Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2499

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.364.547/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige kinderen

De moeder van twee minderjarige kinderen, geboren in 2017 en 2018, is in hoger beroep gegaan tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar kinderen. De kinderrechter had deze machtiging verlengd tot 5 juni 2026, omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen. De moeder wenst dat de uithuisplaatsing wordt beëindigd en dat haar kinderen bij haar terugkeren.

Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder het beroepschrift, het verweerschrift van de gecertificeerde instelling (GI) en heeft de minderjarige kinderen gehoord. Tijdens de zitting bleek dat de GI een onderzoek zal laten verrichten naar het opvoedperspectief, met name gericht op de jongste minderjarige die graag bij de moeder wil wonen. De oudste minderjarige wil bij de pleegmoeder blijven.

Het hof oordeelt dat het in het belang van de kinderen is dat zij tijdens het onderzoek bij de pleegmoeder blijven wonen, omdat een proefplaatsing bij de moeder nu schadelijk zou zijn voor de ontwikkeling en stabiliteit van de kinderen. De uitkomst van het onderzoek moet worden afgewacht. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigd en verlengd tot 5 juni 2026.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen tot 5 juni 2026 en bepaalt dat zij bij de pleegmoeder blijven wonen totdat het perspectiefonderzoek is afgerond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.364.547/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 591582
beschikking van 23 april 2026
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige1]en
[de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. T.S.S. Overes,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering(de GI),
die is gevestigd in Lelystad,
en
de pleegmoeder van [de minderjarige1] en [de minderjarige2](de pleegmoeder),
die woont op een bij het hof bekend adres.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 5 juni 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft drie kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2017;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2018 en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2023 en overleden [in] 2024.
2.2.
De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
2.3.
De moeder heeft van 31 mei 2024 tot 20 september 2024 in voorlopige hechtenis gezeten in verband met mogelijke betrokkenheid bij het overlijden van haar zoon [de minderjarige3] . De strafrechter heeft haar in maart/april 2025 vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten (doodslag en subsidiair het in hulpeloze toestand laten van haar kind met de dood ten gevolge).
2.4.
Bij beschikking van 3 juni 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 3 september 2024. Ook heeft de kinderrechter een spoedmachtiging voor twee weken verleend om de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter heeft de beslissing over het meer of anders verzochte aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 13 juni 2024 heeft de kinderrechter de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor de resterende periode van de voorlopige ondertoezichtstelling verleend, tot 3 september 2024.
2.6.
Bij beschikking van 29 augustus 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld tot 5 juni 2025. Ook heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van beide kinderen in een voorziening voor pleegzorg tot 5 juni 2025.
2.7.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] woonden tot 3 juni 2024 bij de moeder. Daarna hebben ze korte tijd bij [naam1] verbleven. Sinds augustus 2024 verblijven zij bij de pleegmoeder.
2.8.
De moeder heeft wekelijks een uur begeleide omgang met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Eind 2025 is besloten dat de omgang tijdens de schoolvakanties wordt uitgebreid in duur.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter op 8 april 2025 verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Bij beschikking van 3 juni 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd voor de periode van een jaar, tot 5 juni 2026.
De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor de periode van een half jaar, tot 5 december 2025.
De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aangehouden en de GI verzocht een update te sturen over onder andere de hulpverlening aan de kinderen.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking van 3 juni 2025, voor zover het betreft de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof heeft de beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigd op 4 november 2025.
3.3.
Bij de bestreden beschikking van 25 november 2025 heeft de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de GI toegewezen. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd tot 5 juni 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter van 25 november 2025. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en dat het hof bepaalt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met onmiddellijke ingang wordt beëindigd.
4.2.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 30 januari 2026;
  • de brief van de raad voor de kinderbescherming (de raad) van 16 februari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • de stukken van de moeder, ingediend op 13 februari 2026 en 27 februari 2026;
  • het verweerschrift van de GI.
4.4.
[de minderjarige1] heeft op 7 april 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.
4.5.
De zitting bij het hof was op 8 april 2026 in Zwolle. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • de pleegmoeder.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] loopt tot 5 juni 2026.
5.3.
De machtiging aan de GI is terecht gegeven omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.4.
Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat de GI aan [naam2] gaat vragen om een onderzoek te verrichten naar het opvoedperspectief van in elk geval [de minderjarige2] en misschien [de minderjarige1] . [de minderjarige2] zegt al langere tijd dat ze bij de moeder wil wonen. Daarom zal het onderzoek zich in elk geval op [de minderjarige2] richten. [de minderjarige1] geeft al langere tijd duidelijk aan dat ze bij de pleegmoeder wil blijven wonen, ook als [de minderjarige2] weer bij moeder zou gaan wonen. Desondanks is de GI van plan na te gaan of [de minderjarige1] betrokken zou willen worden in het onderzoek om de mogelijkheid van een terugkeer naar de moeder ook voor haar open te houden.
De moeder wil, zo heeft zij ter zitting verklaard, dat [de minderjarige2] tijdens dit onderzoek bij haar thuis woont. Zij wil op die manier kunnen laten zien dat zij stabiel is, beschikbaar is voor [de minderjarige2] en [de minderjarige2] structuur en veiligheid in haar opvoeding kan bieden.
Het hof is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] is dat zij tijdens het onderzoek bij de pleegmoeder blijven wonen. Het onderzoek is namelijk juist bedoeld om te onderzoeken wat [de minderjarige2] en [de minderjarige1] van hun opvoeder nodig hebben en of een thuisplaatsing bij de moeder in hun belang en haalbaar is. Het is niet in het belang van [de minderjarige2] om bij wijze van proef al tijdens het onderzoek bij de moeder te gaan wonen. Het zou voor (de ontwikkeling van) [de minderjarige2] schadelijk zijn als zij nu thuisgeplaatst wordt en vervolgens uit het onderzoek volgt dat zij opnieuw uit huis geplaatst zou moeten worden. Dit zou te veel onrust en onzekerheid voor haar met zich brengen. De uitkomst van het onderzoek moet worden afgewacht en gedurende die periode is het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat zij bij de pleegmoeder blijven wonen.
5.5.
Bij de bestreden beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 5 juni 2026. Het onderzoek van [naam2] zal voor die tijd nog niet afgerond zijn. De machtiging tot uithuisplaatsing zal voor deze periode dus in elk geval nog nodig zijn.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 25 november 2025, over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, R. Feunekes en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.