Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2593

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.363.027/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:626 BWArt. 27 Wet op de loonbelasting 1964Art. 4:3 ArbeidstijdenwetArt. 7:668 lid 1 BWArt. 7:668 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over schending informatieverplichting en billijke vergoeding na onregelmatige opzegging arbeidsovereenkomst

De werknemer trad in 2024 in dienst bij Mixor, een eetcafé, en voerde diverse werkzaamheden uit. Er ontstond onenigheid over de arbeidsomvang, het loon en het einde van de arbeidsovereenkomst. De werknemer stelde dat Mixor de overeenkomst op 12 juni 2025 zonder zijn instemming had opgezegd en vorderde diverse vergoedingen.

Het hof stelde vast dat Mixor ernstig tekort was geschoten in haar informatieverplichtingen, zoals het niet tijdig verstrekken van loonstroken en het niet bijhouden van een deugdelijke urenregistratie. De arbeidsovereenkomst werd na 1 juni 2025 voortgezet, omdat Mixor het einde niet had aangezegd en de werknemer redelijkerwijs mocht aannemen dat hij na zijn vakantie kon terugkeren.

De opzegging op 12 juni 2025 werd door het hof als onregelmatig beoordeeld, omdat Mixor geen duidelijke opzegging gaf en de werknemer geen ondubbelzinnige verklaring tot ontslag had afgegeven. Het hof kende de werknemer daarom recht toe op een transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, vakantiebijslag, loon over de vakantieperiode en een billijke vergoeding van €12.000 bruto wegens de onregelmatige opzegging en de nalatigheid van Mixor.

Daarnaast veroordeelde het hof Mixor en haar vennoten hoofdelijk tot betaling van de proceskosten. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en vernietigt de eerdere beschikking van de kantonrechter, behalve de beslissingen op het tegenverzoek van Mixor.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep toe en veroordeelt Mixor tot betaling van diverse vergoedingen en proceskosten wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.027
zaaknummer rechtbank Gelderland 11773268
beschikking van 28 april 2026
in de zaak van
[appellant] ( [werknemer] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M.F.M. Groot Kormelink
tegen

1.V.O.F. MIXOR (Mixor)

die is gevestigd in Ede

2. [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] )

die woont in [woonplaats]

3. [geïntimeerde3] ( [geïntimeerde3] )

die woont in [woonplaats]
gezamenlijk genoemd Mixor c.s. (vrouwelijk enkelvoud)
advocaat: mr. E.W. Lassche

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[werknemer] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op
29 september 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties
  • het verweerschrift
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 18 maart 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[werknemer] is in 2024 in dienst getreden bij Mixor. Partijen verschillen van mening over de arbeidsomvang en de hoogte van het loon. Verder twisten zij over de vraag of en, zo ja, wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
2.2.
[werknemer] gaat er vanuit dat Mixor de arbeidsovereenkomst op 12 juni 2025 per direct en zonder zijn instemming heeft opgezegd, reden waarom hij de kantonrechter verzocht om toekenning van een transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding. Daarnaast heeft hij verzocht om toekenning van de wettelijke verhoging over achterstallig vakantiegeld en loon over vakantiedagen. Een en ander vermeerderd met rente en kosten. Mixor heeft de kantonrechter op haar beurt verzocht om [werknemer] te veroordelen tot terugbetaling van onverschuldigd betaald loon, eveneens vermeerderd met rente en kosten.
2.3.
De kantonrechter heeft alle verzoeken afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. Alleen [werknemer] is in hoger beroep gekomen. Hij verzoekt in hoger beroep om toekenning van een transitievergoeding, een aanzegvergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding. Daarnaast verzoekt hij betaling van achterstallig vakantiegeld en vakantiedagen en veroordeling van Mixor in de proceskosten.
2.4.
Het hof zal de verzoeken van [werknemer] alsnog grotendeels toewijzen en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De achtergrond van de zaak
3.1.
De kantonrechter heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.12 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld, waartegen niet is gegriefd. Het hof neemt die feiten over en zal deze kort samenvatten en waar nodig aanvullen.
3.2.
[werknemer] heeft een tijdelijke verblijfsstatus als asielzoeker en is sinds mei of juni 2024 werkzaam voor Mixor die een eetcafé exploiteert. [werknemer] verrichtte daar verschillende werkzaamheden, zoals het klaar maken van maaltijden, bezorgen van maaltijden en schoonmaakwerk. In geschil is of partijen bij aanvang een schriftelijke arbeidsovereenkomst hebben ondertekend (voor bepaalde tijd tot 1 juni 2025 met een arbeidsomvang van minimaal 8 en maximaal 40 uur per week tegen een all-in uurloon van € 15,00 netto), zoals Mixor stelt en [werknemer] betwist. Partijen zijn het er wel over eens dat [werknemer] voor zijn loon op onregelmatige basis betaalverzoeken (tikkies) met telkens wisselende bedragen aan Mixor stuurde en dat Mixor die alle heeft voldaan. Andere loonbetalingen aan [werknemer] hebben niet plaatsgevonden. Mixor heeft aanvankelijk geen loonstroken aan [werknemer] verstrekt, maar heeft dit pas achteraf, hangende de procedure bij de kantonrechter in juli 2025 gedaan. Ook de loonaangifte voor 2024 is pas achteraf (in juli 2025) door Mixor gedaan. De loonaangifte voor 2025 is wel telkens na afloop van iedere kalendermaand gedaan.
3.3.
[werknemer] heeft van 11 mei 2025 tot 11 juni 2025 vakantie genoten. Tijdens zijn vakantie hebben [werknemer] en [geïntimeerde2] via whatsapp uitgebreid gecommuniceerd. [geïntimeerde2] heeft herhaaldelijk gevraagd om (terug)betaling van een lening van € 600,00. [werknemer] heeft op zijn beurt aangedrongen op betaling van zijn loon tijdens vakantie en betaling van vakantiegeld. Ook heeft hij erop gewezen dat hij 11 juni 2025 weer terug is, waarop [geïntimeerde2] antwoordde “I see jou 11 juni”. Als [werknemer] op 11 juni 2025 vraagt wanneer hij weer kan beginnen, geeft [geïntimeerde2] te kennen dat hij eerst wil praten. Dat gesprek vindt plaats op 12 juni 2025. Partijen verschillen van mening over wat daar is besproken. Van een werkhervatting is het niet meer gekomen.
Schending informatieverplichting Mixor
3.4.
Het hof stelt voorop dat Mixor ernstig tekort is geschoten in haar verplichting om een deugdelijke administratie te voeren. Zo heeft zij in strijd met artikel 7:626 BW Pro nagelaten om bij elke voldoening van het loon een schriftelijke of elektronische opgave van het loonbedrag aan [werknemer] te verstrekken en van de gespecificeerde bedragen waaruit dat loonbedrag is samengesteld en van de bedragen die daarop zijn ingehouden. De loonstroken zijn pas achteraf, na het aanspannen van de procedure bij de kantonrechter, ter hand gesteld. Ook heeft zij in weerwil van artikel 27 Wet Pro op de loonbelasting 1964 in het eerste half jaar geen loonaangifte gedaan en geen loonbelasting afgedragen. Verder heeft Mixor in strijd met artikel 4:3 van Pro de Arbeidstijdenwet geen deugdelijke urenregistratie bijgehouden. Een handgeschreven agenda volstaat daarvoor niet. Omdat Mixor tekort is geschoten in haar verplichtingen als werkgever, komen de daaruit voortvloeiende gevolgen voor haar risico.
Inhoud arbeidsovereenkomst
3.5.
Partijen verschillen van mening over de inhoud van de tussen hen gesloten overeenkomst. Eerst moet daarom worden vastgesteld welke wederzijdse rechten en verplichtingen partijen hebben afgesproken. Bepalend daarvoor is welke betekenis partijen aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij daarbij van elkaar konden verwachten (de Haviltex-maatstaf [1] ).
3.6.
Mixor c.s. verwijst in dat verband naar de door haar overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst die bij aanvang van het dienstverband door beide partijen zou zijn doorgesproken en ondertekend. Of dat het geval is, hetgeen [werknemer] betwist, kan in het midden blijven. Het hof stelt namelijk vast dat partijen daar nooit naar hebben gehandeld. [werknemer] heeft gemotiveerd gesteld dat hij gemiddeld zes dagen (48 uur) per week werkte en dat hij telkens een bedrag van € 9,50 voor ieder gewerkt uur via tikkies bij Mixor in rekening heeft gebracht. Al zijn tikkies zijn door Mixor betaald. Mixor c.s. heeft het gestelde aantal gewerkte uren weliswaar betwist, maar een deugdelijke urenregistratie ontbreekt. De betwisting van Mixor c.s. is dan ook onvoldoende gemotiveerd. De handgeschreven agenda’s van Mixor volstaan niet en ook aan de achteraf toegezonden loonstroken komt onvoldoende gewicht toe. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst waarop Mixor c.s. zich beroept staat een all-in uurloon van € 15,00. Niet gebleken is dat dat uurloon ooit is uitbetaald. Als al een all-in loon door partijen op schrift is gesteld, daargelaten of dat een rechtsgeldige afspraak is, mocht [werknemer] er in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs vanuit gaan dat partijen (alsnog) een loon van € 9,50 netto per uur zijn overeengekomen en dat dit bedrag niet is samengesteld uit andere bestanddelen (zoals vakantiegeld en loon voor vakantiedagen). Daarbij is van belang dat Mixor c.s. zich niet op het standpunt heeft gesteld dat het feitelijk uitbetaalde uurloon van € 9,50 netto een all-in loon is.
Geen einde van rechtswege per 1 juni 2025
3.7.
Of partijen bij aanvang een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd hebben gesloten, kan eveneens in het midden blijven. Ook als partijen over en weer er vanuit gingen dat een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar is gesloten, heeft [werknemer] uit het handelen en nalaten van Mixor mogen opmaken dat de arbeidsovereenkomst na 1 juni 2025 tussen partijen werd voortgezet. Van belang daarvoor is allereerst dat Mixor het einde van de arbeidsovereenkomst niet heeft aangezegd. [geïntimeerde2] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gezegd dat het ook de bedoeling van Mixor was dat [werknemer] , die een goede arbeidskracht was, na zijn vakantie gewoon weer aan de slag zou gaan. Dat de arbeidsovereenkomst werd voortgezet heeft [werknemer] ook kunnen afleiden uit het feit dat [geïntimeerde2] er niet op heeft gewezen dat de overeenkomst al was geëindigd toen [werknemer] zich op 2 juni 2025 meldde met de vraag wanneer hij weer aan de slag kon. [geïntimeerde2] antwoordde enkel dat hij hem wilde spreken. Weliswaar is het na de vakantie niet meer tot een werkhervatting gekomen (zie daarover ook hierna, onder 3.12), maar [werknemer] mocht er in deze omstandigheden na 1 juni 2025 redelijkerwijs vanuit gaan dat de overeenkomst wel werd voortgezet.
Aanzegvergoeding
3.8.
Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is de werkgever gehouden om de werknemer een maand voor afloop van de bepaalde tijd schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:668 lid 1 BW Pro). Schending van deze informatieverplichting brengt een vergoedingsplicht ter hoogte van het loon voor één maand mee (artikel 7:668 lid 3 BW Pro). [werknemer] stelt zich in deze procedure juist op het standpunt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is overeengekomen, wat niet valt te rijmen met zijn vordering tot toekenning van de aanzegvergoeding. Nu dat door [werknemer] ook verder niet is toegelicht, zal het hof deze vordering afwijzen.
Recht op vakantiebijslag
3.9.
Nu hiervoor is vastgesteld dat aan [werknemer] enkel loon is uitbetaald, heeft hij nog recht op minimaal 8% vakantiebijslag van het door hem genoten loon (artikel 15 lid 1 Wet Pro minimumloon en minimumvakantiebijslag). Het netto maandloon bedraagt € 1.976,00
(€ 9,50 x 48 x 52/12) en de vakantiebijslag dus 1.896,96 netto (8% van € 1.976,00 x 12). Naar het hof begrijpt, heeft [werknemer] bedoeld om toekenning van het bruto-equivalent daarvan te verzoeken. Dat zal worden toegewezen.
Recht op loon tijdens genoten vakantie
3.10.
Niet in geschil is dat aan [werknemer] geen loon is betaald gedurende de vier weken dat hij vakantie heeft genoten. Mixor is was daar wel toe verplicht (artikel 6:739 lid 1 BW Pro). Het bruto-equivalent van het verzochte bedrag van € 1.824,00 netto (€ 9,50 x 48 x 4) is eveneens toewijsbaar.
Opzegging arbeidsovereenkomst op 12 juni 2025
3.11.
Niet in geschil is dat [geïntimeerde2] en [werknemer] elkaar op 12 juni 2025, na de terugkeer van zijn vakantie, hebben gesproken en dat het daarna niet meer van een werkhervatting is gekomen. Partijen verschillen van mening over wat er tijdens dit gesprek is besproken. Volgens [werknemer] heeft [geïntimeerde2] gezegd dat hij geen werk meer voor hem had en niet meer hoefde te komen, terwijl [geïntimeerde2] stelt dat [werknemer] in dat gesprek te kennen heeft gegeven dat hij niet meer wilde werken.
3.12.
Om van een vrijwillige ontslagname van een werknemer te kunnen uitgaan, moet volgens vaste rechtspraak sprake zijn van een daarop gerichte duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. [2] Daarvoor heeft Mixor c.s. onvoldoende gesteld. [werknemer] heeft immers per whatsappbericht van 11 juni 2025 nog uitdrukkelijk gevraagd wanneer hij weer kon beginnen. Als [werknemer] tijdens het gesprek al zou hebben gezegd dat hij niet meer wilde werken, had Mixor dat niet zonder meer als een ontslagname mogen opvatten.
3.13.
De maatstaf van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring geldt daarentegen niet voor een werkgever. Of een verklaring of gedraging van de werkgever een opzegging van de arbeidsovereenkomst inhoudt, dient te worden beoordeeld aan de hand van de wilsvertrouwensleer (artikelen 3:33 en 3:35 BW). [3] In dat kader acht het hof van belang dat [geïntimeerde2] geen antwoord heeft gegeven op de vraag van [werknemer] per whatsapp wanneer hij weer kan beginnen. [geïntimeerde2] heeft enkel aangedrongen op een gesprek. Toen uit het whatsappverkeer bleek dat [werknemer] er vanuit ging dat hij tijdens dat gesprek was ontslagen, heeft [geïntimeerde2] hem ook niet te kennen gegeven dat hij zijn werkzaamheden gewoon kon hervatten. Ook heeft Mixor geen salaris doorbetaald over de volgens haar geldende minimum arbeidsomvang van 8 uur per week. Al met al mocht [werknemer] redelijkerwijs begrijpen dat hij na 12 juni 2025 niet meer welkom was en dat Mixor zijn arbeidsovereenkomst per direct had beëindigd. Mede gelet op het feit dat [werknemer] zich in een voor Mixor kenbaar kwetsbare positie bevond, had het op de weg van Mixor gelegen om meer duidelijkheid te verschaffen.
Transitievergoeding
3.14.
Omdat de arbeidsovereenkomst door Mixor is opgezegd, heeft [werknemer] recht op de transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 onder Pro a sub 1 BW). Het hof bepaalt deze vergoeding ambtshalve [4] op het bruto-equivalent van € 766,25 netto.
Gefixeerde schadevergoeding
3.15.
Omdat Mixor geen opzegtermijn in acht heeft genomen, is zij ook een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd, gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging zou hebben voortgeduurd (artikel 7:672 lid 11 BW Pro). [werknemer] heeft onbetwist gesteld dat dit een periode van een maand betreft, zodat de verzochte vergoeding van het bruto-equivalent van € 2.134,08 netto (€ 1.976,00 + 8% vakantiebijslag) toewijsbaar is.
Billijke vergoeding
3.16.
Omdat Mixor de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd zonder instemming van [werknemer] , heeft zij gehandeld in strijd met artikel 7:671 BW Pro. Dat brengt mee dat [werknemer] recht heeft op een billijke vergoeding (artikel 7:681 lid 1 onder Pro a BW). Bij het bepalen van de hoogte van die vergoeding komt volgens vaste jurisprudentie betekenis toe aan de vermoedelijke duur van de arbeidsovereenkomst als de onjuiste opzegging niet had plaatsgevonden Er moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie zonder de vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich nu bevindt. Ook de overige omstandigheden van het geval moeten in aanmerking worden genomen. Een van die omstandigheden is de (mate van) eventuele verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever dan wel het ontbreken daarvan. [5]
3.17.
Het hof acht het net als [werknemer] realistisch dat de arbeidsovereenkomst ondanks de meningsverschillen nog een jaar zou zijn voortgezet. Het is niet aannemelijk dat Mixor een eerdere beëindiging had kunnen bewerkstelligen. Daarbij dient te worden betrokken dat aan [werknemer] de gefixeerde schadevergoeding wordt toegekend en dat ter zitting is gebleken dat [werknemer] sinds het ontslag vervangend inkomen heeft genoten in de vorm van een bijstandsuitkering respectievelijk loon uit een andere dienstbetrekking. Dat [werknemer] twee jaar werkloos zou blijven, zoals hij heeft betoogd, is daarom niet aannemelijk geworden. Het hof begroot de waarde van het dienstverband op ongeveer € 8.000 netto (een jaar salaris minus gefixeerde salarisvergoeding minus bijstandsuitkering alleenstaande, € 23.474 -/- € 15.440), dat neerkomt op circa € 11.000 bruto (37,56 % tarief ontslagvergoeding). Mede gelet op de administratieve nalatigheid van Mixor, die haar ernstig kan worden toegerekend, maar ook rekening houdend met de omvang van het bedrijf van Mixor, ziet het hof aanleiding om de billijke vergoeding te bepalen op een bedrag van € 12.000 bruto. Daarin is geen bedrag verdisconteerd voor de verkeersboetes, nu dat in de eerste plaats de eigen verantwoordelijkheid van de bestuurder blijft. Ook de eigen bijdragen die [werknemer] heeft moeten betalen voor gefinancierde rechtsbijstand zijn daarin niet meegenomen, nu daarvoor al een tegemoetkoming wordt toegekend met de hierna volgende proceskostenveroordeling van Mixor c.s.
Geen bewijslevering
3.18.
Omdat partijen geen concrete feiten hebben gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het bewijsaanbod van partijen wordt daarom gepasseerd.
Slotsom
3.19.
Het hoger beroep slaagt. Mixor zal alsnog worden veroordeeld om de verzochte vergoedingen (grotendeels) te betalen. Omdat Mixor c.s. in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tevens veroordelen tot betaling van de proceskosten van [werknemer] bij het hof en bij de kantonrechter. Nu de vennoten hoofdelijk verbonden zijn voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma (artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel), zullen ook [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] daartoe veroordeeld worden, in die zin dat als de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd.
3.20.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof
4.1.
vernietigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 29 september 2025, met uitzondering van de beslissingen op het tegenverzoek van Mixor c.s. (rechtsoverwegingen 5.3 en 5.4);
4.2.
veroordeelt Mixor c.s. hoofdelijk om binnen zeven dagen na vandaag aan [werknemer] te
betalen:
  • het bruto-equivalent van een bedrag van € 1.896,96 netto (vakantiebijslag)
  • het bruto-equivalent van een bedrag van € 1.824,00 netto (loon tijdens vakantie)
  • het bruto-equivalent van een bedrag van € 766,25 netto (transitievergoeding)
  • het bruto-equivalent van een bedrag van € 2.134,08 netto (gefixeerde schadevergoeding)
  • een bedrag van € 12.000,00 bruto (billijke vergoeding);
4.3.
veroordeelt Mixor c.s. hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [werknemer] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 90,00 aan griffierecht
€ 814,00 aan salaris van de advocaat van [werknemer]
en tot betaling van de volgende proceskosten van [werknemer] in hoger beroep:
€ 362,00 aan griffierecht
€ 2.580,00 aan salaris van de advocaat van [werknemer] (2 procespunten x tarief II);
4.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.P. Heijmans, A.E.F. Hillen en C. Oberman, en is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Voetnoten

1.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158
2.HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387
3.HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:111
4.HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365
5.HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187