Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2394

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
200.353.868
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:129 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging mondelinge geldleningsovereenkomst en terugbetalingsverplichting van €9.000

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of sprake is van een mondelinge geldleningsovereenkomst tussen broer en zus waarbij appellant gehouden is €9.000 terug te betalen aan geïntimeerde. Geïntimeerde heeft meerdere bedragen overgemaakt zonder schriftelijke afspraken, maar met Whatsapp-berichten waarin sprake is van een lening en terugbetalingsafspraken. Appellant betwist dat het om een lening gaat en stelt dat het geld bedoeld was voor investeringen in cryptocurrency.

De kantonrechter heeft de vordering van geïntimeerde toegewezen en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof acht het verweer van appellant niet geloofwaardig, mede vanwege de inhoud van de Whatsapp-berichten waarin appellant zelf spreekt over een lening en betalingsregelingen. Er is onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake is van een geldleningsovereenkomst.

Het hof oordeelt dat de vordering op 26 april 2024 opeisbaar is geworden en dat appellant vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is. Het hoger beroep wordt verworpen en appellant wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bevestigt de geldleningsovereenkomst en veroordeelt appellant tot terugbetaling van €9.000 met wettelijke rente vanaf 26 april 2024.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.353.868/02
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 11263310
arrest van 21 april 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. W.G.A. van Hoogstraten
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. A. Dogan

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 21 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2.
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
1.3.
Vervolgens heeft het hof datum voor arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] heeft meerdere bedragen overgemaakt naar het rekeningnummer van [appellant] . In totaal gaat het om een bedrag van € 9.000,-. [geïntimeerde] stelt dat het geld is overgemaakt naar [appellant] op basis van een mondelinge geldleningsovereenkomst op grond waarvan zij terugbetaling wenst. [appellant] betwist dat sprake is van een geldleningsovereenkomst en stelt dat de bedragen door [geïntimeerde] zijn overgemaakt in het kader van investeringen in cryptocurrency.
Het geschil bij de kantonrechter
2.2.
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 9.000,-, aan [geïntimeerde] , met nevenvorderingen. Aan haar vorderingen heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat (primair) sprake is van een mondelinge geldleningsovereenkomst, althans (subsidiair) van een onverschuldigde betaling.
2.3.
De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] op grond van de primaire grondslag toegewezen. Volgens de kantonrechter wijzen de overgelegde stukken alleen op een geldlening van [geïntimeerde] aan [appellant] . De vordering van [geïntimeerde] is volgens de kantonrechter op 26 april 2024 opeisbaar geworden en is [appellant] vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Het geschil in hoger beroep
2.4.
Met vier klachten (grieven) is [appellant] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de kantonrechter. Volgens hem heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een overeenkomst van geldlening.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Het hof zal beslissen dat sprake is van een mondelinge geldleningsovereenkomst tussen partijen en dat [appellant] op grond daarvan gehouden is de aan hem uitgeleende € 9.000,- terug te betalen aan [geïntimeerde] . Hierna wordt uitgelegd hoe het hof tot dat oordeel is gekomen.
De relevante feiten
3.2.
[appellant] en [geïntimeerde] zijn broer en zus. [geïntimeerde] heeft midden 2022 een aantal bedragen overgemaakt naar het rekeningnummer van [appellant] . Het gaat in totaal om een bedrag van € 9.000,-. Er zijn geen schriftelijke afspraken gemaakt over de overgemaakte bedragen.
3.3.
Via Whatsapp berichten hebben [geïntimeerde] en [appellant] meerdere malen met elkaar gesproken over de betalingen van [geïntimeerde] aan [appellant] . Zij hebben geprobeerd nadere afspraken te maken over de terugbetaling, maar zijn daarover niet tot overeenstemming gekomen.
3.4.
Op 14 maart 2024 heeft mr. Dogan namens [geïntimeerde] een ingebrekestelling gestuurd naar [appellant] met het verzoek binnen 21 dagen tot terugbetaling van € 9.000,- aan [geïntimeerde] over te gaan.
3.5.
Naar aanleiding van de ingebrekestelling hebben partijen gecorrespondeerd over het eventueel treffen van een betalingsregeling. Dit heeft tot niets geleid. [geïntimeerde] zag zich dan ook genoodzaakt om een procedure te starten bij de kantonrechter.
Er is sprake van een geldleningsovereenkomst
3.6.
Het is in deze zaak de vraag of partijen een overeenkomst van geldlening voor een bedrag van in totaal € 9.000,- zijn overeengekomen, op grond waarvan [appellant] dat bedrag moet terugbetalen aan [geïntimeerde] .
3.7.
In artikel 7:129 lid 1 BW Pro is bepaald dat de overeenkomst van geldlening de kredietovereenkomst is waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Een overeenkomst van geldlening kan ook mondeling gesloten worden.
3.8.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] een bedrag van € 9.000,- heeft overgemaakt naar de bankrekening van [appellant] en dat [appellant] dat bedrag ook daadwerkelijk heeft ontvangen. De vraag is of partijen hebben afgesproken dat [appellant] dat bedrag aan [geïntimeerde] moet terugbetalen. Het antwoord op die vraag is een kwestie van uitleg, waarbij ook medebepalend kan zijn de omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een rechtshandeling (dat is hier de overmaking van de geldbedragen) is verricht. [1]
3.9.
Op [geïntimeerde] rust de bewijslast dat zij geld heeft geleend aan [appellant] . Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van een geldleningsovereenkomst. Hiervoor heeft [geïntimeerde] het volgende aangevoerd. Volgens [geïntimeerde] is vanwege de familieverhoudingen tussen partijen de lening nooit schriftelijk vastgelegd. Op verzoek van [appellant] heeft [geïntimeerde] het geld uitgeleend aan hem omdat hij schulden had bij anderen die hij niet kon terugbetalen vanwege door hem gedane investeringen die niet goed zijn verlopen, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] beroept zich hierbij hoofdzakelijk op de door haar overgelegde Whatsapp gesprekken tussen haar en [appellant] . In deze gesprekken heeft [appellant] het telkens over een ‘lening’. Daarnaast kan volgens [geïntimeerde] uit de gesprekken worden afgeleid dat partijen hebben afgesproken dat [appellant] het bedrag zou terugbetalen. Het gaat, voor zover van belang, om de volgende berichten:
“[01-12-2023 20:30:45] Broer: (…). Je weet dat ik alles doe om het geld terug te krijgen daarom ben ik fk hard bezig.”
“[11-12-2023 14:02:06] Hey, k zou t heel erg waarderen als r alvast een deel terug zou komen deze maand.”
“[11-12-2023 14:08:36] Broer: Ik had al met je afgesproken dat ik pas vanaf volgend jaar in delen kan betalen. Want ik heb nu nog betalingsregelingen die ik moet betalen. Nu heb ik zelf ook niks.”
Daarna, in het begin van 2024, heeft [geïntimeerde] een aantal malen gezegd dat zij het geleende geld in delen terug wil zien. Zij wil sowieso € 8.500 terug. Vervolgens doet hij op 2 februari 2024 ook een betalingsvoorstel door bijvoorbeeld elk jaar € 1.000 over te maken “totdat het bedrag is afgelost.” Op 10 februari 2024 appt [geïntimeerde] dat zij hem het geld heeft geleend met de intentie dat zij alles binnen een paar maanden terug zou krijgen van hem.
“[13-02-2024 21:07:54] Broer: Als geld voor jou nooit de issue was geweest was dit ook nooit zo’n groot probleem geweest, ik heb al meerdere keren gezegd dat ik op dit moment weinig aan dezelening[onderstreping hof]
kan doen en het spijt me. Als het aan mij lag had ik het nu geregeld maar ik ben geen god. Ik heb tot nu nog steeds geen enkel begrip van jou gezien waarom ik het nu moeilijk kan betalen namelijk.”
“[16-02-2024 11:34:59] Broer: (...) Ik moet nu minimaal fulltime werk gaan zoeken voor mijn eigen schulden (…) en voor dezelening[onderstreping hof]
… Ik zal oprecht proberen dezelening[onderstreping hof]
te betalen (1000,- p/j) maar door mijn eigen fk situatie kan ik niks beloven. (…)”
3.10.
[appellant] betwist dat hij de € 9.000,- van [geïntimeerde] heeft ontvangen als geldlening en dat hij het geld heeft aangenomen vanwege schulden bij anderen. Volgens hem hebben partijen afgesproken dat hij het geld van [geïntimeerde] zou investeren met de hoop het rendement te vermeerderen, wat uiteindelijk is mislukt.
3.11.
Het hof oordeelt dat het verweer van [appellant] niet geloofwaardig is gezien de vele Whatsapp berichten, waarvan hierboven een samenvatting is gegeven. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, volgt uit de overgelegde stukken (met name de Whatsapp berichten) niet dat het geld door [geïntimeerde] is overgemaakt voor investeringen en de hoop op rendement. In de overgelegde Whatsapp gesprekken wordt door partijen niet gesproken over investeringen. Als dat zo is dan zou het voor de hand hebben gelegen dat [appellant] – als inderdaad van investeringen sprake zou zijn geweest – in de Whatsapp gesprekken zou hebben gewezen op de volgens hem daadwerkelijke reden van de ontvangst van de gelden, namelijk een investering. Bovendien rijmt de verklaring die [appellant] heeft gegeven voor het ontvangen geld niet met het feit dat hij meerdere malen heeft aangegeven te willen terugbetalen en dat hij een betalingsregeling wil treffen. [appellant] heeft verder nog aangevoerd dat hij het bedrag alleen wilde terugbetalen aan [geïntimeerde] omdat hij zich daartoe moreel verplicht voelde. Volgens hem is geen sprake van wilsovereenstemming omdat hij er niet mee heeft ingestemd dat hij het geld zou ontvangen als lening. Het hof acht ook dit niet geloofwaardig omdat het niet uit de Whatsapp gesprekken volgt. Bovendien staat dit haaks op de term ‘lening’ die [appellant] meerdere keren heeft gebruikt en de woorden die [appellant] heeft geschreven over de afspraken voor terugbetaling.
3.12.
De conclusie is dat [appellant] het bestaan van de (mondelinge) geldleningsovereenkomst onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarmee is vast komen te staan dat sprake is van een geldlening en dus ook dat sprake is van een terugbetalingsverplichting voor [appellant] . [appellant] heeft geen bezwaren gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling op 26 april 2024 opeisbaar is geworden en dat hij vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen.
De conclusie
3.13.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 21 januari 2025;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 362,- aan griffierecht
€ 912,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt x tarief I)
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, D. Visser en N.M. Brouwer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Voetnoten

1.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741.