ECLI:NL:GHARL:2026:239

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
23/1506 t/m 23/1507
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet betalen griffierecht afgewezen

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf van belasting op personenauto’s en motorrijtuigen. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond en kende een immateriële schadevergoeding, proceskosten en griffierecht toe. Belanghebbende stelde hoger beroep in, maar dit werd door het Hof kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.

Belanghebbende tekende verzet aan tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en voerde aan dat het heffen van griffierecht in strijd zou zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 47 en Pro 52, en het evenredigheidsbeginsel. Het Hof oordeelde dat het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1579) duidelijk maakt dat het niet betalen van griffierecht zonder beroep op betalingsonmacht leidt tot niet-ontvankelijkheid.

Het Hof wees het verzet af en oordeelde dat het heffen van griffierecht de toegang tot de rechter niet ontnam, mede omdat er mogelijkheden zijn om betalingsonmacht aan te voeren. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet betaling van griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/1506 en 23/1507
uitspraakdatum: 13 januari 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het verzet van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 28 november 2023 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 mei 2023, nummers AWB 19/5570 en 19/5572, in het geding tussen belanghebbende
en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale administratieve processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft op 10 september 2019 uitspraken gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van verzoeken om teruggaaf in de belasting van personenauto’s en motorrijtuigen.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 1 mei 2023 ongegrond verklaard en vergoedingen toegekend voor immateriële schade (€ 2.500), proceskosten (€ 1.046,25) en griffierecht (€ 348).
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 28 november 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het ter zake van het ingestelde hoger beroep verschuldigde griffierecht niet is betaald.
1.4.
Belanghebbende heeft op 10 januari 2024 tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend.
1.5.
Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 16 december 2025 te Arnhem. Ter zitting is gehoord A.F.M.J. Verhoeven als gemachtigde van belanghebbende.

2.Gronden van het verzet

2.1.
Belanghebbende heeft in het verzetschrift en ter zitting van het Hof het volgende aangevoerd.
2.2.
Volgens belanghebbende had het Hof, gelet op artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), het hoger beroep niet kennelijk niet-ontvankelijk mogen verklaren wegens het niet betalen van het griffierecht. Belanghebbende stelt daartoe dat het ontbreekt aan de in gevolge artikel 8:54 van Pro de Awb vereiste kennelijkheid. Daarnaast stelt belanghebbende dat het heffen van griffierecht op straffe van verval van recht niet voldoet aan de wettelijke verplichting zoals bedoeld in artikel 52 van Pro het Handvest en dat het heffen van griffierecht vooraf niet voldoet aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
2.3.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet.

3.Beoordeling van het verzet

3.1.
De gronden van het verzet treffen naar het oordeel van het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, geen doel. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
‘3.1.3 (…) Uit het arrest Kantarev (
Hof: Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018, N. Kantarev, C571/16, ECLI:EU:C:2018:807), kan niet als algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4 procent van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Evenmin volgt uit dat arrest dat altijd een vermindering of ontheffing van griffierecht moet worden verleend wanneer het (financiële) belang van de zaak gering is. Of het griffierecht de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan particulieren toegekende rechten praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en daarom in strijd is met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de hoogte van het verschuldigde recht al dan niet een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt en of er ontheffingsmogelijkheden bestaan (vgl. punten 134 en 135 van het arrest Kantarev).
3.1.4.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699). Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het in het arrest Kantarev bedoelde Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.’
3.2.
Nu belanghebbende het naar Nederlands recht voor het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan en geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht, is zij met betrekking tot het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Anders dan belanghebbende bepleit, ziet het Hof, gelet op het genoemde arrest van de Hoge Raad, geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het verzet van belanghebbende ongegrond.

4.Immateriële schadevergoeding

4.1.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep.
4.2.
Een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep brengt mee dat het Hof ook geen uitspraak behoeft te doen op het verzoek om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dat is slechts anders in het geval waarin het Hof uitspraak doet nadat sinds het instellen van het hoger beroep meer dan twee jaar zijn verstreken (vgl. HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712; HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1516). In de genoemde termijn van twee jaar is tevens de duur van een verzetprocedure begrepen (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).
4.3.
Het hogerberoepschrift van belanghebbende is op 5 juni 2023 bij het Hof binnengekomen. De uitspraak van het Hof op het verzet van belanghebbende wordt heden gedaan. De redelijke termijn voor het hoger beroep bedraagt in dit geval twee jaar, zodat die termijn met afgerond acht maanden is overschreden. Nu het financieel belang in onderhavige procedure evenwel minder dan € 1.000 bedraagt, zal worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3).
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het verzet van belanghebbende ongegrond.

5.Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het verzet ongegrond,
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Harthoorn, voorzitter, mr. T.H.J. Verhagen en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (M. Harthoorn)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.