Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2382

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
200.361.159/01 en 200.361.159/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 PwArt. 62a PwArt. 62b PwArt. 62e lid 2 PwArt. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bijstandsverhaal kinderalimentatieverplichting niet toewijsbaar

De man en de gemeente Westerwolde zijn in geschil over het verhaal van bijstandskosten op de man vanwege zijn onderhoudsplicht voor zijn minderjarige kinderen. De rechtbank had een verhaalsbijdrage vastgesteld, maar de man ging in hoger beroep met meerdere grieven, waaronder schending van het recht op hoor en wederhoor en onjuiste vaststelling van de verhaalsbijdrage.

Het hof oordeelt dat de man zijn kinderalimentatieverplichting, zoals vastgesteld in een beschikking van 17 maart 2020, steeds is nagekomen. De gemeente kan daarom geen verhaal instellen op grond van artikel 62, aanhef en onder a Pw, dat vereist dat de onderhoudsplicht niet of niet behoorlijk wordt nagekomen. Ook een beroep op artikel 62e lid 2 Pw, dat een afwijking van een rechterlijke uitspraak mogelijk maakt, faalt omdat de gemeente onvoldoende feiten heeft gesteld die een wijziging van de onderhoudsbijdrage rechtvaardigen.

De klachten over het ontbreken van een mondelinge behandeling worden verworpen omdat de oproepingsbrief voldeed aan de wettelijke eisen. De eerdere kennelijke schrijffout in de verhaalsbijdrage is gecorrigeerd. Het hof verklaart het schorsingsverzoek van de man niet-ontvankelijk en vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank, wijzend het verzoek van de gemeente af. De man heeft geen belang meer bij het indienen van aanvullende financiële stukken.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de gemeente tot bijstandsverhaal af omdat de man zijn kinderalimentatieverplichting nakomt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.361.159/01 en 200.361.159/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 244589)
beschikking van 21 april 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. R. Kertokarijo te Assen,
en
gemeente Westerwolde(de gemeente),
zetelend te Sellingen,
verweerder in hoger beroep,
gemachtigde: [naam2] .

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 augustus 2025, zoals verbeterd bij beschikking van 14 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), tevens houdende een schorsingsverzoek, ingekomen op 3 november 2025;
- een journaalbericht namens de man van 17 november 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 21 november 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 28 november 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 3 december 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift;
- een e-mail namens de gemeente van 10 december 2025, waarbij een volmacht is overgelegd van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde aan [naam2] om haar bij het hof te vertegenwoordigen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2025 plaatsgevonden. De man is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de gemeente is [naam2] verschenen.
2.3
De griffier van het hof heeft partijen na de zitting in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie in te dienen over de grondslag van het verzoek van de gemeente, en heeft partijen na ontvangst van die reacties in de gelegenheid gesteld om nog op elkaars reactie te reageren. Het hof heeft in verband hiermee de volgende stukken ontvangen:
- een journaalbericht namens de man van 12 februari 2026 met bijlage(n);
- een brief van de gemeente van 12 februari 2026;
- een journaalbericht namens de man van 9 maart 2026 met bijlage(n);
- een brief van de gemeente van 10 maart 2026.

3.De feiten

3.1
De man heeft een relatie gehad met [naam1] (hierna ook: de vrouw). Zij zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2009;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2012;
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2014.
De man heeft de kinderen erkend. De kinderen wonen bij de vrouw.
3.2
Bij beschikking van de rechtbank van 17 maart 2020 heeft de rechtbank – conform de overeenstemming die partijen daarover hadden bereikt – bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2020 aan de vrouw een bijdrage betaalt in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 87,- per kind per maand.
3.3
In de periode van 26 november 2024 tot 1 november 2025 heeft de gemeente aan de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) verstrekt naar de norm voor een alleenstaande ouder, onder korting van de kinderalimentatie die de man aan de vrouw betaalt van € 258,- per maand.
3.4
De gemeente heeft de man bij brief van 6 januari 2025 laten weten dat zij de aan de vrouw verstrekte bijstand op de man wil verhalen tot de grens van zijn onderhoudsplicht voor de kinderen. Aan de man is meegedeeld dat onderzocht moet worden wat hij als onderhoudsplichtige ouder kan voldoen en hij is in de gelegenheid gesteld om de gemeente daarover te informeren. Op 25 februari 2025 is een herinnering verzonden. De man heeft niet gereageerd.
3.5
De gemeente heeft bij besluit van 3 maart 2025 bepaald dat de aan de vrouw verstrekte bijstand met ingang van 6 januari 2025 tot de behoeftegrens van € 805,- per maand op de man zal worden verhaald. De man heeft op 5 maart 2025 per e-mail aan de gemeente laten weten dat hij iedere maand een bijdrage betaalt voor de kinderen die is vastgelegd in een convenant en is bekrachtigd door de rechter. Ook nadat op 6 mei 2025 een betalingsherinnering was verstuurd, heeft de man geweigerd enig bedrag aan de gemeente te voldoen.
3.6
De gemeente heeft daarom, bij inleidend verzoekschrift binnengekomen op 14 mei 2025 en bij aanvullend verzoek binnengekomen op 31 juli 2025, verzoeken bij de rechtbank ingediend strekkende tot vaststelling van het verhaalsbedrag met ingang van 6 januari 2025.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – herstelde bestreden beschikking, heeft de rechtbank:
- de door de man ten behoeve van de kinderen verschuldigde verhaalsbijdrage
vastgesteld op € 3.895,16 over de periode vanaf 6 januari 2025 tot en met 31 mei 2025;
  • de door de man ten behoeve van de kinderen verschuldigde verhaalsbijdrage met ingang van 1 juni 2025 vastgesteld op € 805,- per maand;
  • de man veroordeeld tot betaling terstond en ineens van € 3.895,16 zijnde de verschuldigde verhaalsbijdrage over de periode vanaf 6 januari 2025 tot en met 31 mei 2025;
  • de man veroordeeld tot betaling van het verhaalsbedrag van € 805,- per maand ingaande 1 juni 2025 zolang de bijstandsverstrekking zal voortduren.
4.2
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen en, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de gemeente tot het vaststellen van een verhaalsbijdrage in hoger beroep alsnog af te wijzen, dan wel een verhaalsbijdrage vast te stellen die het hof juist acht en met ingang van een datum die het hof juist acht.
4.3
De gemeente voert verweer en verzoekt het hoger beroep van de man ongegrond te verklaren. Daarnaast heeft de gemeente haar verzoek gewijzigd. De gemeente verzoekt, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
- de verhaalsbijdrage die de man over de periode van 6 januari 2025 tot
1 november 2025 aan de gemeente moet voldoen (voorlopig) vast te stellen op € 3.275,35;
- de man op te dragen zijn definitieve jaarcijfers 2025 vóór 31 mei 2026 over te leggen, zodat het college de definitieve verhaalsbijdrage 2025 conform de wettelijke methode kan vaststellen.

5.De motivering van de beslissing

Het schorsingsverzoek
5.1
Namens de man is ter zitting het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking ingetrokken, nadat de gemeente had aangegeven niet tot executie over te gaan in afwachting van de beschikking van het hof. Het hof maakt hieruit op dat de man de gronden van het schorsingsverzoek niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn schorsingsverzoek.
De hoofdzaak
Het recht op hoor en wederhoor in eerste aanleg (grief 1)
5.1
De man stelt zich op het standpunt dat zijn recht op hoor en wederhoor in eerste aanleg is geschonden, omdat voor hem niet duidelijk was dat als hij geen verweerschrift zou indienen er ook geen mondelinge behandeling zou worden gehouden. De man stelt dat hij ervan uitging dat hij zijn standpunt op een mondelinge behandeling nog zou kunnen toelichten.
5.2
Op grond van artikel 801 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een mondelinge behandeling in een zaak als deze achterwege blijven als binnen de verleende verweertermijn geen verweerschrift is ingediend. Dat moet dan op grond van artikel 801 lid 2 Rv Pro in de oproepingsbrief worden vermeld en ook moet in de oproepingsbrief vermeld staan dat indiening van een verweerschrift slechts kan geschieden door een advocaat. Uit de overgelegde oproepingsbrief blijkt dat aan die voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat de rechtbank een mondelinge behandeling achterwege mocht laten en dat het recht op hoor en wederhoor van de man niet is geschonden. De eerste grief slaagt daarom niet.
Kennelijke schrijffout in de bestreden beschikking (grief 2)
5.3
Bij behandeling van de tweede grief, waarin de man naar voren brengt dat de rechtbank een kennelijke schrijffout heeft gemaakt door de verhaalsbijdrage over de periode van 6 januari 2025 tot en met 31 mei 2025 te bepalen op een bedrag van € 3.895,16 per maand, heeft hij geen belang meer. Vast staat immers dat de bestreden beschikking bij de herstelbeschikking van 14 november 2025 is verbeterd, in die zin dat de verhaalsbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 3.895,16 voor die hele periode, zoals de man heeft verzocht.
De verhaalsbijdrage (grieven 3 en 4)
5.4
In de grieven 3 en 4 komt de man op tegen de in de bestreden beschikking vastgestelde verhaalsbijdrage(n) van € 805,- per maand en de veroordeling(en) tot betaling daarvan. De man stelt onvoldoende draagkracht te hebben om deze bedragen te kunnen voldoen. De man stelt verder dat hij het bedrag aan kinderalimentatie, zoals vastgelegd in de beschikking van 17 maart 2020, steeds is blijven betalen.
De grondslag voor de verhaalsbijdrage
5.5
Het hof ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of het verzoek van de gemeente van een juiste juridische en feitelijke grondslag is voorzien. Het hof dient dat ambtshalve te beoordelen en zal de door de man op dit punt in zijn reactie van 12 februari 2026 opgeworpen grief, waartegen de gemeente bezwaar heeft gemaakt, vanwege het late stadium waarin deze is opgeworpen niet toelaten en de wijziging van het petitum van de man buiten beschouwing laten.
5.6
Uit het verhaalsbesluit blijkt dat de gemeente artikel 62, aanhef en onder a Pw aan het verhaalsbesluit ten grondslag heeft gelegd en dat artikel wordt ook in het inleidend verzoekschrift genoemd.
5.7
Op grond van artikel 62, aanhef en onder a Pw kunnen de kosten van bijstand worden verhaald op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht voor zijn minderjarige kinderen niet of niet behoorlijk nakomt, tot de grens van die onderhoudsplicht.
5.8
Vast staat dat bij beschikking van 17 maart 2020 – conform de overeenstemming die partijen daarover hadden bereikt – een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is vastgesteld van € 87,- per kind per maand. Hoewel de gemeente in het inleidend verzoek heeft gesteld dat de man zijn onderhoudsverplichting niet nakomt, heeft de vertegenwoordiger van de gemeente ter zitting bevestigd dat niet meer ter discussie staat dat de man over de periode van het bijstandsverhaal maandelijks de door hem op grond van de beschikking van 17 maart 2020 verschuldigde onderhoudsbijdrage voor de kinderen van € 258,- per maand aan de vrouw heeft voldaan, welk bedrag op de bijstandsuitkering van de vrouw is gekort. Dat betekent dat niet aan de voorwaarden van artikel 62, aanhef en onder a Pw is voldaan. De gemeente kan de kosten van bijstand immers op grond van dat artikel alleen op de man verhalen als hij zijn onderhoudsplicht niet of niet behoorlijk nakomt. De man betaalde echter, zo staat vast, de overeengekomen en opgelegde onderhoudsbijdrage. Een verhaal op grond van artikel 62b onder 1 Pw (verhaal vanwege niet-nakoming van een rechterlijke uitspraak) is daarom evenmin aan de orde.
5.9
Voor zover de gemeente vindt dat de man op basis van zijn inkomen een hogere onderhoudsbijdrage voor de kinderen kan voldoen, en dus een hoger bedrag op hem kan worden verhaald, had de gemeente artikel 62e lid 2 Pw ten grondslag moeten leggen aan haar verzoek. Op grond van artikel 62e lid 2 Pw kan de gemeente aan de rechter verzoeken om een verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud nader vast te stellen, indien de rechter:
a. deze uitspraak zou kunnen wijzigen op de gronden genoemd in artikel 1:401 BW Pro;
b. geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen.
5.1
Dat heeft de gemeente echter niet gedaan. In haar reactie van 12 februari 2026 stelt de gemeente dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat bedoeld is om artikel 62e lid 2 Pw ten grondslag te leggen aan het verzoek. De gemeente verzoekt het hof om het verzoekschrift te lezen als zijnde gebaseerd op artikel 62e lid 2 Pw en de juridische grondslag hiermee als hersteld te beschouwen.
5.11
Los van de vraag of de gemeente de grondslag van haar verzoek in dit stadium van de procedure nog zou kunnen wijzigen, heeft de gemeente naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld ter onderbouwing van een verzoek op grond van artikel 62e lid 2 Pw. De gemeente heeft niet gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW Pro die wijziging van de beschikking van 17 maart 2020 zou kunnen rechtvaardigen. Evenmin heeft de gemeente gesteld dat de rechter bij de beschikking van 17 maart 2020 geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen. De gemeente heeft ook geen keuze gemaakt tussen sub a of sub b. Ten slotte heeft de gemeente geen feiten of omstandigheden genoemd die tot toepassing van artikel 62e lid 2 Pw kunnen leiden. Omdat de feiten die nodig zijn voor een (geslaagd) beroep op artikel 62e lid 2 Pw ontbreken, kan het hof de rechtsgronden niet aanvullen, zoals de gemeente heeft bepleit.
5.12
Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het verzoek van de gemeente noch op grond van artikel 62a, aanhef en onder a Pw, noch op grond van artikel 62b Pw, noch op grond van artikel 62e lid 2 Pw voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen en het inleidend verzoek van de gemeente alsnog afwijzen.
5.13
Voor zover de man heeft verzocht om nog financiële stukken in het geding te mogen brengen, heeft hij geen belang meer bij dat verzoek.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in zaaknummer 200.361.159/02:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
in zaaknummer 200.361.159/01:
vernietigt de (herstelde) beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 5 augustus 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het inleidend verzoek van de gemeente af;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. A.P. de Jong-de Goede en mr. E. Leentjes, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 21 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.