Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2457

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.348.742/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:764 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bindend advies geschillencommissie over herstelwerkzaamheden boot

Appellant gaf geïntimeerde opdracht tot herstelwerkzaamheden aan zijn boot na een aanvaring op 7 augustus 2021. Er ontstond een geschil over de kosten en oplevering, waarna appellant de zaak voorlegde aan een geschillencommissie die op 14 december 2022 een bindend advies gaf ten gunste van geïntimeerde.

Appellant vorderde vernietiging van dit bindend advies bij de kantonrechter, die dit afwees. In hoger beroep vorderde appellant alsnog vernietiging en terugbetaling van betaalde bedragen. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat het bindend advies ernstige gebreken vertoont die vernietiging rechtvaardigen.

Het hof benadrukte dat de stelplicht en bewijslast voor vernietigingsgronden bij appellant ligt en dat bezwaren tegen het inhoudelijke oordeel van de geschillencommissie niet volstaan. Ook de door appellant aangevoerde bezwaren tegen het retentierecht en de vergoeding van stallingskosten zijn onvoldoende gemotiveerd.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde appellant tot betaling van proceskosten en verklaarde de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat het bindend advies van de geschillencommissie in stand laat.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.348.742/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 10726054
arrest van 21 april 2026
in de zaak van
[appellant]die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M. Helmantel
en
[geïntimeerde] ,die handelt onder de naam [naam]
die woont in [woonplaats2]
hierna te noemen: [geïntimeerde]
advocaat: mr. M.J. Blokzijl

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Na het arrest van 17 juni 2025, waarin een enkelvoudige mondelinge behandeling is bepaald, heeft [appellant] op 22 oktober 2025 producties in het geding gebracht, zijnde het dossier van de procedure bij de Geschillencommissie Waterrecreatie (verder de geschillencommissie). Op 27 november 2025 heeft de mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellant] heeft aan [geïntimeerde] opdracht gegeven om herstelwerkzaamheden aan zijn boot te verrichten. Die opdracht heeft geleid tot een geschil tussen partijen, dat op verzoek van [appellant] is behandeld door de geschillencommissie. Die commissie heeft op 14 december 2022 een voor [appellant] nadelige beslissing (als bindend advies) gegeven.
2.2
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd te bepalen dat het bindend advies wordt vernietigd en dat de door hem betaalde bedragen aan hem dienen te worden terugbetaald. De kantonrechter heeft die vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. [appellant] heeft bij het hof gevorderd dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Het hof laat het vonnis van de kantonrechter in stand. Dat wordt hierna toegelicht.
3.
De toelichting op de beslissing van het hofDe feiten
3.1
Het hof heeft de beslissing gebaseerd op de volgende feiten.
3.2
Als gevolg van een aanvaring is op 7 augustus 2021 schade ontstaan aan de boot van [appellant] . De schade aan de boot is op basis van een offerte van [geïntimeerde] van 11 augustus 2021 getaxeerd door een expert van TVM Verzekeringen op € 500,- aan kraankosten, € 206,61 aan stallingkosten/loodshuur en € 1.676,50 aan herstelkosten (alle bedragen exclusief btw). In de taxatie is opgenomen dat de reparateur ( [geïntimeerde] ) een offerte exclusief hellingkosten heeft gegeven, maar dat volgens de taxateur de kraankosten en loodshuur wel moeten worden opgenomen in de schadevaststelling.
3.3
[appellant] heeft [geïntimeerde] opgedragen de schade te herstellen en de boot op 3 oktober 2021 bij [geïntimeerde] gebracht om de werkzaamheden te laten uitvoeren. Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is vervolgens een geschil ontstaan over de vraag wanneer de werkzaamheden zouden worden afgerond en hoeveel dit zou kosten. [appellant] heeft in verband met dit geschil [geïntimeerde] gevraagd met de werkzaamheden te stoppen.
3.4
[geïntimeerde] heeft vervolgens aan [appellant] rekeningen gestuurd, te weten een rekening van 17 november 2021 van € 3.456,76 voor de werkzaamheden, van 10 december 2021 van € 799,96 voor stallingskosten en van 10 januari 2022 van € 700,65 voor stallingskosten en huur van een stallingstrailer. [appellant] heeft de rekeningen niet betaald.
3.5
[geïntimeerde] heeft zich op een retentierecht beroepen en geweigerd de boot aan [appellant] terug te geven zolang de rekeningen niet zijn betaald.
3.6
[appellant] heeft het geschil met [geïntimeerde] voorgelegd aan de geschillencommissie en in verband daarmee € 6.606,73 bij de geschillencommissie in depot gestort. Die storting heeft op 15 maart 2022 tot vrijgave van de boot aan [appellant] geleid.
3.7 De geschillencommissie heeft in een voorbeslissing van 22 maart 2022 een deskundige aangewezen om een onderzoek te doen naar de deugdelijkheid van de verrichte werkzaamheden, naar eventuele schade ontstaan door regen in de gangboorden (als gevolg van het buiten plaatsen van de boot door [geïntimeerde] ), een beoordeling te geven van wat [geïntimeerde] in redelijkheid in rekening mag brengen voor de verrichte werkzaamheden en over het aantal arbeidsuren en materialen dat vereist zou zijn geweest indien [geïntimeerde] de overeengekomen werkzaamheden (inclusief meerwerk) zou hebben mogen afmaken, en welke kosten zijn bespaard.
3.8
De deskundige heeft, na enkele strubbelingen over de aanwezigheid van [geïntimeerde] althans zijn advocaat bij het onderzoek, op 17 mei 2022 een rapport uitgebracht.
3.9
De geschillencommissie heeft de zaak vervolgens mondeling behandeld en op 14 december 2022 beslist dat de klachten van [appellant] ongegrond zijn en dat van het depotbedrag € 5.726,35 aan [geïntimeerde] moet worden overgemaakt, te weten € 2.956,76 voor de op 17 november 2021 in rekening gebrachte werkzaamheden, en € 799,96 en € 700,65 voor de facturen van 10 december 2021 respectievelijk10 januari 2022 voor de stallings-en huurkosten en daarnaast nog
€ 1.268,98 voor stallingskosten voor de periode vanaf 11 januari 2022 tot 19 maart 2022. De door [geïntimeerde] in rekening gebrachte rente en incassokosten hoeft [appellant] volgens de geschillencommissie niet te betalen.
De motivering van de beslissing
3.1
Het hof merkt vooraf op dat het geen acht heeft geslagen op het voor de mondelinge behandeling in het geding gebrachte dossier van de procedure bij de geschillencommissie. De reden daarvoor is dat op de mondelinge behandeling van de zijde van [appellant] niet is toegelicht welke stukken daaruit relevant zijn voor de beoordeling van zijn vorderingen is. Het is niet aan het hof om eigener beweging in die stukken op zoek te gaan naar informatie die de stellingen van [appellant] mogelijk zouden kunnen ondersteunen, met voor [geïntimeerde] processueel nadelige gevolgen waarop hij niet bedacht hoefde te zijn. Dit te minder, nu de kantonrechter mede vanwege het ontbreken van informatie uit die procedure bij de geschillencommissie, de stellingen van [appellant] over het bindend advies niet voldoende onderbouwd achtte en de memorie van grieven niet is benut om alsnog met concrete verwijzing naar dat dossier, die stellingen alsnog beter te onderbouwen.
3.11
Tussen partijen is niet in geschil dat de beslissing van de geschillencommissie een bindend advies is. Een bindend advies is vernietigbaar als dit advies door de inhoud daarvan of de manier waarop dit is tot stand gekomen zo gebrekkig is, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als partijen daaraan gebonden zouden zijn. Bij dit oordeel moet de rechter terughoudend zijn: uitsluitend ernstige gebreken kunnen aanleiding geven tot vernietiging; voor vernietiging is geen plaats als het gaat om een beslissing waarover redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen. Naarmate een bindend advies meer het karakter van rechtspraak heeft, kan dat meebrengen dat het meer of beter hoort te worden gemotiveerd.
3.12
De stelplicht en bewijslast voor de feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van een vernietigingsgrond in genoemde zin rust op [appellant] .
[appellant] heeft zijn vordering tot vernietiging van het bindend advies niet gebaseerd op gebreken in de wijze van totstandkoming van het advies, bij voorbeeld omdat is gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor of met andere fundamentele processuele regels waardoor hij is benadeeld. De bezwaren van [appellant] richten zich op het inhoudelijke oordeel van de geschillencommissie over de vergoeding van de werkzaamheden van [geïntimeerde] en de vergoeding voor kosten van stalling en huur.
3.13
In de toelichting op de grieven die [appellant] heeft aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter over de beslissing van de geschillencommissie wat betreft de vergoeding van de werkzaamheden heeft [appellant] niet voldoende onderbouwd dat en op grond waarvan sprake is van ernstige gebreken die aan het advies kleven. De enkele stelling dat sprake is van een onjuiste beslissing is daarvoor niet genoeg. Het hof licht dat toe.
3.14
Er is enige discussie over de vraag of sprake is geweest van een ontbinding van de overeenkomst of van opzegging door [appellant] : het hof begrijpt het advies zo dat de geschillencommissie is uitgegaan van het laatste. Die heeft, kennelijk met het oog op de systematiek van artikel 7:764 BW Pro, onder meer laten onderzoeken door een deskundige wat in redelijkheid door [geïntimeerde] voor de uitgevoerde werkzaamheden in rekening kon worden gebracht, rekening houdend met door hem gerealiseerde besparingen. [appellant] gaat er zelf klaarblijkelijk ook vanuit dat artikel 7:764 BW Pro moest worden toegepast, gezien zijn toelichting in nummer 13 bij grief IV. Dat de kantonrechter van een andere uitleg van het advies is uitgegaan (met het oordeel dat de geschillencommissie is uitgegaan van een ontbinding) maakt niet dat het bindend advies niet in stand kan blijven. Ook als zou moeten worden uitgegaan van een ontbinding heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt dat dit ‘onder de streep’ tot een andere financiële uitkomst dan door de geschillencommissie is vastgesteld, zou hebben geleid en dat om die reden het advies vernietigd zou moeten worden. Dat en op grond waarvan de geschillencommissie zich ten onrechte op het deskundigenbericht heeft gebaseerd of met de motivering daarover ernstig is tekort geschoten mist een toereikende onderbouwing.
3.15
[appellant] heeft ook bezwaar tegen de aan [geïntimeerde] toegekende vergoeding van stallingskosten en huur. In de beslissing van de geschillencommissie is geen expliciete motivering gegeven wat de grondslag is voor de vergoeding van deze kosten door [appellant] . Daartegenover staat echter dat [appellant] geen inzicht heeft gegeven in het debat dat daarover bij de geschillencommissie is gevoerd: welke stellingen heeft [geïntimeerde] daarover ingenomen en wat is het verweer van [appellant] daarover geweest? Daardoor laat zich niet vaststellen of de geschillencommissie gehouden was tot een ruimere motivering en dat het advies door die achterwege te laten de toets der kritiek [1] niet kan doorstaan. De stelling van [appellant] dat hij geen stallingskosten is overeengekomen lijkt overigens niet goed en niet zonder meer verenigbaar met feit dat de opdracht aan [geïntimeerde] is gebaseerd op de taxatie van TVM, waarin op initiatief van de taxateur rekening is gehouden met een post hellingskosten en loodshuur.
3.16
[appellant] heeft naast de bedragen die hij moet betalen een punt gemaakt van het door [geïntimeerde] uit geoefende retentierecht. De grief van [appellant] die gericht is tegen het oordeel van de kantonrechter over het retentierecht dat [geïntimeerde] heeft uitgeoefend mist echter een toereikende toelichting die er toe kan leiden dat het bindend advies niet in stand kan blijven. Wat de geschillencommissie op dat punt fout zou hebben gedaan is onduidelijk, te meer nu [appellant] ook wat dit aspect betreft, niet heeft aangegeven wat het geschilpunt daarover bij de geschillencommissie was. Uit het bindend advies zelf blijkt dat niet.
De conclusie
3.16
Het hoger beroep slaagt niet. [appellant] zal in het ongelijk worden gesteld, reden waarom het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep zal veroordelen. Het hof heeft die vastgesteld op basis van het onderliggende geldelijk belang van de zaak. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening
. [2]
3.17
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 30 juli 2024;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 349 aan griffierecht
€ 1.824 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief I)
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, J.H. Kuiper en J.E. Wichers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
21 april 2026.

Voetnoten

1.Conform de maatstaf in 3.10
2.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.