ECLI:NL:GHARL:2026:2615

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.352.812/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62b Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing van civiele zaak naar ander gerechtshof wegens schijn van partijdigheid

In deze civiele procedure in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd de zaak behandeld die oorspronkelijk bij de rechtbank Noord-Nederland speelde. De appellant, vertegenwoordigd door mr. M.P. Geerdink, en de geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. E.J. Luursema, voerden hun standpunten aan in diverse processtukken.

Tijdens de procedure bleek dat de appellant een nauwe verwant is van een voormalig medewerker van het hof en persoonlijke contacten onderhoudt met andere medewerkers. Dit leidde ertoe dat de geplande mondelinge behandeling op 5 maart 2025 niet doorging. Hoewel het hof oordeelde dat deze omstandigheden geen objectieve reden voor verwijzing vormden, ontstond bij de appellant de indruk dat verwijzing wenselijk was vanwege mogelijke partijdigheid.

Om onnodige ruis in de procedure te voorkomen en het vertrouwen in een onpartijdige behandeling te waarborgen, besloot het hof ambtshalve de zaak te verwijzen naar het gerechtshof Amsterdam. Deze beslissing werd genomen op 28 april 2026 en is vastgelegd in een arrest.

Uitkomst: De zaak wordt ambtshalve verwezen naar het gerechtshof Amsterdam vanwege de schijn van partijdigheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.352.812/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 146080)
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
hierna:
[appellante]
vertegenwoordigd door mr. M.P. Geerdink, advocaat in Haren
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
hierna:
[geïntimeerde]
vertegenwoordigd door mr. E.J. Luursema, advocaat in Leek.

1.De procedure bij de rechtbank

1.1
Hoe de procedure bij de rechtbank is verlopen, blijkt uit de vonnissen van 28 februari 2024 en 11 december 2024 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling civiel recht, zittingsplaats Assen.

2.De procedure bij het hof

2.1
Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep op nader aan te voeren gronden van 10 maart 2025;
- het regiegesprek van 20 mei 2025;
- de memorie van grieven van 1 juli 2025;
- de memorie van antwoord van 12 augustus 2025;
- de rolbeslissing tot bepaling van een mondelinge behandeling op 5 maart 2025;
- het regiegesprek van 3 maart 2026;
- het e-mailbericht van 10 april 2026 namens de verwijzingskamer aan de raadslieden waarin staat dat de zaak niet wordt verwezen;
- het e-mailbericht van 10 april 2026 waarin mr. Geerdink bezwaar maakt en verzoekt om verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.
2.2
Partijen hebben elk het griffierecht van € 362,- voldaan.
2.3
Vandaag neemt het hof op grond van het griffiedossier een beslissing over verwijzing naar een ander hof.

2.De beoordeling

2.1
Artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) bepaalt dat het gerechtshof een zaak ter verdere behandeling kan verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.
2.2
Het hof is er ambtshalve mee bekend dat [appellante] een (nauwe) verwant is van een voormalig medewerker (haar overleden dochter) van dit hof en dat zij persoonlijke contacten onderhoudt met één of meer andere medewerkers van dit hof. Om die reden heeft het hof besloten dat de op 5 maart 2025 geplande mondelinge behandeling niet doorging. Dat is toegelicht in het regiegesprek van 3 maart 2025. Die omstandigheid betekent echter niet dat sprake is van betrokkenheid van het hof. Het is evenmin zonder meer een omstandigheid die maakt dat een onpartijdige behandeling door het hof, bijvoorbeeld op de locatie Arnhem, niet gewaarborgd zou zijn. Een objectieve reden voor verwijzing op de voet van art. 62b RO doet zich hier dus niet voor. Het is het hof echter gebleken dat het regiegesprek op 3 maart 2026 bij in ieder geval [appellante] kennelijk de indruk heeft gewekt dat er aanleiding bestond om de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof. [appellante] heeft er (daarom) geen vertrouwen in dat een onpartijdige behandeling gewaarborgd is. Gelet hierop en ter voorkoming van onnodige ruis in de verdere procedure, zal het hof de zaak niet verder behandelen maar ambtshalve verwijzen naar het gerechtshof Amsterdam.

3.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
3.1
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, ter verdere behandeling naar het gerechtshof Amsterdam.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, S.C.P. Giesen en M.L. van der Bel, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 28 april 2026.