Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2515

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
23/2889
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in belastingzaak

Belanghebbende heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland hoger beroep ingesteld, maar het hof constateert dat het hogerberoepschrift op 1 november 2023 is ontvangen, terwijl de uiterste termijn 27 oktober 2023 was. De poststempel van 30 oktober 2023 leidt tot de conclusie dat het stuk niet tijdig ter post is bezorgd. De gemachtigde heeft geen concrete onjuistheden in het overzicht van het hof aangevoerd en beperkte zich tot stellingen over het griffierecht.

Het hof oordeelt dat geen omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt die het verzuim rechtvaardigen en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde blijft onbesproken. Belanghebbende had tevens een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar het hof wijst dit af omdat de overschrijding minder dan twaalf maanden bedraagt en het financiële belang onder de €1.000 ligt.

De heffingsambtenaar is niet verschenen bij de zittingen, die deels via beeldverbinding plaatsvonden. Het hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor indiening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2889
uitspraakdatum: 21 april 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige kamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 11 september 2023, nummer UTR 21/4733, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Lelystad(hierna: de heffingsambtenaar).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Het namens belanghebbende ingediende hogerberoepschrift is op 1 november 2023 ontvangen ter griffie van het Hof.
1.2.
Het onderhavige hoger beroep is gaan behoren tot een cluster van zaken. Dit cluster bestaat uit alle hoger beroepen waarin mr. D.A.N. Bartels (hierna: de gemachtigde), zich heeft gesteld als gemachtigde, voor verschillende belanghebbenden optreedt, met verschillende heffingsambtenaren als wederpartij en die zijn ingekomen vóór 1 september 2025. Op 3 december 2025 heeft het Hof op een regiezitting met partijen procesafspraken gemaakt voor de behandeling van de zaken die tot het cluster behoren. Het Hof heeft de procesafspraken voor de clustergewijze behandeling bij brief van 19 december 2025 bevestigd. Daarbij is ook het proces-verbaal van de regiezitting meegezonden.
1.3.
Het Hof heeft als bijlage bij de brief van 19 december 2025 een overzicht verstrekt van zaken (A) waarin een verzuim is geconstateerd in de voorfase van het hoger beroep. De onderhavige zaak staat op dat overzicht. De gemachtigde is daarbij een termijn gesteld om dit overzicht op juistheid te controleren en daarop schriftelijk te reageren.
1.4.
Binnen de daarvoor gestelde termijn heeft Bartels gereageerd bij berichten van 21 januari 2026, 14:34 en 15:00 uur. Het Hof heeft andere berichten, die buiten de gestelde termijn zijn ingekomen, buiten beschouwing gelaten.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026 via beeldverbinding. Daarbij is verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende. Overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt op de regiezitting is de heffingsambtenaar niet verschenen. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden.
1.6.
Het Hof heeft het onderzoek heropend vanwege een technische storing aan de zijde van de gemachtigde bij de zitting van 28 januari 2026. De tweede zitting heeft op 4 maart 2026 te Arnhem plaatsgevonden. Daarbij is verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende. Overeenkomstig de afspraken die zijn gemaakt op de regiezitting is de heffingsambtenaar wederom niet verschenen. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden.

2.Beoordeling door het Hof

2.1.
De uitspraak van de Rechtbank is gedaan op 11 september 2023 en verzonden op (vrijdag) 15 september 2023. Gesteld noch gebleken is dat de verzending later heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het hoger beroep uiterlijk 27 oktober 2023 had moeten zijn ontvangen door het Hof om tijdig te zijn ingediend. Het hoger beroep is op 1 november 2023 ontvangen en derhalve buiten de termijn. De poststempel op de envelop is van 30 oktober 2023. Als bewijsrechtelijk uitgangspunt moet worden genomen dat terpostbezorging op die dag heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het hogerberoepschrift niet binnen de termijn ter post is bezorgd (artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht).
2.2.
Gemachtigde heeft desgevraagd niet concreet aangegeven dat, en zo ja, in hoeverre, het door het Hof verstrekte overzichtsbestand onjuistheden bevat. Gemachtigde heeft in zijn reacties, samengevat weergegeven, stellingen ingenomen die zien op het griffierecht.
2.3.
De conclusie is dat geen aanleiding bestaat om van het bewijsrechtelijke uitgangspunt af te wijken en dat overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.4.
Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het Hof laat daarbij de vertegenwoordigingsbevoegdheid in hoger beroep van de gemachtigde uitdrukkelijk in het midden.
2.5.
Belanghebbende heeft voor de hogerberoepsfase verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor het doen van uitspraak in hoger beroep bedraagt twee jaar. Dat betekent dat in deze procedure de redelijke termijn is overschreden met minder dan twaalf maanden. Als compensatie voor deze overschrijding volstaat het Hof met de constatering ervan, nu het Hof niet aannemelijk gemaakt acht dat het financiële belang bij de procedure in hoger beroep € 1.000 of meer bedraagt. [1]
Slotsom
2.6.
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

3.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

Het Hof:
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk,
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. V.F.R. Woeltjes, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
De griffier, De voorzitter,
(J. Hollander) (J.M.W. van de Sande)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.