Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2364

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
200.365.625
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen machtiging uithuisplaatsing minderjarige afgewezen wegens ontbreken wijziging omstandigheden

De moeder en vader zijn de ouders van de minderjarige, waarbij de moeder het gezag heeft. De kinderrechter verleende meerdere machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg, waarvan enkele werden vernietigd door het hof wegens onvoldoende onderbouwing.

De GI verzocht opnieuw om uithuisplaatsing, waarop de kinderrechter spoedmachtigingen verleende. Zowel de moeder als de vader gingen in hoger beroep tegen deze beslissingen, stellende dat er geen relevante wijziging van omstandigheden was sinds de eerdere afwijzing van de GI's verzoek.

Het hof oordeelde dat de GI niet aannemelijk had gemaakt dat er sinds de beschikking van 19 maart 2025 een relevante wijziging van omstandigheden was opgetreden. De zorgen over financiën, huisvesting, emotieregulatie, verslavingsproblematiek en samenwerking met de GI waren al bekend. Daarom vernietigde het hof de beschikkingen van 24 november en 3 december 2025 en wees het het verzoek van de GI af.

Het gevolg is dat de minderjarige bij de moeder, de gezagsouder, kan worden geplaatst. Het hof baseerde zich op artikel 1:265b BW en artikel 1:265c BW en benadrukte het belang van een relevante wijziging van omstandigheden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitkomst: Het hof vernietigt de machtigingen tot uithuisplaatsing en wijst het verzoek van de GI af wegens het ontbreken van een relevante wijziging van omstandigheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem/Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.625
zaaknummer rechtbank Gelderland 459663
beschikking van 21 april 2026
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige]( [de minderjarige] )
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F. Ergec
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)
die is gevestigd in Doetinchem.
Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt:
[belanghebbende](de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. K.J.M. Slangen.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 24 november 2025 tot 22 december 2025 en vervolgens van 22 december 2025 tot 23 april 2026. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren te [plaats] [in] 2011. De moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige] .
2.2
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de ouder zonder gezag (de vader) met ingang van 23 oktober 2024 tot 23 oktober 2025.
2.3
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 maart 2025 een verzoek van de GI tot het verkrijgen van een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin afgewezen.
2.4
De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 mei 2025 een verzoek van de GI tot het verkrijgen van een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 23 oktober 2025, toegewezen.
2.5
Bij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 23 oktober 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 23 april 2026.
2.6
Bij beschikking van 20 november 2025 heeft dit hof, naar aanleiding van het door de moeder ingestelde hoger beroep, de beschikking van 12 mei 2025 vernietigd en het verzoek van de GI om machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] alsnog afgewezen.
2.7
[de minderjarige] woonde van 23 oktober 2024 bij de vader, van maart/april 2025 weer bij de moeder en vervolgens woont zij sinds 20 mei 2025 in een pleeggezin.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft op 24 november 2025 de kinderrechter verzocht om [de minderjarige] (weer) uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 november 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 december 2025.
3.3
De kinderrechter heeft in de beschikking van 3 december 2025 (de bestreden beschikking) een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 december 2025 tot 23 april 2026.
3.4
De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).

4.De procedure bij het hof

4.1
De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter van 24 november 2025 en van 3 december 2025 en komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt en dat het hof zal beslissen dat [de minderjarige] voortaan haar hoofdverblijf bij haar zal houden dan wel dat [de minderjarige] bij haar zal wonen.
4.2
De vader is het ook niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Ook hij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.3
De GI wil dat de beslissingen in stand blijven.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
 het beroepschrift ontvangen op 24 februari 2026;
  • het verweerschrift van de GI;
  • de brief van de raad van 9 maart 2026 waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • de journaalberichten namens de moeder van 19, 25 en 31 maart 2026 met bijlagen.
4.5
[de minderjarige] is uitgenodigd te vertellen wat zij vindt van de uithuisplaatsing. Zij heeft haar mening daarover in een brief aan het hof geschreven.
4.6
De zitting bij het hof was op 2 april 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat (die de mondelinge behandeling via een Teamsverbinding heeft bijgewoond) en met een begeleider van [naam1] ;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • de vader met zijn advocaat.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe luiden de standpunten
5.2
De moeder is het niet eens met de beschikking van de kinderrechter van 24 november 2025, waarbij een spoedmachtiging is verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen, en zij is het ook niet eens met de beschikking van 3 december 2025, waarbij de definitieve machtiging tot die uithuisplaatsing is verleend.
Volgens de moeder is er geen sprake van een wijziging van omstandigheden sinds 19 maart 2025, toen de kinderrechter het verzoek van de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen heeft afgewezen. De moeder is van mening dat er juist positieve ontwikkelingen zijn sinds toen. Zij beschikt inmiddels over een woning, die geschikt is om [de minderjarige] bij haar te laten wonen. Daarnaast heeft zij begeleiding geregeld van [naam1] . Ook werkt zij mee met de GI.
5.3
Volgens de GI is er wel degelijk sprake van een wijziging van omstandigheden. Er zijn nog steeds zorgen over de financiën, huisvesting, emotieregulatie en verslavingsproblematiek van de moeder. Ook is er nog steeds een gebrek aan samenwerking van de moeder met de GI. Er zijn daarnaast zorgen over [de minderjarige] , die veel heeft meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder en die geparentificeerd gedrag vertoont. Volgens de GI is de uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk.
5.4
De vader sluit aan bij het standpunt van de moeder. Ook volgens hem is er geen sprake van een wijziging van omstandigheden sinds 19 maart 2025. Bovendien is hij van mening dat [de minderjarige] graag weer bij de moeder wil wonen en dat dat ook kan, omdat de persoonlijke omstandigheden van de moeder inmiddels zijn verbeterd.
Hoe oordeelt het hof?
5.5
Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is het volgende gebleken.
In de eerdere beschikking van 19 maart 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen afgewezen. De kinderrechter heeft daarbij overwogen dat weliswaar is gebleken dat de situatie van [de minderjarige] op dat moment kwetsbaar is, maar dat de ouders nog een kans moeten krijgen om te laten zien dat zij in staat zijn om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen. De kinderrechter achtte het belangrijk dat de ouders hun persoonlijke problematiek en de zorgen over [de minderjarige] onderkennen en dat zij zorgen voor contact en samenwerking met de GI, zodat de doelen van de ondertoezichtstelling kunnen worden behaald.
Vervolgens heeft de kinderrechter in de beschikking van 12 mei 2025 een nieuw verzoek van de GI (van 4 april 2025) om [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen, toegewezen.
Dit hof heeft op 20 november 2025 de laatstgenoemde beschikking vernietigd, omdat er volgens het hof op 12 mei 2025 onvoldoende was gebleken van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de afwijzende beschikking van 19 maart 2025. Ook in het rapport (eindverslag) van [naam2] van 20 maart 2025 was volgens het hof niet te lezen dat er sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden, die een uithuisplaatsing kon rechtvaardigen.
Op 24 november 2025, slechts vier dagen na de beschikking van het hof, heeft de GI weer een nieuw verzoek bij de kinderrechter ingediend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen. Dat verzoek heeft geleid tot de (spoed)machtigingen, verleend door de kinderrechter in de bestreden beschikkingen van 24 november 2025 en 3 december 2025.
5.6
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter in de beschikkingen van 24 november 2025 en 3 december 2025 geen (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] had mogen verlenen. De GI heeft op 24 november 2025 en op 3 december 2025 niet aannemelijk gemaakt dat er op dat moment sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden ten opzichte van de beschikking van de kinderrechter van 19 maart 2025. De door de GI genoemde zorgen over de financiën, huisvesting, emotieregulatie en verslavingsproblematiek van de moeder waren op 19 maart 2025 al aanwezig, evenals het gestelde gebrek aan samenwerking van de moeder met de GI en het geparentificeerde gedrag van [de minderjarige] . Omdat de relevante wijziging van omstandigheden niet aanwezig is, zal het hof de beslissingen van de kinderrechter van 24 november 2025 en van 3 december 2025 ongedaan maken (vernietigen).
5.7
Het gevolg van al het voorgaande is dat [de minderjarige] thuis geplaatst kan worden bij de moeder, de ouder met het gezag.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
6.1
vernietigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 24 november 2025 en 3 december 2025 over de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking en beslist:
6.2
wijst het verzoek van de GI om een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voorpleegzorg met ingang van 24 november 2025 respectievelijk 22 december 2025 alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, H. Phaff en A.T. Bol, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.