeel dat de politierechter op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het betreft de beslissingen omtrent de straf, het beslag en de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Oplegging van straffen en maatregel

Bij het bepalen van de straffen en maatregel houdt het hof, zoals op de zitting van 3 april 2026 mondeling is gemotiveerd, rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, het reclasseringsrapport met betrekking tot verdachte van 8 januari 2025 en de persoon van verdachte. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder gelet op het volgende.
Verdachte heeft een gedragsaanwijzing, die aan hem was opgelegd ten aanzien van zijn ex-vrouw, meerdere malen overtreden. Hij heeft zijn ex-vrouw bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en hij heeft twee verboden vuurwapens voorhanden gehad. Verdachte heeft door onderhavige feiten zijn ex-vrouw gevoelens van angst en onveiligheid toegebracht. De bedreiging en overtreding van de gedragsaanwijzing doen haar tot op de dag van de zitting bij het hof, zoals namens haar op de zitting naar voren is gebracht, nog veel. Daarnaast leidt het voorhanden hebben van wapens in het algemeen tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Het hof heeft bij de strafoplegging ook gelet op het strafblad van verdachte van 6 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden is veroordeeld voor een strafbaar feit in de huiselijke sfeer (huiselijk geweld). Het hof weegt dat in strafverzwarende zin mee.
Daarnaast heeft het hof gelet op wat door de raadsman namens verdachte met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden naar voren is gebracht. Volgens de raadsman drukt de gedachte dat verdachte naar de gevangenis zou moeten, zwaar op hem en zou hem als zzp’er zwaar treffen. Daarnaast is de echtscheiding inmiddels bijna afgerond.
Ook heeft het hof gelet op hetgeen namens aangeefster naar voren is gebracht door een medewerkster van Slachtofferhulp Nederland. Hieruit is gebleken dat er bij aangeefster nog gevoelens van onveiligheid aanwezig zijn ten aanzien van verdachte.
Het hof acht het van belang dat er rust is in de situatie tussen verdachte en zijn ex-vrouw. De door de politierechter opgelegde straf is gelet op het strafblad van verdachte in beginsel passend.
Gelet echter op de persoonlijke omstandigheden van verdachte is het hof, alles afwegende, van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 weken met een proeftijd van 3 jaren, in combinatie met een taakstraf van 40 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De voorwaardelijke gevangenisstraf acht het hof nodig als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het hof ziet verder aanleiding om, ter bescherming van aangeefster, een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid van verdachte als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod en locatieverbod voor de duur van 3 jaren. Het contactverbod zal gelden ten aanzien van aangeefster en het locatieverbod zal gelden ten aanzien van de straat waar aangeefster woont, de straat waar één van haar dochters werkt en de straat van de ouders van aangeefster wonen. De raadsman heeft in dat verband ter zitting verklaard dat verdachte de aanvankelijke bezwaren tegen (een deel van) dit locatieverbod niet handhaaft.
Het hof zal bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er nog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen of zich belastend zal gedragen tegenover aangeefster. Ter zitting is naar voren gekomen dat verdachte en aangeefster wederom contact hebben gehad met elkaar. Dit werd niet geïnitieerd door verdachte, maar verdachte was - toen hij eenmaal weer een mogelijkheid tot contact met aangeefster zag - vasthoudend in zijn pogingen om (verder) contact met aangeefster te onderhouden en verdachte was daarbij bovendien grensoverschrijdend, terwijl sprake was van een contactverbod.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven luchtbuksen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen. Deze behoren aan verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. De voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 837,23 ingediend, bestaande uit € 337,23 aan materiële schaden en € 500,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag volledig toegewezen.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-005650-25 bewezenverklaarde en in de zaak met parketnummer 18-364738-24 onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Door de raadsman van verdachte is naar voren gebracht dat verdachte bereid is de schade te vergoeden en geen verweren voert ten aanzien van deze vordering.
Zowel de gevorderde materiële als de immateriële schade komen het hof niet onredelijk, ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2024 tot aan de dag van algehele voldoening.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 184a en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf, het beslag en de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) weken.
Bepaaltdat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeeltde verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat:

  • de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in de straten [straat 1] en [straat 2] te [plaats 1] en de straat [straat 3] te [plaats 2] ;
  • de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffer [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1980.
Beveeltdat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveeltdat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de politierechter opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen in mindering zal worden gebracht.
Beveeltdaarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Beveeltde
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773290
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773293
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773295
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773297
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773307
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773310
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773311
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773314
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773315
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773317
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773318
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773320
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773322
- 1 STK Luchtbuks PL0100-2024313148-1773323.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-005650-25 bewezenverklaarde en in de zaak met parketnummer 18-364738-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 837,23 (achthonderdzevenendertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 337,23 (driehonderdzevenendertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2024 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeeltde verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aande verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-005650-25 bewezenverklaarde en in de zaak met parketnummer 18-364738-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 837,23 (achthonderdzevenendertig euro en drieëntwintig cent)bestaande uit € 337,23 (driehonderdzevenendertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaaltde duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaaltdat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Beveelt de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Dolfing, mr. J. Hielkema en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 april 2026.