De moeder en vader zijn de ouders van de minderjarige, waarbij de moeder het gezag heeft. De kinderrechter verleende meerdere machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg, waarvan enkele werden vernietigd door het hof wegens onvoldoende onderbouwing.
De GI verzocht opnieuw om uithuisplaatsing, waarop de kinderrechter spoedmachtigingen verleende. Zowel de moeder als de vader gingen in hoger beroep tegen deze beslissingen, stellende dat er geen relevante wijziging van omstandigheden was sinds de eerdere afwijzing van de GI's verzoek.
Het hof oordeelde dat de GI niet aannemelijk had gemaakt dat er sinds de beschikking van 19 maart 2025 een relevante wijziging van omstandigheden was opgetreden. De zorgen over financiën, huisvesting, emotieregulatie, verslavingsproblematiek en samenwerking met de GI waren al bekend. Daarom vernietigde het hof de beschikkingen van 24 november en 3 december 2025 en wees het het verzoek van de GI af.
Het gevolg is dat de minderjarige bij de moeder, de gezagsouder, kan worden geplaatst. Het hof baseerde zich op artikel 1:265b BW en artikel 1:265c BW en benadrukte het belang van een relevante wijziging van omstandigheden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing.