Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2621

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.359.819/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in huurgeschil na intrekking door schuldsanering

Appellanten zijn in 2019 een huurovereenkomst aangegaan voor een woning waarin zij met hun vier minderjarige kinderen woonden. Geïntimeerde vorderde ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurachterstand, ontruiming en betaling van de achterstand. De kantonrechter wees deze vorderingen grotendeels toe, met een ontruimingstermijn van drie maanden vanwege de minderjarige kinderen.

Appellanten stelden hoger beroep in en voerden aan dat de belangen van hen en hun kinderen onvoldoende waren meegewogen en dat zij inmiddels waren toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Omdat de bewindvoerder geen toestemming gaf voor voortzetting van het hoger beroep, verzochten zij de procedure door te halen.

Geïntimeerde verzocht vervolgens om veroordeling van appellanten in de proceskosten. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens intrekking, veroordeelde appellanten tot betaling van proceskosten en bepaalde dat deze kosten binnen 14 dagen voldaan moeten worden, met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt appellanten tot betaling van proceskosten aan geïntimeerde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.819/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11621854
arrest van 28 april 2026
in de zaak van

1.[appellante] ( [appellante] )

2. [appellant] ( [appellant] )
die wonen in [woonplaats1]
advocaat: mr. J.M. Koppert
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J.B. de Jong

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellante] en [appellant] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, (hierna: de kantonrechter) op 28 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
de memorie van antwoord
• op 1 april 2026 hebben [appellante] en [appellant] doorhaling van de procedure verzocht
• op 14 april 2026 heeft [geïntimeerde] een akte genomen met het verzoek [appellante] en [appellant] in de proceskosten te veroordelen.
Vervolgens heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2.De feiten

2.1
[appellante] en [appellant] zijn op 15 september 2019 een huurovereenkomst met [geïntimeerde] aangegaan voor de huur van een woning aan het [adres] in [woonplaats1] . Zij zijn daar samen met hun vier kinderen gaan wonen.
2.2
[geïntimeerde] heeft in verband met een ontstane huurachterstand bij de kantonrechter ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd, ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand. [appellante] en [appellant] hebben de huurachterstand erkend maar aangegeven dat zij deze niet kunnen betalen.
2.3
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] – met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten – in haar vonnis van 28 mei 2025 toegewezen. De termijn voor ontruiming is, gelet op het feit dat er minderjarige kinderen in de woning wonen, bepaald op drie maanden na betekening van het vonnis.
2.4
[appellante] en [appellant] hebben bij dagvaarding van 27 augustus 2025 hoger beroep ingesteld en gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen.
2.5
De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, heeft op 21 oktober 2025 bepaald dat vanaf 22 oktober 2025 tot 22 oktober 2030 bewind is ingesteld over de goederen van [appellante] en [appellant] . Papillion Bewindvoering BV te Almere is tot beschermingsbewindvoerder benoemd.
2.6
Bij vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 1 december 2025 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [appellante] en [appellant] . [naam] is in beide gevallen tot bewindvoerder benoemd.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1
Mr. Koppert heeft in de namens [appellante] en [appellant] ingediende memorie van grieven aangegeven:
- dat het hoger beroep is ingesteld omdat [appellante] en [appellant] van mening zijn dat de kantonrechter de belangen van hen en hun vier minderjarige kinderen onvoldoende heeft meegewogen;
- dat [appellante] en [appellant] inmiddels zijn toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling;
- dat er (nog) geen toestemming van de WSNP bewindvoerder is om het hoger beroep voort te zetten.
3.2
Nadat [geïntimeerde] een memorie van antwoord had genomen, hebben [appellante] en [appellant] het hof verzocht de procedure door te halen omdat de bewindvoerder niet akkoord is met het doorzetten van het hoger beroep.
3.3
[geïntimeerde] heeft vervolgens bij akte verzocht om [appellante] en [appellant] in de kosten van de procedure te veroordelen.
3.4
Nu [appellante] en [appellant] hun beroep hebben ingetrokken nadat [geïntimeerde] een memorie van antwoord had genomen, zal het hof [appellante] en [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in hun hoger beroep [1] en hen in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [2] Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief.
3.5
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
verklaart [appellante] en [appellant] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;
4.2
veroordeelt [appellante] en [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 362 aan griffierecht
€ 1.290 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 punt x het toepasselijke tarief II)
4.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, J.H. Kuiper en W.F. Boele en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
28 april 2026.

Voetnoten

2.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.