Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2365

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
200.360.708
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:250 BWArt. 809 RvArt. 810a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging hoofdverblijfplaats minderjarige bij vader in Nederland ondanks verblijf moeder in België

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 21 april 2026 in hoger beroep de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 9 juli 2025 bekrachtigd, waarin de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader in Nederland is vastgesteld. De moeder woont in België en voerde onder meer aan dat sprake zou zijn van intieme terreur door de vader en dat de hoofdverblijfplaats bij haar zou moeten zijn. Het hof oordeelde dat de moeder deze ernstige beschuldigingen niet aannemelijk had gemaakt en dat de Nederlandse rechter bevoegd was om te beslissen.

De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige voornamelijk bij de vader verblijft, met omgangsregelingen voor de moeder. Het hof vond dat het belang van de minderjarige het best gediend is met verblijf bij de vader, die dagelijks voor hem zorgt en waar hij is geworteld. De moeder had geen concrete onderbouwing voor haar stellingen over intieme terreur en dwang bij het ondertekenen van de tijdelijke ouderschapsregeling (TPA).

Het hof wees ook verzoeken van de moeder af om een deskundigenonderzoek te gelasten en een bijzondere curator te benoemen, omdat er geen objectief verifieerbare aanwijzingen waren voor huiselijk geweld. Ook het verzoek van de vader om de moeder het vervoer van de minderjarige te laten verzorgen werd afgewezen, omdat een gelijkwaardige verdeling van het vervoer het meest eerlijk is. Alle grieven van de moeder en het incidenteel hoger beroep van de vader faalden, waarna het hof de bestreden beschikking bekrachtigde.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader in Nederland blijft en wijst de verzoeken van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.708/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 568014)
beschikking van 21 april 2026
inzake
[verzoekster],
die woont in [woonplaats1] , België,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.T.N. Whiterod-Tee,
en
[verweerder],
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. T. de Jong.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 10 mei 2024, 28 juni 2024 en 9 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 9 juli 2025 wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij het hof zijn ingediend:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 9 oktober 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- de journaalberichten namens de moeder van 21, 27 en 30 november 2025, met bijlagen;
- de journaalberichten namens de moeder van 12 en 15 maart 2026 met bijlagen;
- het e-mailbericht namens de vader van 16 maart 2026.
2.2
De zitting was op 19 maart 2026, waarbij ook de procedure tussen partijen met zaaknummer 200.359.308 werd behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en met een tolk in de Italiaanse taal;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
2.3
Mr. De Jong heeft in haar e-mailbericht van 16 maart 2026 en tijdens de zitting bezwaar gemaakt tegen overlegging van de bij de journaalberichten van mr. Whiterod-Tee van 12 en 15 maart 2026 overgelegde bijlagen. Het hof heeft daarop ter zitting beslist dat op die bijlagen geen acht wordt geslagen, omdat deze omvangrijk dan wel niet eenvoudig te doorgronden zijn en bovendien zonder noodzaak kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie van het hof. Mr. De Jong heeft daardoor in redelijkheid niet voldoende kunnen kennisnemen van de bijlagen en zich onvoldoende kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in]
2020, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.2
Partijen hebben de volgende feiten aan hun verzoeken ten grondslag gelegd. Zij hebben elkaar in 2018 leren kennen. Eind 2019 is de moeder naar Italië gereisd om daar te bevallen. Begin 2020 is de vader ook naar Italië gereisd om bij de bevalling van [de minderjarige] aanwezig te kunnen zijn. Toen de moeder in 2021 werk in Nederland had gevonden is het gezin medio 2021 terug naar Nederland verhuisd. De moeder is in februari 2023 met [de minderjarige] naar België vertrokken. Voorafgaand aan het vertrek van de moeder met [de minderjarige] naar België hebben partijen een “Temporary Parenting Agreement” (hierna: TPA) ondertekend.
3.3
In de tussenbeschikking van 10 mei 2024 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld, uitgaande van de situatie dat de moeder in België woonde en de vader in [woonplaats2] , waarbij de vader in de periode van 26 april 2024 tot 2 juni 2024 omgang met [de minderjarige] heeft, en iedere verdere beslissing aangehouden.
3.4
In de tussenbeschikking van 28 juni 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, een voorlopige zorgregeling vastgesteld en bepaald dat de vader met ingang van juni 2024 een bedrag van € 442,- per maand aan de moeder zal voldoen en iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek.
3.5
In de bestreden beschikking van 9 juli 2025 heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en als zorgregeling vastgesteld:
- [de minderjarige] verblijft om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de
moeder, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdag naar de moeder brengt en de moeder
[de minderjarige] op zondag weer naar de vader brengt;
- [de minderjarige] verblijft bij de moeder op een aan het weekend van de moeder grenzende
vrije dag (bijvoorbeeld een studiedag of feestdag);
Als vakantieregeling heeft de rechtbank vastgesteld dat [de minderjarige] bij de moeder verblijft tijdens:
  • de voorjaarsvakantie;
  • de eerste week van de meivakantie, in de even jaren en tijdens de tweede week van de
meivakantie, in de oneven jaren;
  • de eerste vier weken van de zomervakantie;
  • de herfstvakantie;
  • de eerste week van de Kerstvakantie (en dus ook de Kerstdagen), in de even jaren en
  • tijdens de tweede week van de Kerstvakantie (en dus ook Oud & Nieuw), in de
oneven jaren;
De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verzoeken van de ouders voor het overige afgewezen.
De rechtbank heeft in die beschikking ook overwogen dat de ouders niet meer gebonden zijn aan de door hen eerder gemaakte financiële afspraken, omdat de ouders tijdens de laatste zitting voorafgaand aan de bestreden beschikking bij de rechtbank hebben bevestigd dat die financiële afspraken niet meer gelden en de vader niets meer aan de moeder hoeft te betalen als de rechtbank zou beslissen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader zal zijn.
3.6
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 augustus 2025 (aangevuld bij vonnis van 20 augustus 2025) heeft de voorzieningenrechter de vader vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven op de school [naam] in [woonplaats2] . Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals die bij beschikking van 9 juli 2025 is bepaald. Verder heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] uiterlijk 18 augustus 2025 om 13:00 uur weer bij de vader is. Aan beide veroordelingen heeft de voorzieningenrechter een dwangsom verbonden van € 250,- voor iedere dag dat de moeder niet aan de veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt.
Bij arrest in het incident van 11 november 2025 heeft dit hof de vordering van de moeder tot schorsing van dat vonnis afgewezen.
3.7
Bij beschikking van 16 december 2025 heeft dit hof de verzoeken van de moeder tot schorsing van de bestreden beschikking van 9 juli 2025 en tot het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 juli 2025. Zij verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:
- primair voor recht te verklaren dat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats en zijn hoofdverblijf heeft bij zijn moeder in België;
- subsidiair, voor zover vereist, haar vervangende toestemming te verlenen om in
België te blijven wonen; en te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijf bij haar heeft;
De volgende zorgregeling/vakantieregeling vast te stellen, voor zover blijkt dat dit mogelijk is na advies in het kader van het huiselijk geweld:
a. [de minderjarige] verblijft om het weekend van vrijdag na school, rekening houdend met de
avondspits, tot zondagavond 19:00 uur, waarbij de moeder hem op vrijdag naar vader brengt en de vader hem op zondag naar moeder brengt;
b. [de minderjarige] heeft eenmaal per twee weken op woensdag omgang met de vader in België in de week volgend op het weekend waarin omgang is geweest;
c. [de minderjarige] verblijft voor de vakantie bij de vader:
- De herfstvakantie
- De eerste week van de Kerstvakantie (en dus ook de Kerstdagen), in de even jaren en tijdens de tweede week van de Kerstvakantie (en dus ook Oud & Nieuw), in de oneven jaren.
- De voorjaarsvakantie;
- De eerste week van de meivakantie, in de even jaren en tijdens de tweede week van de
meivakantie, in de oneven jaren;
- 5 weken van de zomervakantie, te verdelen in de eerste twee weken van de zomervakantie,
bij de vader, dan 3 weken bij de moeder, dan drie weken bij vader en de laatste week bij de
moeder;
- te bepalen dat de vader 2 maal per week (video)bel contact heeft met [de minderjarige]
- te bepalen dat de moeder aanspraak maakt op alle financiële vergoedingen die de vader ontvangt en heeft ontvangen ten behoeve van [de minderjarige] ;
en bij wege van zelfstandig verzoek, ex artikel 810a lid 2 en lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een deskundigenonderzoek te gelasten op kosten van de het Rijk;
en een bijzondere curator te benoemen.
Bij wege van zelfstandig verzoek
Wanneer het hof de beschikking terzake de beëindiging van het gezag bekrachtigt, te bepalen
a. [de minderjarige] verblijft om het weekend van vrijdag na school, rekening houdend met de
avondspits, tot zondagavond 19:00 uur, waarbij de vader op vrijdag naar moeder brengt en
de moeder zondag naar vader brengt;
b. [de minderjarige] eenmaal per twee weken op woensdag omgang met de moeder heeft in Nederland
in de week volgend op het weekend waarin omgang is geweest;
c. [de minderjarige] voor de vakantie bij de moeder verblijft:
De herfstvakantie;
De eerste week van de Kerstvakantie (en dus ook de Kerstdagen), in de even jaren en tijdens
de tweede week van de Kerstvakantie (en dus ook Oud & Nieuw), in de oneven jaren.
De voorjaarsvakantie;
De eerste week van de meivakantie, in de even jaren en tijdens de tweede week van de
meivakantie, in de oneven jaren;
4 weken van de zomervakantie, te verdelen in de eerste drie weken van de zomervakantie,
bij de moeder, dan 2 weken bij de vader, dan en de laatste week bij de moeder.
d. De moeder 2 maal per week (video)bel contact heeft met [de minderjarige] ,
althans de beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.2
De vader heeft verweer gevoerd. Hij vraagt het hof om de moeder niet te ontvangen in haar verzoeken in hoger beroep, althans en in ieder geval die verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover daarin is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem is bepaald, een zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] is vastgesteld, alsook een vakantie- en feestdagenverdeling en voor zover daarin de overige verzoeken van de moeder werden afgewezen. De vader heeft ook incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen enkel voor wat betreft het halen en brengen van [de minderjarige] en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de moeder [de minderjarige] vrijdag om 17:00 uur ophaalt bij de vader en om 19:00 weer terugbrengt bij de vader,
althans de beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.3
De moeder heeft verweer gevoerd in het incidenteel hoger beroep van de vader. Zij vraagt het hof om het desbetreffende verzoek van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De moeder stelt in haar eerste grief dat de Nederlandse rechter zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard. Volgens haar had de rechtbank zich onbevoegd moeten verklaren omdat er onvoldoende zicht was op de situatie van [de minderjarige] in België om een goede beslissing te kunnen nemen. De vader voert aan dat de Nederlandse rechter zich terecht bevoegd heeft verklaard, omdat volgens hem altijd voor zowel de moeder als de vader duidelijk is geweest dat [de minderjarige] slechts tijdelijk in België zou verblijven.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank in de beschikking van 10 mei 2024 terecht heeft beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de namens de moeder bij die rechter ingediende verzoeken. [de minderjarige] verbleef weliswaar op dat moment in België, maar zoals hierna zal worden beslist was dat slechts tijdelijk en hij heeft een nauwe band met Nederland (behouden). Hij heeft de Nederlandse nationaliteit, zijn gezaghebbende vader heeft zijn gewone verblijfplaats in Nederland, waar ook hij zijn gewone verblijfplaats had.
Vervolgens kwam ook dit hof in zijn beschikking van 16 december 2025 na een uitvoerige motivering tot de conclusie dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Het hof ziet in hetgeen de moeder op dit onderdeel nu aanvoert geen aanleiding om op zijn eerdere oordeel terug te komen en anders te beslissen. Het hof neemt dat oordeel en de motivering daarvan hier over. Het hof zal de zaak dus inhoudelijk beoordelen.
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
5.3
In haar verzoek in hoger beroep voert de moeder als rode draad aan dat zij slachtoffer is van de door de vader gepleegde intieme terreur en dat daarmee door de rechtbank geen rekening is gehouden, maar dat het hof daarmee in de beoordeling wel rekening zou moeten houden. Het hof is van oordeel dat de moeder het bestaan van intieme terreur, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader, niet aannemelijk heeft gemaakt. De moeder heeft geen enkel objectief verifieerbaar argument aangevoerd dat tot de conclusie kan leiden dat er sprake is (geweest) van intieme terreur. De vader heeft in dit verband aangevoerd dat de relatie tussen partijen onrustig en moeizaam is verlopen, maar dat er geen sprake is geweest van intieme terreur. De moeder heeft een rapportage van een onderzoek overgelegd, maar dat onderzoek is uitsluitend gebaseerd op belevingen van de moeder, die geen concrete feitelijke onderbouwing hebben. De beschuldiging van de moeder houdt onder meer in dat de vader haar met juridische procedures bestookt. De vader voert terecht aan dat die beschuldiging ongegrond is. Alle procedures zijn namelijk aangespannen door de moeder, met uitzondering van de kort gedingprocedure (genoemd onder 3.6) die de vader had aangespannen nadat de moeder de zorgregeling niet nakwam. Het hof hecht in dit verband groot belang aan de visie van de raad voor de kinderbescherming ter zitting. De raad heeft twee onderzoeken gedaan naar de situatie rond [de minderjarige] en ziet voor de beschuldiging van intieme terreur geen aanknopingspunten. Het hof acht het bovendien – zoals de vader ook heeft aangevoerd – opmerkelijk dat de moeder in de vele procedures bij de rechtbank, waarin zij zich door diverse advocaten liet bijstaan, op geen enkel moment het bestaan van intieme terreur heeft genoemd. Pas in deze hoger beroepsprocedure heeft zij een andere advocaat die namens de moeder deze beschuldiging(en) richting de vader heeft geuit. Het hof merkt daarbij op dat in de onderscheiden processtukken en ook op de zitting in hoger beroep door de advocaat buitengewoon forse beschuldigingen richting de vader worden geuit. De vader wordt bij herhaling als “de pleger” geduid. Deze beschuldigingen zijn niet in het belang van [de minderjarige] .
5.4
De moeder stelt in haar tweede grief dat de rechtbank ten onrechte [de minderjarige] niet in de gelegenheid heeft gesteld om door de rechter te worden gehoord. Volgens de vader heeft de rechtbank het horen van [de minderjarige] terecht achterwege gelaten omdat [de minderjarige] te jong is om over deze procedure te worden gehoord. Het hof oordeelt als volgt. In artikel 809 Rv Pro is het hoorrecht van minderjarigen in familierechtelijke procedures geregeld. Tot voor kort werden in de regel in dergelijke procedures kinderen vanaf twaalf jaar in de gelegenheid gesteld hun mening aan de rechter te geven. Nu wordt die gelegenheid aan kinderen vanaf de leeftijd van acht jaar geboden. De rechter kan van die leeftijdsgrens in bijzondere gevallen afwijken. Het hof ziet echter in dit geval geen reden om [de minderjarige] , die nog maar kort geleden zijn zesde verjaardag vierde, te belasten met de tussen zijn ouders lopende procedures.
5.5
De derde, vierde en vijfde grief worden door de moeder gezamenlijk toegelicht en komen erop neer dat het volgens haar de intentie van de ouders in 2023 was dat zij zich definitief met [de minderjarige] in België zou vestigen, dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar zou zijn en dat [de minderjarige] een omgangsregeling met de vader zou hebben. Volgens de moeder hebben partijen nooit voor ogen gehad dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vader zou hebben, in Nederland naar school zou gaan en dat de ouders een co-ouderschapsregeling wensten. Volgens haar mag zij niet gehouden worden aan de inhoud van de in 3.2 genoemde TPA, omdat zij die overeenkomst onder dwang van de vader heeft ondertekend.
De vader betwist de stellingen van de moeder. Volgens hem was het de bedoeling dat [de minderjarige] tijdelijk met de moeder in België zou verblijven omdat de moeder op dat moment geen passende woning in de buurt kon vinden, dat [de minderjarige] vóór zijn vierde levensjaar weer in Nederland zou gaan wonen en hier ook naar school zou gaan. Omdat de moeder een baan had en hij thuis was, heeft hij altijd een groot aandeel gehad in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
Het hof oordeelt als volgt. In de TPA is, voor zover hier van belang, te lezen:
“(…)
The Partners agree to establish themselves as equal parents of [de minderjarige] .
The Partners agree that [de minderjarige] will temporarily reside in Belgium at the [adres] in [woonplaats1] , Belgium. This due to the nature of the housing situation and the schooling situation in the Netherlands. It being very difficult to establish a healthy life for [de minderjarige] in the current situation. Because of the beforementioned reason [de minderjarige] will temporarily live in Belgium.
(…)”.
If either of the parties fail in fulfilling their part of the agreement legal action will be taken to ensure the safe
return of [de minderjarige] to the Netherlands. And the situation will be evaluated by the Buurtteam and Legal representatives on the matter.”
De moeder heeft haar stelling dat zij de TPA onder dwang van de vader heeft ondertekend, niet onderbouwd. Uit niets blijkt dat die overeenkomst onder druk van de vader tot stand is gekomen. Het hof passeert derhalve deze stelling.
Uit genoemde TPA blijkt dat de ouders elkaar als gelijkwaardige ouders zien, waarin naar het oordeel van het hof de wens van co-ouderschap kan worden gelezen, en ook dat het de bedoeling van de ouders was dat het verblijf van [de minderjarige] in België een tijdelijke oplossing was, ingegeven door de omstandigheid dat de moeder na het uiteengaan in België sneller woonruimte kon vinden. Uit het geheel van de overeenkomst volgt dat het de bedoeling van de ouders was dat zij een oplossing troffen voor een beperkte termijn, waarbij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland bleef, zodat voor de hand ligt dat hij ook in Nederland naar school zal gaan. Naar het oordeel van het hof is ook overigens niet gebleken dat het de intentie van de ouders was dat de moeder zich definitief met [de minderjarige] in België zou vestigen, in die zin dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zou zijn en dat [de minderjarige] een omgangsregeling met de vader zou hebben. Derhalve falen ook deze drie grieven voor zover daarin anders wordt betoogd.
5.6
Het hof heeft in hoger beroep kennis genomen van de (in haar grief 4-II) door de moeder genoemde transcripties, gezien de herstelfunctie van het hoger beroep. De transcripties leiden echter niet tot een andere beoordeling door het hof.
5.7
In haar grief 5-II stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte de verhuiscriteria heeft toegepast, omdat zij eigenlijk heeft bedoeld te verzoeken om de feitelijke situatie, te weten het verblijf van [de minderjarige] in België, te bestendigen.
Zoals het hof hiervoor heeft geoordeeld, blijkt uit de TPA dat partijen hebben afgesproken dat [de minderjarige] tijdelijk in België zou verblijven. Omdat de moeder die tijdelijke situatie blijkbaar definitief wilde maken kwam de rechtbank toe aan de in dergelijke situaties gebruikelijke beoordeling van de verhuiscriteria. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze die criteria heeft beoordeeld en op dit punt juist heeft beslist.
5.8
De zesde grief van moeder komt er – kort samengevat – op neer dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de verhuizing naar Nederland en de hoofdverblijfplaats bij de vader in het belang van [de minderjarige] zijn. De grief komt er op neer dat de moeder een andere visie op die belangen heeft. Het hof is van oordeel dat de rechtbank het belang van [de minderjarige] op juiste wijze heeft gewogen. Uit de stukken en wat op de zitting in hoger beroep is gezegd is gebleken dat het naar omstandigheden goed gaat met [de minderjarige] in de huidige situatie bij de vader in [woonplaats2] , waar hij de eerste jaren van zijn leven heeft gewoond en waar hij is geworteld. De vader is in staat gebleken om dagelijks te zorgen voor [de minderjarige] , om te regelen dat [de minderjarige] in [woonplaats2] naar school kan en ook regelmatig contact kan hebben met de moeder en met zijn halfzusje in België. In verband met dit contact merkt ook het hof op dat aan de hechtingsrelatie van [de minderjarige] met de vader meer gewicht moet worden toegekend dan aan die met zijn halfzusje. Nu de ouders in de TPA bovendien zijn overeengekomen dat [de minderjarige] uiteindelijk weer zou gaan wonen en naar school zou gaan in Nederland, acht het hof het in het belang van [de minderjarige] , met wie het -zoals hiervoor al overwogen- in de huidige situatie in [woonplaats2] goed gaat en de moeder in België woont, dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader in Nederland is en dat dit dus zo blijft.
5.9
In haar zevende grief stelt de moeder dat [de minderjarige] , als gevolg van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling in combinatie met de afwijkende schoolvakanties en feestdagen in België, slechts beperkt contact met haar en met zijn halfzusje kan hebben. Zij wil de zorgregeling uitbreiden. De vader wil handhaving van de huidige regeling maar hij staat wel open voor het maken van nadere afspraken op incidentele basis over de zorgregeling.
Het hof acht het niet in het belang van [de minderjarige] dat er nu al weer een andere zorgregeling gaat komen. Het is goed voor [de minderjarige] dat ouders er eerst voor gaan zorgen dat de huidige regeling in alle opzichten correct wordt nagekomen en goed gaat verlopen, waardoor de gewenste duidelijkheid voor [de minderjarige] ontstaat.
5.1
Naar het oordeel van het hof faalt ook de achtste grief van de moeder, waarin zij stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de financiële afspraken tussen partijen niet meer zouden gelden als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader zou zijn. Het hof gaat ervan uit dat de vader, volgens zijn, door de moeder niet betwiste verklaring, heeft voldaan aan al zijn financiële verplichtingen op grond van de beschikking van de rechtbank van 28 juni 2024. De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is bij de vader, die enerzijds alle kosten voor [de minderjarige] draagt en anderzijds in aanmerking komt voor kinderbijslag en kindgebonden budget. De moeder heeft niet concreet gesteld aan welke financiële verplichtingen de vader in die situatie daarnaast aan haar zou moeten voldoen.
5.11
Het hof volgt de moeder niet in haar negende grief waarin zij stelt dat de rechtbank haar fundamentele rechten heeft geschonden, zoals haar recht op een eerlijk proces, hoor en wederhoor, gelijke behandeling , bescherming, privacy en family live. De door de moeder in dit verband genoemd argumenten – die zij onvoldoende concreet heeft ingevuld – kunnen naar het oordeel van het hof niet tot die conclusie leiden. Het hof leest namelijk in de bestreden beschikking, anders dan de moeder stelt, geen verwijt dat zij een kind heeft gekregen met haar huidige partner, maar dat de rechtbank in dit verband heeft meegewogen dat de moeder de keuze heeft gemaakt om in België te blijven wonen omdat haar nieuwe partner België niet wilde verlaten. Dat de taalproblemen van de moeder oorzaak zouden zijn van haar wisselende verklaringen op de vraag of [de minderjarige] met haar, en in dat geval dus zonder vooraf gekregen toestemming van de gezaghebbende vader, naar Italië zou zijn gereisd maakt het oordeel over deze grief niet anders. De moeder heeft immers gebruik gemaakt van haar recht om zich tijdens de desbetreffende zitting bij de rechtbank te laten bijstaan door een tolk in de Italiaanse taal, dus gaat het hof er van uit dat de moeder heeft kunnen begrijpen wat aan de orde was. Dat de rechtbank bij dit alles volgens de moeder geen rekening heeft gehouden met intieme terreur kan de moeder ook niet baten, omdat zij voorafgaand en tijdens de procedure bij de rechtbank op geen enkel moment – maar pas in deze hoger beroepsprocedure – heeft gesteld dat volgens haar tijdens de relatie van intieme terreur sprake is geweest. Het hof verwijst in dit verband ook naar hetgeen in rechtsoverweging 5.3 is overwogen.
5.12
In haar tiende grief stelt de moeder dat de rechtbank haar verzoeken ten onrechte heeft afgewezen en heeft bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader is.
Volgens de moeder heeft de rechtbank beslist op basis van onjuistheden, aannames, onvoldoende informatie en onzorgvuldig raadsonderzoek, waarbij geen rekening is gehouden met intieme terreur. Ook deze grief faalt naar het oordeel van het hof. De grief is gebaseerd op een aantal niet onderbouwde en niet verifieerbare stellingen, zoals de eerder genoemde stelling in hoger beroep dat er sprake is (geweest) van intieme terreur. Kortheidshalve verwijst het hof ook hier naar zijn rechtsoverweging 5.3. Ook de overige argumenten zijn door de moeder, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vader, niet voldoende geconcretiseerd en niet aannemelijk gemaakt.
5.13
Uit al het voorgaande, mede gelet op het advies van de raad op de zitting, volgt dat de grieven van de moeder falen. Het hof komt daarom toe aan het subsidiaire verzoek van de moeder om, specifiek gericht op intieme terreur, een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810-a Rv te verrichten. Het hof wijst dit verzoek van de moeder af. Zoals in rechtsoverweging 5.3 is overwogen zijn er naar het oordeel van het hof geen objectief verifieerbare aanwijzingen voor intieme terreur. De raad heeft uitgebreid gerapporteerd op basis van twee onderzoeken en heeft ter zitting in het licht van het rapport concreet gereageerd op de stellingen omtrent de intieme terreur. De moeder heeft haar stelling dat de raad daarbij onzorgvuldig te werk is gegaan niet dan wel onvoldoende onderbouwd.
5.14
Vervolgens komt het hof toe aan het meer subsidiaire verzoek van de moeder om op grond van artikel 1:250 BW Pro een bijzondere curator te benoemen, die, gelet op huiselijk geweld/een geweldspatroon, kan onderzoeken wat in het belang van [de minderjarige] is. Dit verzoek van de moeder wordt eveneens afgewezen. Ook dit verzoek wordt namelijk in de kern enkel en alleen gebaseerd op huiselijk geweld/een geweldspatroon (intieme terreur) waarover het hof hiervoor al heeft geoordeeld dat het bestaan ervan niet is komen vaststaan.
5.15
De vader heeft in incidenteel hoger beroep verzocht om te bepalen dat de moeder het vervoer van [de minderjarige] in het kader van de zorgregeling van en naar België verzorgt. Volgens de vader past dit in de situatie, waarin de moeder ervoor heeft gekozen om in België te gaan wonen. Bovendien heeft hij geen rijbewijs, waardoor het reizen voor hem lastig is.
De moeder heeft verweer gevoerd en gevraagd dat verzoek af te wijzen.
Het hof is van oordeel dat een regeling waarbij de ouders het halen en brengen gelijkelijk verdelen, in de praktijk vaak wordt toegepast en ook hier het meest eerlijk voorkomt. De moeder zou bij de door de vader verzochte regeling onnodig extra worden belast. Het hof verwacht dat de vader zijn aandeel in het vervoer, al dan niet met hulp van derden, verzorgt.
5.16
Uit al het voorgaande volgt dat alle grieven, zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep, falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en de overige verzoeken afwijzen.
De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 juli 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, A.E.F. Hillen en M.L. van der Bel, in tegenwoordigheid van G.E.M. Bours als griffier, en is op 21 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.