Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2619

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.354.300/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BWArt. 6:58 BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 19 Algemene Voorwaarden Bank
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid vennoot voor VOF-schuld bij ING afgewezen

Appellant en ING zijn in geschil over de vraag of appellant is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld van de VOF aan ING. Appellant stelde dat de kredietovereenkomst was overgenomen door zijn BV of dat hij was ontslagen uit de aansprakelijkheid. Het hof stelde vast dat de kredietovereenkomst en betaalrekeningen niet waren overgezet naar de BV en dat de VOF haar activiteiten voortzette na oprichting van de BV.

Het hof oordeelde dat appellant niet mocht vertrouwen op de e-mail van ING over de vermeende overzetting van de kredietovereenkomst, omdat geen herfinanciering of schriftelijke vastlegging had plaatsgevonden. De feiten toonden aan dat de VOF en BV naast elkaar actief waren en dat appellant wist dat de betaalrekeningen op naam van de VOF stonden.

Verder wees het hof het beroep van appellant op matiging van de vordering af, omdat ING niet onzorgvuldig had gehandeld en de vordering voldoende was onderbouwd. Ook de schadevergoedingsvordering van appellant werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en causaal verband.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat appellant hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de schuld van de VOF aan ING.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.300/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 311352
arrest van 28 april 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. D.C.J. Bogerd
en
ING Bank N.V. (ING)
die is gevestigd in Amsterdam
advocaat: mr. P.C. Nieuwenhuizen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, (hierna: de rechtbank) op 22 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • het anticipatie-exploot
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • een akte reactie producties van [appellant] van 17 maart 2026
  • een akte overlegging producties (32 t/m 43) van [appellant] van 17 maart 2026
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 maart 2026 is gehouden.
1.2.
Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] en ING twisten over de vraag of ING [appellant] kan aanspreken uit hoofde van de kredietovereenkomst die [appellant] samen met zijn ex-partner ten behoeve van hun VOF had gesloten met ING. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de kredietovereenkomst is overgenomen door zijn voormalige BV, dan wel dat het krediet is afgelost, althans dat hij is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld uit hoofde van die kredietovereenkomst. Daarnaast verwijt [appellant] ING onzorgvuldig te zijn geweest door hem niet (tijdig) van informatie te voorzien.
Het geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond, waarbij het hof opmerkt dat het de feiten zelfstandig heeft vastgesteld, zodat de grief van [appellant] tegen de feitenvaststelling door de rechtbank geen bespreking meer behoeft.
2.2.
[appellant] heeft van 1 januari 2001 tot 1 januari 2009 een eenmanszaak
gedreven onder de naam ‘ [naam1] ’ (hierna ook: ‘de
eenmanszaak’).
2.3.
ING heeft op grond van de tussen haar en [appellant] op 30 mei 2006 gesloten
kredietovereenkomst aan [appellant] ten behoeve van zijn onderneming een
kredietfaciliteit verstrekt, bestaande uit een rekening-courantkrediet met een limiet van
€ 50.000,- (hierna: ‘Actief Krediet’).
2.4.
Op grond van de op 18 oktober 2006 tussen partijen gesloten kredietovereenkomst
heeft ING een aanvullende kredietfaciliteit (‘MKB Betaalkrediet’) verstrekt aan [appellant] , bestaande uit een rekening-courantkrediet met een limiet van € 15.000,-.
2.5.
Met ingang van 1 januari 2009 is de eenmanszaak van [appellant] voortgezet
door de vennootschap onder firma ‘ [naam2] VOF’ (hierna:
de VOF). [appellant] en zijn voormalig echtgenote, mevrouw [naam3] (hierna: [naam3] ) waren vennoten van de VOF.
2.6.
De kredietlimiet van het Actief Krediet werd op grond van de tussen ING en [appellant] op 18 augustus 2010 gesloten kredietovereenkomst (met een op dat moment pro resto hoofdsom van € 26.000,-) verhoogd tot € 35.000,-.
2.7.
Op grond van de kredietofferte van 13 januari 2012 is de bestaande kredietfaciliteit
uitgebreid met een lening van € 20.000,- en is het Actief Krediet verhoogd tot € 50.000,-
en omgezet in een ‘MKB Werkkapitaalkrediet’.
2.8.
Op 12 april 2012 is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de eenmanszaak
is voortgezet door de VOF.
2.9.
Op 15 november 2013 heeft ING aan de VOF een kredietfaciliteit ter beschikking
gesteld waarmee de kredietfaciliteit van [naam1] (de eenmanszaak) aan ING werd
afgelost. In de kredietovereenkomst stond daarover vermeld:
“Hiermee berichten wij u, dat wij gaarne bereid zijn om (mede) ter aflossing van de
kredietfaciliteit van [appellant] h/o [naam1] de
volgende kredietfaciliteit ter beschikking te stellen:”
De kredietfaciliteit van de VOF was op dat moment opgebouwd uit:
- een werkkapitaalkrediet van € 50.000,- (gekoppeld aan [rekeningnummer1] );
- een werkkapitaalkrediet van € 15.000,- (gekoppeld aan [rekeningnummer2] ) en
- een investeringslening van € 8.888,80.
2.10.
Partijen zijn in de kredietovereenkomst van 15 november 2013 overeengekomen dat
[appellant] en [naam3] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de (betalings)verplichtingen van de VOF aan ING. [appellant] en [naam3] hebben daarnaast op 15 november 2013 een VOF-verklaring ondertekend waarin zij verklaren hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de verplichtingen van de VOF aan ING.
2.11.
Eveneens op 15 november 2013 is een ‘omzettingsverklaring’ getekend door [appellant]
en [naam3] , op grond waarvan de betaalrekeningen van de eenmanszaak op
naam zijn gesteld van de VOF.
2.12.
Met ingang van 15 januari 2014 werd de statutaire naam van de VOF gewijzigd in
‘ [naam4] VOF’.
2.13.
Op 11 februari 2014 wordt een B.V. opgericht: [naam5] B.V. (hierna: de BV). [naam3] was bestuurder en enig aandeelhouder van de BV. [appellant] had een volledige volmacht.
Bedrijfsadviseur [naam6] , [naam7] , [naam8] , verleende hen bijstand in het proces van de omzetting van de werkzaamheden en aanverwante zaken van de VOF naar de BV.
2.14.
Op 28 augustus 2014 mailt [naam6] , de adviseur van [appellant] , aan ING, met als onderwerp van de mail “aanvraag RC [naam5] BV”:
“Naar aanleiding van een telefonisch contact tussen mevrouw [naam3] van [naam5] BV en één van uw medewerkers treft u bijgevoegd een kredietaanvraag aan voor de onderneming.
[naam7] , [naam8] begeleidt al een groot aantal jaren de onderneming op het vlak van bedrijfsvoering en financiering. Bijgevoegde aanvraag laat zien dat de onderneming in de recente jaargangen een professionaliseringsslag doormaakt, waarbij voor de recent opgerichte besloten vennootschap (VRAO BV) een rekening courant gewenst is.”
2.15.
Op 18 november 2014 mailt ING aan [naam6] , met eveneens als onderwerp van de mail “aanvraag RC [naam5] BV”:
“Naar aanleiding van het telefonische contact bevestigen wij dat het formulier en de aanvullende informatie in goede orde is ontvangen. Wij zullen de overeenkomst overzetten. Indien er nog vragen zijn zullen wij u berichten, zonder tegenbericht kunt u er vanuit gaan dat het is geformaliseerd.”
2.16.
Op 24 oktober 2017 is de BV in staat van faillissement verklaard.
2.17.
Op 23 november 2017 verneemt [appellant] per e-mail van de curator dat de drie bankrekeningen die behoren bij de kredietovereenkomst ( [rekeningnummer1] - [rekeningnummer2] - [rekeningnummer3] ) buiten gebruik zijn gesteld. De curator schrijft daarbij:
“De ING Bank is reeds geïnformeerd over de situatie en heeft akkoord gegeven op de
blokkering en verdere afhandeling via de curator. Dit betekent dat bovengenoemde
rekeningen per direct buiten gebruik zijn gesteld. Gebruik van deze rekeningen is ten strengste verboden.”
2.18.
Op 20 augustus 2018 is de VOF uitgeschreven uit het handelsregister.
2.19.
Op 5 september 2018 mailt [appellant] aan ING:
“Ik heb niets gehoord maar ik wil erop aan dringen dat het erg belangrijk is. We zijn
nu ook een maand verder! Ik heb een partij die bepaalde onderdelen wil kopen. Dit wil ik gebruiken voor de aflossing van de rekeningcourant [
onleesbaar, hof] en debiteuren."
2.20.
Op 23 oktober 2018 heeft ING telefonisch met [appellant] contact gehad in
verband met de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van [appellant] voor de
(betalings)verplichtingen van de VOF.
2.21.
Op 28 oktober 2018 mailt [appellant] aan ING onder meer:
“Ik moet zeggen dat ik het uitermate slecht vind hoe dit nu loopt. En ook heel makkelijk. Er valt niets meer te halen dus je gaat naar het incassobureau.
Mag ik er op wijzen dat door toe doen van de ING bank de vof uitgeschreven is bij de KvK en gestopt is met activiteiten!
Na maanden lang contact met ING er is gebeld, gemaild weer gebeld, toezeggingen gedaan, er zijn zelfs afspraken gemaakt voor afkoop wij zouden een antwoord plus akkoord zouden ontvangen, maar niets van dat alles. Zodra er iets gedaan moet worden aan de zijde van ING blijft het muisstil.
De vof had verkocht kunnen worden, met schulden. Dit zou ook besproken worden. Maar de complete stilte bij ING maakt verkoop niet makkelijk. Had ING bank antwoord gegeven, dan was ik compleet schulden vrij geweest, zowel wat betreft de schuld aan de bank als de schuld aan de leveranciers.”
2.22.
Op 7 augustus 2019 zond Vesting Finance, incassogemachtigde van ING, brieven
aan de VOF en aan [appellant] (en zijn ex-partner) waarin de kredietfaciliteit werd beëindigd, vanwege het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten van de VOF. De uitstaande kredietsom van (op dat moment) € 70.451,01 werd opgeëist en [appellant] werd gesommeerd om dit bedrag uiterlijk 21 augustus 2019 te betalen.
2.23.
[appellant] heeft vervolgens, bij brief van 27 september 2019, geprobeerd een
regeling te bereiken met Vesting Finance. Dit is niet gelukt. Op 6 mei 2020 heeft Vesting
Finance [appellant] gesommeerd de uitstaande kredietsom van (op dat moment)
€ 73.732,23 te betalen.
2.24.
Daarop heeft [appellant] op 11 en 29 mei 2020 verzocht om de
kredietovereenkomst toe te sturen. Op 8 juni 2020 heeft Vesting Finance deze aan [appellant]
toegestuurd. [appellant] heeft daarop gereageerd: “Mijn standpunt is bekend.
En de offerte van iemand anders!”.
2.25.
Op 1 juli 2020 heeft de advocaat van [appellant] opnieuw verzocht om de op het krediet betrekking hebbende contractstukken. Op 9 juli 2020 heeft Vesting Finance de kredietovereenkomsten aan de advocaat toegestuurd.
2.26.
Op 7 december 2020 en 19 januari 2021 heeft Vesting Finance brieven aan de
advocaat van [appellant] gezonden, waarin [appellant] is gesommeerd de vordering van ING te betalen. [appellant] is niet overgegaan tot betaling.
2.27.
In het kader van een verzoekschriftprocedure ex artikel 15 en Pro 16 AVG tussen ING
en [appellant] zond Vesting Finance aan de gemachtigde van [appellant] wederom de kredietovereenkomst. In aanvulling hierop zijn op 6 juli 2021 door Vesting Finance mutatieoverzichten van de drie betaalrekeningen van de VOF toegestuurd.
2.28.
Op 7 juni 2023 heeft Vesting Finance [appellant] nogmaals per brief
gesommeerd om de vordering van ING van (op dat moment) € 74.027.87 te betalen. Op 20 juni 2023 is door de gemachtigde van [appellant] de overeenkomst opgevraagd waarop de vordering is gebaseerd, alsmede een specificatie van de vordering onderbouwd met bankafschriften.
2.29.
Op 26 september 2023 heeft Vesting Finance aan de gemachtigde van [appellant]
aangegeven dat de gevraagde informatie al is toegestuurd en dat derhalve geen gehoor wordt gegeven aan het verzoek. Op 28 september 2023 heeft de gemachtigde van [appellant] gevraagd of een minnelijke regeling mogelijk zou zijn. Op 6 oktober 2023 heeft Vesting Finance bericht dat dit mogelijk is. maar dat wel inzage dient te worden verschaft in de financiële situatie van [appellant] . Daarop is geen reactie vernomen van de gemachtigde van [appellant] .
2.30.
Op 5 januari 2024 heeft Vesting Finance [appellant] voor de laatste keer
gesommeerd de vordering van ING te betalen. Daarbij is aangegeven dat bij uitblijven van betaling een gerechtelijke procedure aanhangig zou worden gemaakt. Op dezelfde dag is door de gemachtigde wederom gevraagd om een onderbouwing van de vordering.
2.31.
Op 19 juni 2024 ontvangt [appellant] de door hem verzochte bankafschriften van ING, zij het vanaf 1 januari 2015.
2.32.
ING heeft bij de rechtbank samengevat gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] zal veroordelen om aan ING te betalen een bedrag in hoofdsom van € 74.369.92, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2020, en daarnaast tot betaling van een bedrag van € 1.837.63 aan buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente
2.33.
[appellant] heeft bij de rechtbank samengevat gevorderd dat de rechtbank
I. Voor recht zal verklaren dat ING haar zorgplicht jegens [appellant] heeft geschonden, dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld wegens onjuiste adressering van voor hem bestemde post, verwijdering van zijn account en bankgegevens vóór het verstrijken van de bewaartermijn;
II. ING zal veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 80.000,- in verband met de
door [appellant] geleden schade;
III. ING zal veroordelen om aan [appellant] afschriften te doen toekomen van alle
stukken waaruit de aflossingen van [naam3] aan ING blijken en deze in mindering te
brengen op de vordering van ING jegens hem;
IV. ING zal veroordelen in de kosten van deze procedure.
2.34.
[naam3] heeft op 3 oktober 2024 ter uitvoering van een betalingsregeling en later een minnelijke regeling in totaal € 39.340,- betaald aan ING.
2.35.
De rechtbank heeft de vorderingen van ING (rekening houdend met de reeds verrichte aflossing door [naam3] ) toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen van ING alsnog worden afgewezen en dat ING wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis aan ING heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, en dat de afgewezen vorderingen van [appellant] alsnog worden toegewezen.
2.36.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep niet slaagt en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

[appellant] mocht er niet op vertrouwen dat de kredietovereenkomst was overgezet van de VOF naar de BV en hij deed dat feitelijk ook niet
3.1.
[appellant] stelt dat de kredietovereenkomst van de VOF is overgezet naar de BV, althans dat hij daar gezien het contact met ING van uit mocht gaan. Daardoor zou [appellant] niet meer hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betalingsverplichtingen van de VOF aan ING.
3.2.
[appellant] beroept zich daartoe hoofdzakelijk op het e-mailbericht van ING van 18 november 2014 (“Wij zullen de overeenkomst overzetten. Indien er nog vragen zijn zullen wij u berichten, zonder tegenbericht kunt u er vanuit gaan dat het is geformaliseerd.”) en de daaraan voorafgaande e-mail van 28 augustus 2014 waarin [naam6] verzoekt om een rekening courant voor de BV, onder verwijzing naar telefonisch contact en een aanvraagformulier. Daarnaast wijst hij erop dat na de veronderstelde wijziging, in lijn daarmee alle werkzaamheden van de VOF zijn overgegaan naar de BV.
3.3.
[appellant] kan worden toegegeven dat ING onvoldoende helder heeft gemaakt wat de strekking van de e-mail van 18 november 2014 is geweest.
Echter, dit betekent nog niet dat [appellant] er alleen op grond van die e-mail op heeft mogen vertrouwen dat de kredietovereenkomst is overgezet en dat hij daarmee zou zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld van de VOF.
3.4.
Er is immers geen opvolging gegeven aan die e-mail. Zo is er geen herfinanciering ten behoeve van de BV tot stand gekomen: [appellant] is niet namens de BV een kredietovereenkomst met ING aangegaan waarmee het krediet van de VOF is afgelost. De rekeningen zijn ook niet op naam van de BV gesteld, maar zijn op naam van de VOF blijven staan. Over ontslag van hoofdelijkheid is in de e-mail niets vermeld en ook anderszins is niet gebleken dat ING die zekerheid heeft prijsgegeven. [appellant] wist vanuit zijn ervaring met de omzetting van het indertijd aan zijn eenmanszaak verstrekte krediet naar de VOF dat dit door middel van herfinanciering plaatsvindt en dat een en ander schriftelijk wordt vastgelegd (vergelijk rov 2.9 tot en met 2.11). Hij mocht er dan ook niet op vertrouwen dat de e-mail van 18 november 2014 voldeed om genoemd gevolg, laat staan het verstrekkende gevolg van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, te doen intreden.
3.5.
Bovendien strookt de stelling van [appellant] dat de onderneming van de VOF vanaf 2014 is voortgezet door de BV en dat hij erop vertrouwde dat alle verplichtingen op de BV waren overgegaan niet met de overige feitelijke gang van zaken.
3.6.
Dat de bedrijfsactiviteiten van de VOF in 2014 niet zijn ondergebracht in de BV, blijkt uit diverse correspondentie en mededelingen van na 2014, onder andere met betrekking tot het faillissement van de BV, die op 24 oktober 2017 failliet werd verklaard.
3.7.
Uit een e-mailbericht van [naam3] aan ING op 6 november 2017 blijkt dat de VOF in 2017 nog bedrijfsactiviteiten had en dat zij en [appellant] daarmee verdergaan, ondanks het faillissement van de BV. Zij schrijft in het e-mailbericht onder meer:
“De volgende zaken zijn voor de toekomst volgens mij van belang. Ten eerste zijn veel kosten weggevallen, zoals personeelskosten, deze zijn tot 31 augustus dit jaar onder de VOF gevallen. "Internet Diensten", een aparte activiteit, is al enige tijd geleden beëindigd, omdat die nauwelijks een bijdrage leverde. Verder is de curator actief op zoek naar een overname kandidaat voor de BV. Nu de curator zich concentreert op een overnamekandidaat voor de BV, alsmede het innen van openstaande debiteuren, zal ik mij concentreren op de VOF.”
3.8.
[appellant] heeft aangegeven deze mail van zijn ex-partner aan ING niet te begrijpen, aangezien de VOF ‘immers een lege huls’ [was], waarin geen activiteiten werden verricht’. Het hof laat deze blote stelling voor rekening van [appellant] , te meer nu hij op zitting, in lijn met zijn eerdere verklaring ter zitting bij de rechtbank, heeft verklaard niet veel bemoeienis te hebben gehad met de VOF en ‘alleen wat administratieve dingetjes’ deed.
3.9.
Daarbij komt dat reeds uit de eigen stellingen van [appellant] volgt dat hij in 2018 bezig was om delen van de onderneming van de VOF te verkopen, hetgeen zich niet verhoudt met de stelling dat hij in 2014 de bedrijfsactiviteiten van de VOF heeft voortgezet in de BV. Het hof wijst hiertoe met name op zijn e-mails aan ING, nadat de VOF op 20 augustus 2018 was uitgeschreven uit het handelsregister, van 5 september 2018 (“Ik heb een partij die bepaalde onderdelen wil kopen. Dit wil ik gebruiken voor de aflossing van de rekeningcourant…”) en van 28 oktober 2018 (“Mag ik erop wijzen dat door toedoen van de ING bank de vof uitgeschreven is bij de KvK en gestopt is met activiteiten! (…) De vof had verkocht kunnen worden, met schulden”).
3.10.
Ook uit het achtste faillissementsverslag van de BV volgt dat sprake is geweest van twee ondernemingen, geëxploiteerd door de VOF en de BV, die tot de faillietverklaring in 2017 naast elkaar hebben bestaan en tegelijkertijd actief waren. In paragraaf 1.4 ('Huur') staat bijvoorbeeld:
“Er is geen huurovereenkomst gesloten met de eigenaar van het pand. Het pand wordt
gehuurd door [naam2] v.o.f.”
3.11.
Dan is er nog de (voormalig) advocaat van [appellant] die in zijn brief van aan ING van 27 september 2019 bevestigt dat de VOF jaren na de oprichting van de BV in 2014 zelfstandig een eigen onderneming dreef. Hij schrijft:
“De bedrijfsvoering in de V.O.F. (computerdiensten zoals computerreparaties voor
particulieren vanuit een 'computerwinkel' is per 20 augustus 2018 als rechtstreeks gevolg van
het faillissement van de B.V. gestaakt. Door het wegvallen van de B.V. als mede kostendrager van het gehuurde pand en door het door de curator innen van alle op de met de B.V. gedeelde ING rekeningen kon de V.O.F. niet meer aan haar verplichtingen voldoen.”
3.12.
En op 15 november 2017 – enkele weken na de faillietverklaring van de BV – schreef de voormalig advocaat van [appellant] al aan [appellant] onder meer:
“Logische vervolgstappen als de curator er een klap op kan geven:
- Aanschrijven crediteuren vof;
- Overname personeel uit de vof ( [naam9] en [naam10] );
- Bestuderen administratie vof door een derde op lijken in de kast en onregelmatigheden.”
3.13.
Waar [appellant] zich nog beroept op de aanvankelijke veronderstelling van de curator in een brief van 23 november 2017, waarin wordt verwezen naar drie betaalrekeningen die op naam zouden staan van de BV, heeft ING onderbouwd met een e-mailbericht van 22 september 2025, onweersproken aangevoerd dat de curator deze brief destijds heeft verstuurd naar aanleiding van (enkel) een mededeling van [appellant] dat die drie betaalrekeningen op naam zouden staan van de BV.
3.14.
Dat [appellant] echter wel degelijk wist dat de drie betaalrekeningen op naam stonden van de VOF, dat die daarvan gebruikt maakte en dus ook van de daaraan verbonden rekening courant kredieten, blijkt (voorts) uit de jaaroverzichten 2014 en 2015 die door ING aan de VOF zijn verstrekt, waarop de drie betaalrekeningen staan vermeld met daarbij de saldi per het begin en het einde van het jaar.
3.15.
Ook uit het eerdergenoemde achtste faillissementsverslag van de BV volgt deze wetenschap. In paragraaf 4.2 ('Werkzaamheden debiteuren') staat:
“Op de bankrekening van [naam2] v.o.f. zijn voor datum
faillissement enkele betalingen aan gefailleerde [BV] ontvangen. De curator heeft de v.o.f. verzocht tot betaling van deze bedragen op de boedelrekening. Ondanks verzoek/sommatie is de v.o.f. niet tot betaling overgegaan. (...)
Tevens heeft de curator nog een vordering op [naam2] VOF, wegens betalingen
aan gefailleerde die [naam2] VOF ten onrechte op haar bankrekening heeft
ontvangen. (…)
Met [naam2] VOF komt de curator niet tot overeenstemming buiten rechte.”
3.16.
Op de betaalrekeningen van de VOF kwamen dus betalingen binnen waarop – naar de mening van de curator – de boedel van de BV aanspraak had. [appellant] weigerde echter om die betalingen door te storten naar de boedel. Dat strookt niet met zijn stelling dat hij ervan uitging dat het krediet en de daaraan verbonden betaalrekeningen waren overgezet naar de BV. Hieruit blijkt immers dat [appellant] zich zelf op het standpunt stelde dat er onderscheid bestond tussen de BV en de VOF en dat de betaalrekeningen die op naam van de VOF werden aangehouden bij de ING en de daaraan gekoppelde kredietfaciliteiten nog steeds van de VOF waren.
3.17.
Ter zitting werd namens [appellant] nog betoogd dat het voorgaande zo moet worden begrepen dat de curator een bijdrage aan de boedel van [appellant] in privé verlangde. Het hof gaat voorbij aan deze blote stellingname ter zitting afgezet tegen de heldere tekst van de curator op dit punt in diens verslag, waarin immers duidelijk wordt gesproken over betaling door de VOF.
3.18.
Ten slotte kan hetgeen [appellant] heeft ingebracht en aangevoerd bij zijn aktes na antwoord ten betoge dat de bedrijfsactiviteiten van de VOF zouden zijn overgezet naar de BV, hem niet baten in het licht van de gemotiveerde, en ter zitting onweersproken gebleven, betwisting door ING.
3.19.
De conclusie is dat [appellant] er niet op mocht vertrouwen dat hij door ING was ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Hetgeen hij daartoe stelt – het e-mailbericht van 18 november 2014 en de context waarin die e-mail is gestuurd – is niet alleen op zichzelf onvoldoende om een dergelijk vertrouwen te rechtvaardigen; uit de overige feiten en omstandigheden volgt dat [appellant] daar ook helemaal niet op heeft vertrouwd. Genoegzaam is gebleken dat hij wist dat de kredietrelatie tussen ING en de VOF waarvoor hij hoofdelijk was verbonden ook na de e-mail van 8 november 2014 is blijven bestaan.
Over de hoogte van de vordering: die was voldoende controleerbaar en er is rekening gehouden met de betalingsregeling van [naam3] . [appellant] heeft niet onverschuldigd betaald.
3.20.
[appellant] klaagt verder dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de betalingsregeling die met [naam3] is gesloten. [appellant] klacht berust echter op een onjuiste lezing van het vonnis. Wat daar verder van zij, heeft hij ook feitelijk niet meer betaald dan dat hij verschuldigd was op basis van het vonnis. ING heeft onweersproken becijferd dat bij het door [appellant] op last van de deurwaarder betaalde bedrag van € 46.395,42 rekening is gehouden met alle betalingen die [naam3] heeft gedaan.
3.21.
Verder stelt [appellant] in dit verband dat de vordering van ING niet kan worden gecontroleerd, omdat de bankafschriften niet vanaf het aangaan van de kredietovereenkomst, maar pas vanaf 1 januari 2015, zijn overgelegd.
[appellant] heeft echter ook op dit punt niet althans onvoldoende weersproken dat de VOF tot en met 2019 actief gebruik heeft gemaakt van de betaalrekeningen, zoals ook blijkt uit de bankafschriften die wel zijn overgelegd.
ING heeft ter illustratie gewezen op betalingen die in 2017 en 2018 vanaf de betaalrekeningen van de VOF zijn gedaan via “Online bankieren". Dat betekent dat die betalingen zijn gedaan nadat is ingelogd op de online betaalomgeving van de VOF op de website van ING.
Tegen deze achtergrond moet, zonder adequate toelichting van het tegendeel, het ervoor worden gehouden dat de VOF tot november 2020 toegang heeft gehad tot de bankmutaties op de betaalrekeningen via de online betaalomgeving van ING.
3.22.
ING voert voorts terecht aan dat op grond van artikel 19 van Pro de Algemene Voorwaarden van de Bank de VOF was gehouden om de (digitale) bankafschriften zo spoedig mogelijk te controleren. Op grond van artikel 20 van Pro die voorwaarden heeft te gelden dat als de VOF niet binnen 13 maanden heeft betwist dat de gegevens op de bankafschriften juist zijn, die gegevens zijn goedgekeurd door de rekeninghouder, in dit geval de VOF. De VOF heeft de juistheid van de gegevens op de bankafschriften nooit betwist. Bij deze stand van zaken kan [appellant] niet het standpunt innemen dat hij niet gehouden zou zijn om de vordering van ING te betalen, omdat niet de bankafschriften van voor 2015 zijn overgelegd.
Het hof laat dan nog daar dat [appellant] ook niet inhoudelijk heeft gereageerd op de Excel-overzichten met daarop mutaties op de betaalrekeningen die ING (wel) eerder had gedeeld en evenmin op de bankafschriften over de periode 2015 – 2020 die hij inmiddels ruim een jaar in zijn bezit heeft. Noch heeft hij op andere wijze concreet gemaakt dat de vordering van ING feitelijk onjuist zou zijn. Bij gebreke van dit alles acht het hof de vordering van ING voldoende onderbouwd en de betaling door [appellant] niet onverschuldigd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
Geen grond voor matiging
3.23.
Volgens [appellant] moet de vordering worden afgewezen althans moet het bedrag worden gematigd op grond dat ING niet heeft gehandeld overeenkomstig
de eisen van redelijkheid en billijkheid, dan wel omdat de gevolgen van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn (artikel 6:2 BW Pro en/of art. 6:248 lid 2 BW Pro).
3.24.
[appellant] stelt in dit verband te zijn benadeeld doordat ING [appellant] niet heeft voorgelicht dat hij niet ontheven zou worden van zijn persoonlijke aansprakelijkheid. Ook had ING hem moeten informeren over alternatieven, zodat [appellant] een weloverwogen keuze zou hebben kunnen maken. Ten slotte stelt hij dat de vordering van ING zou moeten worden gematigd, omdat hij onvoldoende informatie zou hebben verkregen over de vordering van ING.
3.25.
[appellant] neemt in deze argumentatie als uitgangspunt dat de bedrijfsactiviteiten en de betaalrekeningen van de VOF zijn overgezet naar de BV. Maar zoals hiervoor uiteengezet, zijn de bedrijfsactiviteiten en de betaalrekeningen nooit overgegaan van de VOF naar de BV. De BV heeft geen betaalrekeningen aangehouden bij ING, noch is de BV een kredietovereenkomst aangegaan met ING. De betaalrekeningen hebben te allen tijde op naam gestaan van de VOF, evenals de kredietovereenkomst. Er bestond eenvoudigweg geen bancaire relatie tussen ING en de BV. Er bestond dan ook geen aanleiding voor ING om hem te wijzen op zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betalingsverplichtingen van de VOF.
3.26.
Voor zover zijn beroep op matiging is gegrond op de gestelde informatieachterstand, stuit het af op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen in rov. 3.21 en 3.22.
3.27.
Ten slotte heeft [appellant] nog ter onderbouwing van zijn gestelde benadeling als gevolg van het ontbreken van informatie vanuit ING over ‘alternatieven’, een scenario geschetst waarin ING de kredietovereenkomst op naam van de VOF op 11 februari 2014 (de datum van oprichting van de BV) had kunnen beëindigen en een nieuwe overeenkomst op naam van de BV zou worden gesloten, waarmee [appellant] de kredieten van de VOF terug had kunnen betalen en deze feitelijk een schuld van de BV zouden zijn geworden.
Nog daargelaten de vraag of de ING enkel op grond van de (context van de) mail van 18 november 2014 gehouden zou zijn [appellant] te voorzien van enig advies zoals hij schetst, miskent [appellant] dat een herfinanciering geen gegeven is, maar dat eerst beoordeeld zou hebben moeten worden of de nieuwe kredietnemer (de BV) een krediet kan verkrijgen gelijk aan de omvang van het krediet van de oude kredietnemer (de VOF). In het kader daarvan zou onder andere beoordeeld hebben moeten worden wat de financiële positie is van de nieuwe kredietnemer en welke zekerheden zij kan verstrekken, zoals bijvoorbeeld pand- of hypotheekrechten of een borgstelling. Gesteld noch gebleken is dat de BV in staat zou zijn geweest om de kredietfaciliteit van de VOF te herfinancieren. Enige verwachting van [appellant] in die lijn ontbeert dan ook iedere grond.
3.28.
Subsidiair stelt [appellant] dat hij uitsluitend aansprakelijk is voor de schulden van de VOF per 1 januari 2014, omdat de BV kort daarna – op 11 februari 2014 – werd opgericht en de bedrijfsactiviteiten en de betaalrekeningen toen onmiddellijk werden overgezet, aldus [appellant] .
3.29.
Ook deze argumentatie stuit af op hetgeen het hof hiervoor reeds heeft overwogen. De bedrijfsactiviteiten van de VOF zijn immers niet overgegaan op de BV.
3.30.
Daarnaast is [appellant] van mening dat ING de kredietfaciliteit op een te laat moment heeft beëindigd, waardoor de kosten onnodig zijn opgelopen. ING had de kredietfaciliteit per 24 oktober 2017 (het faillissement van de BV) moeten beëindigen, aangezien er vanaf dat moment geen werkzaamheden meer zouden zijn verricht.
3.31.
Evenals ING ziet het hof niet in waarom het faillissement van de BV tot gevolg zou moeten hebben dat de kredietfaciliteit van de VOF moest worden opgezegd. ING had immers geen positie in het faillissement van de BV.
3.32.
Hiervoor is reeds overwogen dat de VOF na de faillietverklaring van de BV is doorgegaan met het haar bedrijfsactiviteiten en dat er gebruik werd gemaakt van de betaalrekeningen en de daaraan verbonden rekening courant kredieten.
De VOF werd beëindigd op 20 augustus 2018. Mede naar aanleiding daarvan werd de
kredietfaciliteit in 2019 beëindigd. Ook na de beëindiging van de kredietfaciliteit bleef (op grond van artikel 20 van Pro de toepasselijke kredietvoorwaarden) de VOF rente en kosten verschuldigd. De VOF was de contractueel overeengekomen rente en kosten dus verschuldigd tot het moment dat de debetsaldi op de betaalrekeningen volledig waren aangezuiverd. Tot het moment dat de betaalrekeningen werden opgeheven in december 2020 zijn die rente en kosten in rekening gebracht. Nadien heeft ING uitsluitend aanspraak gemaakt op de wettelijke rente.
Het hof ziet in het voorgaande dan ook geen enkele aanleiding om de vordering van ING te matigen.
3.33.
Waar [appellant] tot slot stelt dat de vordering op grond van artikel 21 Rv Pro moet worden gematigd, omdat ING in strijd met de waarheidsplicht heeft gehandeld door te stellen dat de bankafschriften niet bewaard zijn gebleven, gaat het hof daar niet in mee, reeds omdat de rechtbank naar het oordeel van het hof deze schending door ING afdoende heeft gewogen en gecompenseerd door in dat verband de kosten van de procedure in conventie te compenseren en een punt minder te rekenen bij de begroting van de ten laste van [appellant] komende geliquideerde proceskosten van ING in reconventie.
Wettelijke rente, BIK, reële proceskosten
3.34.
[appellant] stelt dat hij pas wettelijke rente verschuldigd zou zijn met ingang van 19 juni 2024, omdat pas op die datum de bankafschriften zijn overgelegd door ING. Tot die tijd zou sprake zijn geweest van een ‘volstrekt onduidelijke vordering’ en zou ING in schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW Pro) hebben verkeerd.
Het hof gaat hier niet in mee op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, kort gezegd inhoudende dat de VOF tot en met 2019 gebruik heeft gemaakt van de betaalrekeningen en geen bezwaren heeft geuit tegen de afschrijvingen die zichtbaar zijn geweest in de online bankomgeving. Reeds daarom ziet het hof geen aanleiding de ingangsdatum van de wettelijke rente op een later moment te bepalen dan de door de rechtbank vastgestelde datum van verzuim, 4 november 2020. Het laat dan nog daar dat [appellant] ook ten aanzien van de overgelegde excel-overzichten van mutaties en later de bankafschriften niets heeft gesteld ter bevestiging dat hij aanleiding had te twijfelen aan de juistheid van de vordering.
3.35.
Het hof ziet evenmin aanleiding anders te beslissen ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten. Uit de overgelegde correspondentie in de procedure in eerste aanleg blijkt dat ING uitgebreide werkzaamheden heeft verricht om de vordering op [appellant] te incasseren. Er kon zoals hiervoor overwogen redelijkerwijs ook geen onduidelijkheid bestaan over de grondslag en omvang van de vordering. [appellant] heeft bij deze stand van zaken onvoldoende aangevoerd waarom de vordering de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro niet zou doorstaan en ING geen aanspraak zou hebben op een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten.
3.36.
Gezien het falen van de hiervoor besproken grieven, bestaat evenmin aanleiding ING te veroordelen in de reële proceskosten van [appellant] .
Geen recht op schadevergoeding
3.37.
Bij de rechtbank heeft [appellant] in reconventie schadevergoeding gevorderd op grond dat ING haar zorgplicht jegens hem zou hebben geschonden, dan wel onrechtmatig zou hebben gehandeld door, zo begrijpt het hof, [appellant] niet voortvarend van informatie te voorzien. Zijn schade zou hebben bestaan uit kosten voor juridische bijstand om procedures te voeren tegen ING. Daarnaast zou hij inkomensverlies hebben geleden door toedoen van ING. [appellant] heeft de door hem geleden schade in eerste aanleg begroot op een bedrag van € 80.000,-. De rechtbank heeft de reconventionele vordering van [appellant] afgewezen.
[appellant] grieft tegen deze afwijzing en neemt daarbij het gewijzigde standpunt in dat de schade niet alleen bestaat uit kosten voor juridische bijstand en inkomensverlies, maar ook ziet op het niet kunnen verkopen van de onderneming van de VOF, het oplopen van de vordering met rente en buitengerechtelijke incassokosten en het niet terugbetalen door ING van een onverschuldigde betaling van € 29.250,-.
3.38.
Hiervoor is reeds overwogen dat redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan bij [appellant] ten aanzien van de grondslag en omvang van de vordering van ING op de VOF. Reeds daarom is de vordering van [appellant] niet toewijsbaar.
Waar [appellant] de gestelde onverschuldigde betaling door hem aan ING opvoert als schade, heeft het hof hiervoor reeds overwogen dat [appellant] niet meer heeft betaald dat hij op grond van het vonnis verschuldigd was aan ING. [appellant] kan dan ook geen schade hebben geleden door het niet terugbetalen van een onverschuldigde betaling.
Ten aanzien van de schade als gevolg van niet kunnen verkopen van de onderneming voldoet
[appellant] niet aan zijn stelplicht. Met name licht hij niet toe welke schade hij concreet heeft geleden, noch maakt hij voldoende concreet het causaal verband tussen die schade en tot enig handelen/nalaten van ING. Reeds daarom passeert het hof zijn stelling op dit punt.
Dat de vordering van ING is toegenomen met rente en buitengerechtelijke incassokosten, moet voor rekening van [appellant] blijven.
Wat betreft de kosten van de gerechtelijke procedures bij de rechtbank Midden-Nederland en Amsterdam, constateert het hof in navolging van ING dat in beide procedures, die aanhangig waren gemaakt door [appellant] , niet is verzocht om bankafschriften van de betaalrekeningen van de VOF. De VOF was ook geen partij in die procedures. De procedures hadden aldus geen betrekking op het verkrijgen van duidelijkheid over de vordering van ING op de VOF. Reeds daarom kan ING in deze procedure niet aansprakelijk worden gehouden voor deze kosten.
De kosten van [appellant] in de procedure bij de Geschillencommissie Kifid zijn evenmin toewijsbaar, reeds omdat de vordering van ING op [appellant] toewijsbaar is.
[appellant] stelt ten slotte dat sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg waarvan hij inkomensverlies lijdt. Deze arbeidsongeschiktheid zou het gevolg zijn van het handelen van
ING. Het hof heeft ter zitting kunnen constateren dat [appellant] kampt met de nodige medische beperkingen. [appellant] schiet echter tekort in zijn stelplicht, om te beginnen in ieder geval ter zake van enig causaal verband tussen zijn gestelde inkomensverlies en het handelen van ING. Aan zijn stelling op dit punt zal het hof dan ook voorbijgaan.
Tot slot volgt reeds uit al het voorgaande dat de vordering van [appellant] tot veroordeling van ING in de werkelijke proceskosten wegens misbruik van procesrecht, niet toewijsbaar is.
De conclusie
3.39.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [1]
3.40.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 22 januari 2025;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van ING:
€ 2.255,- aan griffierecht
€ 4.704,- aan salaris van de advocaat van ING (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Aksu, M.M.A. Wind en E.F. Verheul, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.